Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9147
2026-09-21
Bestuursrecht
BRE 26/2007
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
NTB KOT
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:3192 Raad van State 03-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.485 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 20 februari 2025 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 februari 2025 en verweerder heeft deze op 3 maart 2025 ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes maanden. Niet gebleken is dat de beslistermijn rechtsgeldig is opgeschort. Verweerder had dus uiterlijk op 3 maart 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 11 maart 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op dezelfde datum ontvangen. Daarna zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2026, de nadere beslistermijn te bepalen op twee weken. Daarbij verzoekt verweerder de rechterlijke dwangsom overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling op nihil vast te stellen.
4.3.
In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De Afdeling overweegt dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarbij is meegenomen dat de besluitvorming in deze aanvraagfase volledig is vastgelopen, terwijl de ingezette versnellingsmaatregelen in de huidige vorm op gespannen voet staan met doel en strekking van de Wht. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er volgens de Afdeling ook geen aanleiding om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.
4.4.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Verbindt de rechtbank aan deze uitspraak een dwangsom?
5. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere voorziening treffen.5.1. In voornoemde uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld. De Afdeling is ervan overtuigd dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen.
5.2.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken. Dit betekent dat de nadere dwangsom op nihil zal worden gesteld.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de aan deze uitspraak te verbinden dwangsom wordt gesteld op nihil.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de nadere dwangom die aan deze uitspraak wordt verbonden op nihil wordt gesteld;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 21 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Artikel 4:15 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2026:3192.
Artikel 8:55d, tweede en derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 20 februari 2025 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 februari 2025 en verweerder heeft deze op 3 maart 2025 ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes maanden. Niet gebleken is dat de beslistermijn rechtsgeldig is opgeschort. Verweerder had dus uiterlijk op 3 maart 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 11 maart 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op dezelfde datum ontvangen. Daarna zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om, naar analogie met de bepaalde beslistermijn in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2026, de nadere beslistermijn te bepalen op twee weken. Daarbij verzoekt verweerder de rechterlijke dwangsom overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling op nihil vast te stellen.
4.3.
In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De Afdeling overweegt dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarbij is meegenomen dat de besluitvorming in deze aanvraagfase volledig is vastgelopen, terwijl de ingezette versnellingsmaatregelen in de huidige vorm op gespannen voet staan met doel en strekking van de Wht. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er volgens de Afdeling ook geen aanleiding om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.
4.4.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Verbindt de rechtbank aan deze uitspraak een dwangsom?
5. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere voorziening treffen.5.1. In voornoemde uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld. De Afdeling is ervan overtuigd dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen.
5.2.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken. Dit betekent dat de nadere dwangsom op nihil zal worden gesteld.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de aan deze uitspraak te verbinden dwangsom wordt gesteld op nihil.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de nadere dwangom die aan deze uitspraak wordt verbonden op nihil wordt gesteld;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 21 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Artikel 4:15 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2026:3192.
Artikel 8:55d, tweede en derde lid, van de Awb.