Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9131
2026-09-16
Civiel recht; Arbeidsrecht
11995467 CV EXPL 25-6173 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Uitleg vaststellingsovereenkomst bij einde dienstverband (Havilex norm). Ondanks letterlijke bewoordingen in de vaststellingsovereenkomst heeft werknemer wel aanspraak op een jubileumgratificatie. Overige vorderingen van werknemer zijn niet toewijsbaar.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1981:AG4158 Hoge Raad 13-03-1981
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.622 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11995467 \ CV EXPL 25-6173
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A.P. Uijens,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigden: mr. E. van der Meulen en mr. M.S. Barmentlo
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [werknemer] op grond van een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst recht heeft op vergoedingen in verband met een 25- jarig dienstjubileum. De kantonrechter oordeelt dat dit voor de jubileumgratificatie het geval is. De kantonrechter licht dit oordeel hierna verder toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging productie van [werkgever];
- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de pleitnota van de gemachtigden van [werkgever].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[werknemer] is vanaf 1 december 2000 werkzaam geweest voor [werkgever]. [werknemer] was aanvankelijk werkzaam als uitzendkracht. Per 1 juni 2001 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden. [werknemer] was laatstelijk werkzaam in de functie van Afdelingssecretaresse, tegen een salaris van € 3.019,10 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
3.2.
[werkgever] heeft op 5 juni 2025 aan [werknemer] kenbaar gemaakt dat zij het dienstverband met [werknemer] wenst te beëindigen. [werkgever] heeft hierop een concept vaststellingsovereenkomst beëindiging dienstverband aan [werknemer] voorgelegd.
3.3. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft per e-mail van 8 juli 2025 op de concept vaststellingsovereenkomst gereageerd.
3.4.
[werkgever] heeft hierop per e-mail van 18 juli 2025 het volgende aan [werknemer] bericht: “In vervolg op het telefonisch onderhoud hierbij “tegenvoorstel” vanuit [werkgever]. Wij zijn bereid om de schadeloosstelling te verhogen naar €80.000 bruto bij een uitdiensttreding van 15 december 2025 (..)”.
3.5.
Partijen hebben op 25 juli 2025 de definitieve vaststellingsovereenkomst getekend. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“ In aanmerking nemende dat:
- [werknemer] sinds 1december 2000 werkzaam is bij [werkgever] B.V., laatstelijk in de (voorbeeld) functie van Afdelingssecretaresse en dit op basis van een dienstverband van 70%. Het huidige salaris bedraagt € 3019,10 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en 5% gratificatie.(..)
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt
:
Artikel 1
De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 15 december 2025 (de beëindigingsdatum). Tot de beëindigingsdatum behoudt [werknemer] aanspraak op alle arbeidsvoorwaarden, tenzij in deze vaststellingsovereenkomst anders is bepaald. [werknemer] wordt na ondertekening van deze overeenkomst vrijgesteld van werkzaamheden.
Artikel 13
(..) Behoudens voor zover het de nakoming en uitvoering van de in deze vaststellingsovereenkomst omschreven rechten en verplichtingen betreft, verlenen werkgever en [werknemer] elkaar hierbij finale kwijting met betrekking tot de arbeidsovereenkomst, de (wijze van) beëindiging daarvan en anderszins. De finale kwijting heeft geen betrekking op loonbelasting en premies.”.
3.6.
In het personeelsregelingenboek is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
“1.10.1 Vaststellen jubileumdatum De eerste datum in dienst bij een [werkgever] onderneming geldt als basis voor de bepaling van de jubileumdatum. Een eventuele stage-, uitzend- of detacheringsperiode voorafgaand aan het eerste [werkgever] dienstverband telt niet mee voor bepaling van het jubileum (..).
1.10.2
Viering jubileum
Er wordt aandacht geschonken aan het 12½-, 25- en 40-jarig dienstjubileum.
(..) 25- en 40-jarig dienstjubileum
(..)
Medewerker ontvangt de jubileumuitkering van één bruto maandsalaris (bij 25 jaar), exclusief toeslagen gelijktijdig met het salaris in de maand van het jubileum, conform de geldende fiscale regelgeving.
Medewerker mag een blijvend cadeau declareren ter waarde van € 350,- netto.
De medewerker mag met familie en/of enkele collega’s extern het jubileum vieren. De bijdrage van de werkgever bedraagt maximaal € 500,- netto. Dit bedrag wordt door jubilaris of leidinggevende betaald en gedeclareerd.
(..)
1.10.4
Financiële afwikkeling
Het bedrag voor het jubileumcadeau wordt niet (ook niet gedeeltelijk) in geld uitgekeerd.(..) Door uploaden van de aankoopnota via b Travel wordt de tegemoetkoming direct uitbetaald aan de medewerker, conform de geldende fiscale regelgeving.”
4Het geschil
4.1.
[werknemer] vordert -samengevat- veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 3.869,10 bruto, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[werknemer] legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. Partijen hebben in het kader van beëindiging van het dienstverband een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten. Bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst gingen beide partijen ervan uit dat [werknemer] in aanmerking zou komen voor de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum, te weten een jubileumgratificatie, een tegemoetkoming in de kosten van een jubileumviering en een vergoeding van een nader uit te zoeken cadeau. Achteraf is gebleken dat dat [werknemer] hier formeel geen recht op heeft, omdat zij geen 25 jaar in dienst is geweest bij [werkgever]. Gelet op de door [werkgever] gedane mededelingen en de op verzoek van [werknemer] plaatsgevonden verschuiving van de einddatum van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] mocht [werknemer] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij hier wel recht op zou hebben.
4.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[werkgever] voert -samengevat- het volgende aan. [werknemer] komt volgens artikel 1.10.1 van het Personeelsregelingenboek niet in aanmerking voor de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum. [werknemer] kan op basis van de (uitleg) van de vaststellingsovereenkomst hierop ook geen aanspraak maken. [werkgever] heeft op verzoek van [werknemer] de einddatum verschoven naar 15 december 2025. De heer [directeur HR] , werkzaam als Director Human Resources bij [werkgever] (hierna: [directeur HR] ), heeft hierbij niet aan [werknemer] kenbaar gemaakt dat zij aanspraak kon maken op de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting overeengekomen, zodat [werknemer] niet alsnog aanspraak kan maken op faciliteiten die niet in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen. Het in afwijking van artikel 1.10.1 van het Personeelsregelingenboek toekennen van faciliteiten, terwijl van een 25-jarig dienstjubileum feitelijk geen sprake is, schept ook een verkeerd beeld richting andere collega’s. De door [werknemer] gevorderde tegemoetkoming in de kosten van de jubileumviering en vergoeding van een nader uit te kiezen cadeau zijn op grond van artikel 1.10.2 en 1.10.4 van het Personeelsregelingenboek ook niet toewijsbaar.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer] niet 25 jaar bij [werkgever] in dienst was, zodat zij op grond van artikel 1.10.1 van het personeelsregelingenboek in beginsel ook geen recht heeft op de daarbij behorende faciliteiten. Volgens het personeelsregelingenboek telt de uitzendperiode (bij [werknemer] van 1 december 2000 tot en met 31 mei 2001) voorafgaand aan het eerste [werkgever] dienstverband immers niet mee voor bepaling van het jubileum.
5.2.
[werknemer] beroept zich echter op de inhoud van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, de wijze waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen en de mededelingen die [directeur HR] voor het tekenen van de vaststellingsovereenkomst over het dienstjubileum heeft gedaan.
Inhoud van de vaststellingsovereenkomst
5.3.
Voor de beoordeling is in de eerste plaats van belang dat [werknemer] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is bijgestaan door een gemachtigde, die ook voor haar heeft onderhandeld. Ten aanzien van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst overweegt de kantonrechter dat in de vaststellingsovereenkomst niets is vermeld over (financiële) aanspraken in verband met een 25-jarig dienstjubileum.
[werknemer] stelt in dit kader dat dit niet noodzakelijk was, omdat uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat zij op 1 december 2000 in dienst is getreden bij [werkgever]
en in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat zij tot de beëindigingsdatum (15 december 2025) alle arbeidsvoorwaarden behoudt. De kantonrechter overweegt dat uit de letterlijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet volgt dat [werknemer] 25 jaar bij [werkgever] in dienst was en zij op grond hiervan aanspraak kan maken op de faciliteiten behorend bij dit dienstjubileum. In de aanhef van de vaststellingsovereenkomst is alleen vermeld dat [werknemer] sinds 1 december 2000 werkzaam is bij [werkgever]. Werkzaam bij betekent niet dat [werknemer] vanaf die datum ook feitelijk bij [werkgever] in dienst was. Eerst per 1 juni 2001 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden.
5.4.
Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het echter niet alleen om de taalkundige betekenis van de bewoordingen die bij het maken van de afspraken zijn gebruikt, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en om hetgeen ze dienaangaande over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex norm).
5.5.
Of [werknemer] alsnog aanspraak heeft op de dienstgratificatie hangt af van de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en de uitlatingen die partijen voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gedaan.
Partijbedoeling bij tekenen vaststellingsovereenkomst
5.6.
Partijen zijn in een eerdere conceptovereenkomst uitgegaan van een beëindigingsdatum van 1 december 2025. (De gemachtigde van) [werknemer] heeft hierop per e-mail van 8 juli 2025 aan [werkgever] verzocht de beëindigingsdatum op 1 januari 2026 te bepalen.
5.7.
Voor zover [werknemer] stelt dat de aanpassing van de beëindigingsdatum is gevolgd naar aanleiding van een tussen partijen op 11 juli 2025 plaatsgevonden Teams-meeting, waarbij [directeur HR] aan haar en haar gemachtigde heeft medegedeeld de datum aan te passen, zodat zij op een waardige manier afscheid van het team kon nemen, overweegt de kantonrechter dat [werknemer] dit eerst ter zitting naar voren heeft gebracht en [werkgever] deze mededeling uitdrukkelijk heeft betwist.
5.8.
De kantonrechter is, los van de vraag of de [directeur HR] deze mededeling aan [werknemer] heeft gedaan -waarvoor nadere bewijslevering noodzakelijk is-, van oordeel dat [werknemer] gezien de inhoud van haar verzoek en de daarop volgende wijziging van de beëindigingsdatum door [werkgever] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat 1 december 2000 als basis geldt voor het bepalen van het dienstjubileum en zij op grond van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst in aanmerking zou komen voor de jubileumgratificatie.
5.9. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft in reactie op de eerste concept vaststellingsovereenkomst per e-mail van 8 juli 2025 -voor zover van belang- het volgende aan [werkgever] bericht: “Artikel 1
In artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is een ontslagdatum van 1 december 2025 voorgesteld. Dit is vijf maanden na de datum waartegen na ons gesprek op 5 juni jongsteleden kon worden opgezegd (namelijk 1 juli 2025). Toevalligerwijs is dat ook exact de datum waarop mevrouw [werknemer] haar 25-jarig jubileum heeft. Het is voor een secretaresse die al jaren dit soort jubilea regelt buitengewoon zuur dat zij haar jubileum op een dag misloopt.
Bovendien bieden de faciliteiten die gepaard gaan met een dergelijk jubileum haar de mogelijkheid om op gepaste wijze afscheid te nemen van collega’s met wie zij jarenlang prettig heeft samengewerkt (onderstreping kantonrechter). Een termijn van zes maanden ligt in de rede. Wellicht heeft termijn van zes maanden bedoeld en bent u daarbij per abuis uitgegaan van de datum van 1 juni 2025. Hoe het ook zij, mevrouw [werknemer] verzoekt u om een termijn van zes maanden na 1 juli 2025 te hanteren en de ontslagdatum te bepalen op 1 januari 2026.”.
5.10.
Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [werkgever] gelegen om op dat moment, althans vóór het tekenen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk aan (de gemachtigde van) [werknemer] kenbaar te maken dat ook bij een beëindigingsdatum van 15 december 2025 geen sprake is van een 25-jarig dienstjubileum en [werknemer] dan ook geen aanspraak kon maken op de faciliteiten behorend bij dit jubileum. Het door [werkgever] gevoerde verweer dat de aanspraak op het dienstjubileum niet tijdens de onderhandelingen is benoemd gaat gelet op de in rechtsonderdeel 5.9. genoemde bewoordingen van de (gemachtigde van) [werknemer] in zoverre ook niet op.
5.11.
Voor zover [directeur HR] bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst er ook abusievelijk vanuit is gegaan dat er voor einde dienstverband sprake is van een 25-jarig dienstjubileum, en in die zin van wederzijdse dwaling sprake is, overweegt de kantonrechter dat dit voor rekening en risico van [werkgever] komt. De (maatschappelijke) positie van partijen die in het kader van toetsing conform Haviltex mede van invloed kan zijn brengt met zich mee dat de onderzoeksplicht en informatieplicht van de werkgever in dit geval zwaarder weegt. Van [werkgever], meer in het bijzonder de director Human Resources, mag worden verwacht dat zij van de juistheid van de regeling op de hoogte is en (de gemachtigde van) [werknemer] -[werkgever] hierover ook juist informeert.
Voor zover [werkgever] stelt dat [werknemer] zelf met de regeling bekend was, althans behoorde te zijn, omdat zij zich in het kader van haar werkzaamheden bezighield met de jubileumactiviteiten overweegt de kantonrechter als volgt.
[werknemer] heeft ter zitting verklaard en door [werkgever] is ook niet weersproken dat zij ( [werknemer] ) zich alleen bezig hield met de organisatie van de jubileumvieringen en zij in het kader van haar werkzaamheden niet op de hoogte was van de in het Personeelsregelingenboek opgenomen jubileumregeling. Van een kennisvoorsprong aan de zijde van [werknemer] is dan ook niet gebleken.
Jubileumgratificatie
5.12.
De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst met zich meebrengt dat [werknemer] , ondanks dat dit afwijkt met de bij [werkgever] geldende regeling, bij einde dienstverband recht heeft op de jubileumgratificatie van € 3.019,10 bruto.
5.13.
Het beroep van [werkgever] op de in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijtingsregeling gaat gelet op de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepaling dat [werknemer] tot de beëindigingsdatum (15 december 2025) recht heeft op alle arbeidsvoorwaarden, en de hiervoor genoemde uitleg van deze bepaling, in zoverre ook niet op. Het door [werknemer] gevorderde bedrag van
€ 3.019,10 bruto is dan ook toewijsbaar. De medegevorderde wettelijke rente over dit bedrag is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar.
Tegemoetkoming in het de kosten van een jubileumviering en vergoeding nader uit te zoeken cadeau
5.14.
De door [werknemer] gevorderde bedragen in verband met kosten jubileumviering (€ 500,- bruto) en vergoeding van een nader uit te kiezen cadeau (€ 350,- bruto) zijn niet toewijsbaar, nu [werkgever] onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld dat [werknemer] hier op grond van artikel 1.10.2 en artikel 1.10.4 van het personeelsregelingenboek geen aanspraak op kan maken, omdat [werknemer] geen kosten van een jubileumviering heeft gemaakt en het jubileumcadeau niet in geld kan worden uitgekeerd.
Proceskosten
5.15.
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,02
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.037,52
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 3.019,10 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 15 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.037,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158; Haviltex
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11995467 \ CV EXPL 25-6173
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A.P. Uijens,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigden: mr. E. van der Meulen en mr. M.S. Barmentlo
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [werknemer] op grond van een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst recht heeft op vergoedingen in verband met een 25- jarig dienstjubileum. De kantonrechter oordeelt dat dit voor de jubileumgratificatie het geval is. De kantonrechter licht dit oordeel hierna verder toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging productie van [werkgever];
- de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de pleitnota van de gemachtigden van [werkgever].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[werknemer] is vanaf 1 december 2000 werkzaam geweest voor [werkgever]. [werknemer] was aanvankelijk werkzaam als uitzendkracht. Per 1 juni 2001 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden. [werknemer] was laatstelijk werkzaam in de functie van Afdelingssecretaresse, tegen een salaris van € 3.019,10 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
3.2.
[werkgever] heeft op 5 juni 2025 aan [werknemer] kenbaar gemaakt dat zij het dienstverband met [werknemer] wenst te beëindigen. [werkgever] heeft hierop een concept vaststellingsovereenkomst beëindiging dienstverband aan [werknemer] voorgelegd.
3.3. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft per e-mail van 8 juli 2025 op de concept vaststellingsovereenkomst gereageerd.
3.4.
[werkgever] heeft hierop per e-mail van 18 juli 2025 het volgende aan [werknemer] bericht: “In vervolg op het telefonisch onderhoud hierbij “tegenvoorstel” vanuit [werkgever]. Wij zijn bereid om de schadeloosstelling te verhogen naar €80.000 bruto bij een uitdiensttreding van 15 december 2025 (..)”.
3.5.
Partijen hebben op 25 juli 2025 de definitieve vaststellingsovereenkomst getekend. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“ In aanmerking nemende dat:
- [werknemer] sinds 1december 2000 werkzaam is bij [werkgever] B.V., laatstelijk in de (voorbeeld) functie van Afdelingssecretaresse en dit op basis van een dienstverband van 70%. Het huidige salaris bedraagt € 3019,10 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en 5% gratificatie.(..)
Verklaren te zijn overeengekomen als volgt
:
Artikel 1
De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt met wederzijds goedvinden beëindigd per 15 december 2025 (de beëindigingsdatum). Tot de beëindigingsdatum behoudt [werknemer] aanspraak op alle arbeidsvoorwaarden, tenzij in deze vaststellingsovereenkomst anders is bepaald. [werknemer] wordt na ondertekening van deze overeenkomst vrijgesteld van werkzaamheden.
Artikel 13
(..) Behoudens voor zover het de nakoming en uitvoering van de in deze vaststellingsovereenkomst omschreven rechten en verplichtingen betreft, verlenen werkgever en [werknemer] elkaar hierbij finale kwijting met betrekking tot de arbeidsovereenkomst, de (wijze van) beëindiging daarvan en anderszins. De finale kwijting heeft geen betrekking op loonbelasting en premies.”.
3.6.
In het personeelsregelingenboek is -voor zover van belang- het volgende bepaald:
“1.10.1 Vaststellen jubileumdatum De eerste datum in dienst bij een [werkgever] onderneming geldt als basis voor de bepaling van de jubileumdatum. Een eventuele stage-, uitzend- of detacheringsperiode voorafgaand aan het eerste [werkgever] dienstverband telt niet mee voor bepaling van het jubileum (..).
1.10.2
Viering jubileum
Er wordt aandacht geschonken aan het 12½-, 25- en 40-jarig dienstjubileum.
(..) 25- en 40-jarig dienstjubileum
(..)
Medewerker ontvangt de jubileumuitkering van één bruto maandsalaris (bij 25 jaar), exclusief toeslagen gelijktijdig met het salaris in de maand van het jubileum, conform de geldende fiscale regelgeving.
Medewerker mag een blijvend cadeau declareren ter waarde van € 350,- netto.
De medewerker mag met familie en/of enkele collega’s extern het jubileum vieren. De bijdrage van de werkgever bedraagt maximaal € 500,- netto. Dit bedrag wordt door jubilaris of leidinggevende betaald en gedeclareerd.
(..)
1.10.4
Financiële afwikkeling
Het bedrag voor het jubileumcadeau wordt niet (ook niet gedeeltelijk) in geld uitgekeerd.(..) Door uploaden van de aankoopnota via b Travel wordt de tegemoetkoming direct uitbetaald aan de medewerker, conform de geldende fiscale regelgeving.”
4Het geschil
4.1.
[werknemer] vordert -samengevat- veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 3.869,10 bruto, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[werknemer] legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. Partijen hebben in het kader van beëindiging van het dienstverband een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten. Bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst gingen beide partijen ervan uit dat [werknemer] in aanmerking zou komen voor de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum, te weten een jubileumgratificatie, een tegemoetkoming in de kosten van een jubileumviering en een vergoeding van een nader uit te zoeken cadeau. Achteraf is gebleken dat dat [werknemer] hier formeel geen recht op heeft, omdat zij geen 25 jaar in dienst is geweest bij [werkgever]. Gelet op de door [werkgever] gedane mededelingen en de op verzoek van [werknemer] plaatsgevonden verschuiving van de einddatum van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] mocht [werknemer] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij hier wel recht op zou hebben.
4.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[werkgever] voert -samengevat- het volgende aan. [werknemer] komt volgens artikel 1.10.1 van het Personeelsregelingenboek niet in aanmerking voor de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum. [werknemer] kan op basis van de (uitleg) van de vaststellingsovereenkomst hierop ook geen aanspraak maken. [werkgever] heeft op verzoek van [werknemer] de einddatum verschoven naar 15 december 2025. De heer [directeur HR] , werkzaam als Director Human Resources bij [werkgever] (hierna: [directeur HR] ), heeft hierbij niet aan [werknemer] kenbaar gemaakt dat zij aanspraak kon maken op de faciliteiten behorend bij een 25-jarig dienstjubileum. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting overeengekomen, zodat [werknemer] niet alsnog aanspraak kan maken op faciliteiten die niet in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen. Het in afwijking van artikel 1.10.1 van het Personeelsregelingenboek toekennen van faciliteiten, terwijl van een 25-jarig dienstjubileum feitelijk geen sprake is, schept ook een verkeerd beeld richting andere collega’s. De door [werknemer] gevorderde tegemoetkoming in de kosten van de jubileumviering en vergoeding van een nader uit te kiezen cadeau zijn op grond van artikel 1.10.2 en 1.10.4 van het Personeelsregelingenboek ook niet toewijsbaar.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer] niet 25 jaar bij [werkgever] in dienst was, zodat zij op grond van artikel 1.10.1 van het personeelsregelingenboek in beginsel ook geen recht heeft op de daarbij behorende faciliteiten. Volgens het personeelsregelingenboek telt de uitzendperiode (bij [werknemer] van 1 december 2000 tot en met 31 mei 2001) voorafgaand aan het eerste [werkgever] dienstverband immers niet mee voor bepaling van het jubileum.
5.2.
[werknemer] beroept zich echter op de inhoud van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, de wijze waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen en de mededelingen die [directeur HR] voor het tekenen van de vaststellingsovereenkomst over het dienstjubileum heeft gedaan.
Inhoud van de vaststellingsovereenkomst
5.3.
Voor de beoordeling is in de eerste plaats van belang dat [werknemer] bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is bijgestaan door een gemachtigde, die ook voor haar heeft onderhandeld. Ten aanzien van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst overweegt de kantonrechter dat in de vaststellingsovereenkomst niets is vermeld over (financiële) aanspraken in verband met een 25-jarig dienstjubileum.
[werknemer] stelt in dit kader dat dit niet noodzakelijk was, omdat uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat zij op 1 december 2000 in dienst is getreden bij [werkgever]
en in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat zij tot de beëindigingsdatum (15 december 2025) alle arbeidsvoorwaarden behoudt. De kantonrechter overweegt dat uit de letterlijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst niet volgt dat [werknemer] 25 jaar bij [werkgever] in dienst was en zij op grond hiervan aanspraak kan maken op de faciliteiten behorend bij dit dienstjubileum. In de aanhef van de vaststellingsovereenkomst is alleen vermeld dat [werknemer] sinds 1 december 2000 werkzaam is bij [werkgever]. Werkzaam bij betekent niet dat [werknemer] vanaf die datum ook feitelijk bij [werkgever] in dienst was. Eerst per 1 juni 2001 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden.
5.4.
Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het echter niet alleen om de taalkundige betekenis van de bewoordingen die bij het maken van de afspraken zijn gebruikt, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en om hetgeen ze dienaangaande over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex norm).
5.5.
Of [werknemer] alsnog aanspraak heeft op de dienstgratificatie hangt af van de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en de uitlatingen die partijen voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gedaan.
Partijbedoeling bij tekenen vaststellingsovereenkomst
5.6.
Partijen zijn in een eerdere conceptovereenkomst uitgegaan van een beëindigingsdatum van 1 december 2025. (De gemachtigde van) [werknemer] heeft hierop per e-mail van 8 juli 2025 aan [werkgever] verzocht de beëindigingsdatum op 1 januari 2026 te bepalen.
5.7.
Voor zover [werknemer] stelt dat de aanpassing van de beëindigingsdatum is gevolgd naar aanleiding van een tussen partijen op 11 juli 2025 plaatsgevonden Teams-meeting, waarbij [directeur HR] aan haar en haar gemachtigde heeft medegedeeld de datum aan te passen, zodat zij op een waardige manier afscheid van het team kon nemen, overweegt de kantonrechter dat [werknemer] dit eerst ter zitting naar voren heeft gebracht en [werkgever] deze mededeling uitdrukkelijk heeft betwist.
5.8.
De kantonrechter is, los van de vraag of de [directeur HR] deze mededeling aan [werknemer] heeft gedaan -waarvoor nadere bewijslevering noodzakelijk is-, van oordeel dat [werknemer] gezien de inhoud van haar verzoek en de daarop volgende wijziging van de beëindigingsdatum door [werkgever] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat 1 december 2000 als basis geldt voor het bepalen van het dienstjubileum en zij op grond van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst in aanmerking zou komen voor de jubileumgratificatie.
5.9. (
De gemachtigde van) [werknemer] heeft in reactie op de eerste concept vaststellingsovereenkomst per e-mail van 8 juli 2025 -voor zover van belang- het volgende aan [werkgever] bericht: “Artikel 1
In artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst is een ontslagdatum van 1 december 2025 voorgesteld. Dit is vijf maanden na de datum waartegen na ons gesprek op 5 juni jongsteleden kon worden opgezegd (namelijk 1 juli 2025). Toevalligerwijs is dat ook exact de datum waarop mevrouw [werknemer] haar 25-jarig jubileum heeft. Het is voor een secretaresse die al jaren dit soort jubilea regelt buitengewoon zuur dat zij haar jubileum op een dag misloopt.
Bovendien bieden de faciliteiten die gepaard gaan met een dergelijk jubileum haar de mogelijkheid om op gepaste wijze afscheid te nemen van collega’s met wie zij jarenlang prettig heeft samengewerkt (onderstreping kantonrechter). Een termijn van zes maanden ligt in de rede. Wellicht heeft termijn van zes maanden bedoeld en bent u daarbij per abuis uitgegaan van de datum van 1 juni 2025. Hoe het ook zij, mevrouw [werknemer] verzoekt u om een termijn van zes maanden na 1 juli 2025 te hanteren en de ontslagdatum te bepalen op 1 januari 2026.”.
5.10.
Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [werkgever] gelegen om op dat moment, althans vóór het tekenen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk aan (de gemachtigde van) [werknemer] kenbaar te maken dat ook bij een beëindigingsdatum van 15 december 2025 geen sprake is van een 25-jarig dienstjubileum en [werknemer] dan ook geen aanspraak kon maken op de faciliteiten behorend bij dit jubileum. Het door [werkgever] gevoerde verweer dat de aanspraak op het dienstjubileum niet tijdens de onderhandelingen is benoemd gaat gelet op de in rechtsonderdeel 5.9. genoemde bewoordingen van de (gemachtigde van) [werknemer] in zoverre ook niet op.
5.11.
Voor zover [directeur HR] bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst er ook abusievelijk vanuit is gegaan dat er voor einde dienstverband sprake is van een 25-jarig dienstjubileum, en in die zin van wederzijdse dwaling sprake is, overweegt de kantonrechter dat dit voor rekening en risico van [werkgever] komt. De (maatschappelijke) positie van partijen die in het kader van toetsing conform Haviltex mede van invloed kan zijn brengt met zich mee dat de onderzoeksplicht en informatieplicht van de werkgever in dit geval zwaarder weegt. Van [werkgever], meer in het bijzonder de director Human Resources, mag worden verwacht dat zij van de juistheid van de regeling op de hoogte is en (de gemachtigde van) [werknemer] -[werkgever] hierover ook juist informeert.
Voor zover [werkgever] stelt dat [werknemer] zelf met de regeling bekend was, althans behoorde te zijn, omdat zij zich in het kader van haar werkzaamheden bezighield met de jubileumactiviteiten overweegt de kantonrechter als volgt.
[werknemer] heeft ter zitting verklaard en door [werkgever] is ook niet weersproken dat zij ( [werknemer] ) zich alleen bezig hield met de organisatie van de jubileumvieringen en zij in het kader van haar werkzaamheden niet op de hoogte was van de in het Personeelsregelingenboek opgenomen jubileumregeling. Van een kennisvoorsprong aan de zijde van [werknemer] is dan ook niet gebleken.
Jubileumgratificatie
5.12.
De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst met zich meebrengt dat [werknemer] , ondanks dat dit afwijkt met de bij [werkgever] geldende regeling, bij einde dienstverband recht heeft op de jubileumgratificatie van € 3.019,10 bruto.
5.13.
Het beroep van [werkgever] op de in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijtingsregeling gaat gelet op de in artikel 1 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepaling dat [werknemer] tot de beëindigingsdatum (15 december 2025) recht heeft op alle arbeidsvoorwaarden, en de hiervoor genoemde uitleg van deze bepaling, in zoverre ook niet op. Het door [werknemer] gevorderde bedrag van
€ 3.019,10 bruto is dan ook toewijsbaar. De medegevorderde wettelijke rente over dit bedrag is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar.
Tegemoetkoming in het de kosten van een jubileumviering en vergoeding nader uit te zoeken cadeau
5.14.
De door [werknemer] gevorderde bedragen in verband met kosten jubileumviering (€ 500,- bruto) en vergoeding van een nader uit te kiezen cadeau (€ 350,- bruto) zijn niet toewijsbaar, nu [werkgever] onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld dat [werknemer] hier op grond van artikel 1.10.2 en artikel 1.10.4 van het personeelsregelingenboek geen aanspraak op kan maken, omdat [werknemer] geen kosten van een jubileumviering heeft gemaakt en het jubileumcadeau niet in geld kan worden uitgekeerd.
Proceskosten
5.15.
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,02
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.037,52
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 3.019,10 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 15 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.037,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158; Haviltex