Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9129

2026-09-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht BRE 24/1397
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 24/1397
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wajong. Ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.523 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 24/1397 Wajong



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen




[bewindvoerder]
, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [eiser], uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),



en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

(UWV; kantoor Breda), verweerder
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).





Inleiding


1. Eiser, geboren op [geboortedag] 1987, (18e verjaardag = [geboortedag] 2005), heeft in 2009 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wajong. Met een besluit van 23 december 2009 is de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij vanaf zijn 17e jaar niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.



1.1.
Op 17 mei 2011 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met een besluit van 29 juni 2011 heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 23 december 2009. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 7 december 2011 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.



1.2.
Op 14 juli 2022 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met het besluit van 6 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 23 december 2009. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



1.3.
Met het besluit van 22 december 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, [persoon 1] (ambulant begeleider van eiser), [persoon 2] (ambulant begeleider van eiser) en namens het UWV mr. M.B.A. van Grinsven.


1.7.
De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 11 december 2025 heropend. Daarbij is het UWV verzocht te reageren op een aantal vragen van de rechtbank. Het UWV heeft op 12 januari 2026 schriftelijk gereageerd. Eiser heeft bij brief van 12 maart 2026 een reactie ingezonden. Het UWV heeft hierop met een brief van 13 april 2026 gereageerd.



1.8.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 13 augustus 2026 het onderzoek gesloten.




Standpunten van partijen



Bestreden besluit


2. Het UWV heeft in het bestreden besluit overwogen dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden. De door eiser aangeleverde stukken zijn reeds meegewogen in voorgaande beslissingen, danwel zien niet op de situatie in 2009. Ook is geen nadere informatie aangeleverd waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van een toename van beperkingen door dezelfde klachten binnen vijf jaar.



Standpunt eiser


3. Eiser stelt in beroep dat hij niet in staat is om deel te nemen aan enige vorm van een arbeidsproces. Hij heeft tijdens zijn opvoeding diverse trauma’s opgelopen en is al vanaf zijn jeugd in beeld bij verschillende instanties. Zijn opvoeding heeft hem geen goede basis gegeven om zichzelf te ontwikkelen. Mede daardoor is hij in een internaat opgegroeid. Eiser stelt dat hij de prikkels die bij een arbeidsproces komen kijken niet aankan. Volgens eiser zijn een psychologisch onderzoek van januari 2010 en een psychologisch advies aan de gemeente Hulst van juli 2011 aan te merken als nieuwe feiten. Verder voert eiser aan dat het UWV de aanvraag niet uitsluitend had mogen beoordelen in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar tevens had moeten beoordelen of hij aanspraak heeft op een Wajong-uitkering naar de huidige stand van zaken. Eiser stelt dat het UWV had moeten beoordelen of hij op grond van artikel 1a:1 van de Wajong beschikt over arbeidsvermogen. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen.



Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het bestreden besluit niet is aangegeven op welke bepalingen van de Wajong het besluit is gebaseerd. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Reeds hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Met een brief van 12 januari 2026 heeft het UWV aangegeven dat het bestreden besluit over de boeg van artikel 4:6 van de Awb is gebaseerd op hoofdstuk 3 van de Wajong en op artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Daarbij is een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van 6 januari 2026 overgelegd. De rechtbank zal bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.




Terugkomen voor het verleden en de toekomst



4.1.

De aanvraag van eiser van 14 juli 2022 betreft een verzoek om terug te komen op het besluit van 23 december 2009. Als het bestuursorgaan, zoals hier het geval is, toepassing geeft aan artikel 4:6 van de Awb moet de bestuursrechter toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn (zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:222).
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd (zie uitspraak van de CRvB van 21 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1767).




4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met de in beroep ingediende rapportages van 19 april 2024 en 6 januari 2026 afdoende toegelicht dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat voor het verleden teruggekomen moet worden van het besluit van 23 december 2009. De rechtbank voegt hieraan toe dat het onderzoek van januari 2010 en het advies van juli 2011, waarnaar eiser in het bijzonder heeft verwezen, niet zien op de situatie van eiser op 17/18-jarige leeftijd. Nu de voorhanden zijnde medische informatie geen aanleiding geeft om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van december 2009 voor onjuist te houden, heeft het UWV terecht geen aanleiding gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 23 december 2009.



De regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid en de mogelijkheid om binnen vijf jaar alsnog aangemerkt te worden als jonggehandicapte




4.3.
Nu eiser zijn eerste aanvraag voor een Wajong-uitkering vóór 1 januari 2010 heeft gedaan, volgt uit artikel 3:6 van de Wajong dat artikel 3:21, eerste lid en onder b, van de Wajong op appellant van toepassing is gebleven. Eiser voldoet niet aan de in dat artikel neergelegde voorwaarde dat de wachttijd is vervuld. Nu deze voorwaarde onder de Wajong 2015 niet langer wordt gesteld in de in artikel 1a:1, tweede lid, opgenomen mogelijkheid om binnen vijf jaar alsnog aangemerkt te worden als jonggehandicapte, is er sprake van een relevante wijziging van het recht en dient de aanvraag in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tevens te worden aangemerkt als een onder de Wajong 2015 gedane aanvraag om toepassing van artikel 1a:1, tweede lid (zie de uitspraak van de CRvB van 10 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:527). Het UWV kan echter, mede gelet op de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 6 januari 2026, worden gevolgd in het standpunt dat van een relevante wijziging in de beperkingen van eiser in de vijf jaren na zijn achttiende verjaardag niet is gebleken en er om die reden geen aanleiding is artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong in het geval van eiser van toepassing te achten.



4.4.
Omdat de rechtbank niet twijfelt over de medische beoordeling door het UWV zal de rechtbank geen deskundige benoemen.




Conclusie


5. Gelet op het vorenstaande is eiser terecht niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering. De rechtbank zal dan ook met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.



5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 51,-- vergoedt. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- onder een wegingsfactor 1).




Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 17 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.