Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8981

2026-09-15 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 24/8240
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 24/8240
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026092801; NLF 2026/2005; V-N Vandaag 2026/1990

Inhoudsindicatie

Forensenbelasting.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.847 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 24/8240


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 september 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 december 2024.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar mr. B. de Smit deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.




Feiten


2. Belanghebbende was in 2023 mede-eigenaar van de woning aan [adres] in de gemeente Kapelle.



2.1.
Belanghebbende had in het belastingjaar 2023 zijn hoofdverblijf in de gemeente Borsele.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2023 heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.



3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag forensenbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Motivering



Beschikbaar houden van de woning




4. Op basis van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Van die bevoegdheid heeft de raad van de gemeente Kapelle gebruik gemaakt door een soortgelijke bepaling op te nemen in artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting Kapelle 2023 (de Verordening).



4.1.
Er mag enkel geen aanslag in de forensenbelasting worden opgelegd aan een eigenaar die zijn woning (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur, (a) indien die eigenaar in het geheel geen gebruik maakte van zijn woning, althans geen ander gebruik dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, ofwel (b) ingeval de woning ook in enige mate door die eigenaar zelf werd gebruikt, anders dan nodig was om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, indien de som van het aantal dagen van eigen gebruik en van het aantal dagen waarop de woning niet werd gebruikt, maar waarop deze moet worden geacht door die eigenaar beschikbaar te zijn gehouden voor zich of zijn gezin, niet meer dan negentig is.



4.2.
Volgens vaste rechtspraak moet worden aangenomen dat, indien een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten.



4.3.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld dat sprake is van twee gezinnen die eigenaar zijn van de woning, namelijk het gezin van belanghebbende en het gezin van de zoon van belanghebbende. De berekening van het aantal dagen waarop de woning tot de eigenaar van de woning beschikbaar stond, moet daarom per gezin worden berekend.



4.4.
Belanghebbende stelt dat de woning hem niet voor ten minste 90 dagen per jaar ter beschikking stond, omdat mondeling tussen de eigenaren is afgesproken dat geen enkele eigenaar de woning ter beschikking heeft voor eigen gebruik en de woning het gehele jaar wordt verhuurd aan toeristen. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een bepaalde tijd geen beschikking had over de woning. Verder verklaart de heffingsambtenaar dat voor de woning weliswaar voor 212 overnachtingen een aanslag toeristenbelasting is opgelegd, maar dat dit niets zegt over het aantal dagen waarop de woning beschikbaar was, omdat meerdere personen tegelijk kunnen overnachten in de woning.



4.5.
De rechtbank overweegt dat er mondelinge afspraken gemaakt kunnen worden over het gebruik van de woning, maar dat deze afspraken aannemelijk moeten worden gemaakt, nu deze afspraken worden betwist door de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft de mondelinge afspraken niet nader onderbouwd. Bovendien is de latere verklaring over de mondelinge afspraken tegenstrijdig met de stelling over het gebruik van de woning in het beroepschrift, waarin staat dat de eigenaren beschikking hebben over het huis als de woning niet is verhuurd. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de mondelinge afspraken niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de woning aan ieder gezin voor de helft van de tijd ter beschikking stond als de woning niet werd verhuurd.



4.6.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning voor 212 nachten verhuurd was en daarom voor die periode niet tot zijn beschikking stond. Toeristenbelasting wordt per persoon per nacht geheven en de heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat meerdere personen tegelijk in de woning kunnen overnachten. De verwijzing naar het aantal overnachtingen voor de toeristenbelasting is daarom onvoldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende en zijn gezin de woning niet meer dan 90 dagen ter beschikking had, aangezien daaruit niet volgt op hoeveel dagen de woning was verhuurd.



Samenloop toeristenbelasting en forensenbelasting





4.7.
Belanghebbende voert nog aan dat de woning wordt verhuurd aan toeristen waarvoor toeristenbelasting wordt geïnd en dat gelijktijdige heffing van toeristenbelasting en forensenbelasting voor dezelfde woning niet is toegestaan. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat de forensenbelasting en toeristenbelasting elk een eigen grondslag in de Gemeentewet hebben en verschillende belastbare feiten betreffen. Er wordt geen toeristenbelasting geheven voor degene die verblijf houdt in de woning, indien die persoon reeds forensenbelasting is verschuldigd voor dat verblijf.



4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Zowel de toeristenbelasting als de forensenbelasting wordt geheven van personen die niet hun hoofdverblijf hebben binnen de gemeente, maar daar wel verblijven of kunnen verblijven gedurende een bepaalde tijd. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat een heffingsambtenaar van een gemeente ten aanzien van dezelfde verblijfslocatie zowel forensenbelasting als toeristenbelasting heft. De enige voorwaarde is dat in elk van beide gevallen wordt voldaan aan de omschrijving van het belastbare feit volgens de wet en de toepasselijke Verordening. Dit kan onder omstandigheden slechts anders zijn, als het belastbare feit voor beide belastingen exact hetzelfde feitencomplex zou zijn, terwijl er bovendien van dezelfde persoon zou worden geheven. Dan zou er immers dubbele heffing ontstaan. Dat is hier niet het geval, te meer niet nu de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting gemeente Kapelle 2023 in artikel 4, derde lid, een anticumulatiebepaling bevat voor wat betreft het verblijf van belanghebbende en zijn gezin. Deze beroepsgrond van belanghebbende slaagt daarom niet.



Leeftijdsdiscriminatie





4.9.
Belanghebbende stelt dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie, aangezien de aanslag forensenbelasting wordt opgelegd aan de oudste eigenaar van de woning. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de aanslag forensenbelasting wordt opgelegd op basis van een aanwijsregel van de gemeente aan de oudste eigenaar van de woning.



4.10.
In artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat, indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen kan worden gesteld. De rechtbank stelt voorop dat het bepaalde in artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet de heffingsambtenaar in beginsel aldus de bevoegdheid verschaft om in een geval als deze de aanslag op te leggen aan één van de gebruikers van de onroerende zaak.



4.11.

Bij het ten name van een van de gebruikers stellen van een aanslag mag niet naar willekeur worden gehandeld. Voor onder meer deze situatie heeft de gemeente op 13 september 2013 de Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige/WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie Sabewa Zeeland 2014 vastgesteld. In Hoofdstuk 1 van de beleidsregel is de voorkeursvolgorde bepaald voor het ten name stellen van een aanslag indien met betrekking tot onder meer de forensenbelasting voor een bepaalde onroerende zaak meerdere potentiële belastingplichtigen zijn, waarbij de volgorde moet worden aangehouden zoals die in het Hoofdstuk zijn opgenomen. In sub 2. van dit Hoofdstuk is ten aanzien van het opleggen van de aanslag het volgende bepaald:
“2. Voor de belastingen die worden geheven van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van:



2.1

als er binnen één categorie genothebbenden meerdere personen zijn die volgens de beschikbare gegevens binnen het grondgebied van de deelnemers aan Sabewa Zeeland (hierna: grondgebied) wonen of gevestigd zijn:


2.1.1

degene die voor het betreffende belastingobject als gebruiker wordt aangemerkt (op grond van de onderdelen 3 of 4);



2.1.2

degene die het grootste aandeel in het genotsrecht heeft;



2.1.3

een natuurlijk persoon boven een niet-natuurlijk persoon;



2.1.4

de oudste in leeftijd;



2.1.5

degene die bij Sabewa Zeeland als genothebbende of gebruiker bekend is;



2.1.6


de eerstgerechtigde in de volgorde die door het kadaster wordt aangehouden.


(…)”





4.12.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004 overweegt de rechtbank dat het maken van onderscheid op grond van leeftijd in strijd kan zijn met onder meer artikel 1 van de Grondwet. Onderzocht moet worden of voor de ongelijke behandeling, die uit het maken van onderscheid op grond van leeftijd voortvloeit, een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. Bij de beantwoording van die vraag, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat het bij het maken van onderscheid naar leeftijd niet gaat om een bij voorbaat verdacht onderscheid zoals bijvoorbeeld op grond van ras en geslacht, moet worden beoordeeld of voor het gemaakte onderscheid een legitiem doel bestaat (legitimiteit), of het onderscheid voor het bereiken van dit doel passend is (doelmatigheid) en of het geboden is (proportionaliteit).



4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat het legitieme doel hierin, dat de heffingsambtenaar voor de aanwijzing van de belastingplichtige in zijn beleidsregel een keuze heeft moeten maken, nu de wetgever voor de vraag wie van de gebruikers in een geval als deze daadwerkelijk in de heffing moeten worden betrokken, geen (nadere) aanknopingspunten heeft geboden. Verder is het gemaakte onderscheid naar leeftijd passend, omdat dit aan de orde komt als andere criteria geen uitkomst bieden. Ten slotte is het onderscheid proportioneel, omdat degene die als belastingplichtige wordt aangemerkt als gevolg van de verhaalsmogelijkheid van artikel 253, derde lid, van de Gemeentewet in beginsel geen nadeel ondervindt.



4.14.
Van ongeoorloofde discriminatie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.



4.15.
Van willekeur is evenmin sprake, nu de heffingsambtenaar in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld door de aanslag aan belanghebbende als oudste gebruiker in leeftijd op te leggen, te meer nu niet is gebleken dat er een belastingplichtige is die volgens de volgorde van de Beleidsregel eerder aan de beurt zou zijn dan belanghebbende. Deze beroepsgrond van belanghebbende slaagt daarom ook niet.



Overschrijding van de redelijke termijn





4.16.
Belanghebbende heeft in beroep geklaagd over de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank begrijpt deze klacht als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.



4.17.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 29 november 2023. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 10 maanden.



4.18.
Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad wordt, in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden - behoudens bijzondere omstandigheden - verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Een bijzondere omstandigheid is het geval dat het financiële belang van belanghebbende bij de procedure lager dan € 1.000 is en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Aangezien het financiële belang bij deze procedure niet hoger is dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan een jaar is overschreden, kent de rechtbank daarom geen vergoeding van immateriële schade toe, maar volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



4.19.
Belanghebbende heeft in de beroepsprocedure ook een ‘Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ ingediend vanwege de lange duur van de beroepsprocedure. Het formulier ziet op de dwangsomregeling zoals opgenomen in paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. De dwangsomregeling is enkel van toepassing op beslissingen die door een bestuursorgaan moeten worden genomen. Op beslissingen van de rechtbank is de dwangsomregeling niet van toepassing. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom daarom af.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag forensenbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De verzoeken om vergoeding van immateriële schade en de toekenning van een dwangsom worden afgewezen.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade en de toekenning van een dwangsom af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.




Zie Hoge Raad 22 december 2006, ECLI:HR:NL:2006:AZ4972.


Zie Hoge Raad 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1657.


Vgl. Hoge Raad 4 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4081, BNB 1989/253.


ECLI:NL:HR:2004:AP0424.


Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.