Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8921

2026-09-14 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 26/211
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/211
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1954

Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing, rioolheffing, gelijkheidsbeginsel, ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.193 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Belastingrecht



zaaknummer: BRE 26/211


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende


en




de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag gecombineerde heffingen voor het jaar 2025. Belanghebbende is het niet eens met de daarop vermelde afvalstoffenheffing en rioolheffing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanslag gecombineerde heffingen met betrekking tot de afvalstoffenheffing en rioolheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag gecombineerde heffingen met betrekking tot de afvalstoffenheffing en rioolheffing terecht is opgelegd. Dit betekent dat de aanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag gecombineerde heffingen (hierna: de aanslag) voor het jaar 2025 opgelegd.



2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 december 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.



2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenote, [persoon 1] en de zoon van belanghebbende, [persoon 2] , en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .





Feiten


3. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak: [adres] , te [plaats] . Het betreft een mantelzorgwoning gelegen op het erf van zijn zoon.



3.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het belastingjaar 2025 in verband met zijn bewoning van de mantelzorgwoning (onder meer) de volgende heffingen opgelegd:


aanslag afvalstoffenheffing van € 213,00;


aanslag rioolheffing gebruiker woning € 288,00.





3.2.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.




Beoordeling door de rechtbank


4. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de afvalstoffenheffing en de rioolheffing terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht.




Vooraf: onroerende zaak




4.1.
Voor beide in geschil zijnde heffingen is relevant of sprake is van een onroerende zaak, omdat die kwalificatie bepalend is voor de definitie 'perceel' in beide Verordeningen.



4.2.
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat de mantelzorgwoning één bouwlaag heeft. De mantelzorgwoning beschikt over een keuken, badkamer en een woonruimte. Belanghebbende geeft hierbij aan dat de mantelzorgwoning in feite kan worden vergeleken met een appartement.



Afvalstoffenheffing





4.3.
Belanghebbende voert aan dat de grondslag voor het heffen van afvalstoffenheffing ontbreekt. Belanghebbende is niet in het bezit van een afvalcontainer. Het feit dat de ophaaldienst langs rijdt voor het legen van afvalcontainers maakt dat niet anders, aldus belanghebbende.



4.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de mantelzorgwoning kwalificeert als een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van afvalstoffen bestaat. De woning van belanghebbende is volgens de heffingsambtenaar geschikt voor het voeren van een reguliere huishouding waar geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan. Dat belanghebbende niet beschikt over eigen afvalbakken en afval levert via de afvalcontainers van zijn zoon doet aan de belastingplicht niets af, aldus de heffingsambtenaar.



4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de afvalstoffenheffing is in artikel 15.33, lid 1, Wet milieubeheer bepaald:


“1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. (…)”




4.6.
Deze bevoegdheid moet vervolgens door de gemeentelijke wetgever worden uitgewerkt in een gemeentelijke Verordening. In de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2025 van de gemeente Oosterhout (hierna: Verordening afvalstoffenheffing) is bepaald:



“Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit




1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. (…)




Artikel 3 Belastingplicht




De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.”




4.7.
In deze Verordening is geen definitie gegeven van wat onder een perceel moet worden verstaan. De Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch hebben ‘perceel’ op de volgende manier ingevuld:


"een woonruimte waarin een belanghebbende naar het spraakgebruik een particuliere huishouding voert en de woonruimte blijkens inrichting en indeling is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen ontstaan."




4.8.
De beschrijving die belanghebbende heeft gegeven van de kenmerken van de mantelzorgwoning sluit aan bij de definitie die door de Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is gegeven. De inrichting en het gebruik van de mantelzorgwoning maken dat sprake is van een ‘perceel’. De gemeente heeft ook feitelijk een afvalstoffenophaaldienst, dat is niet in geschil. Dat leidt tot de conclusie dat de gemeente bevoegd is om ten aanzien daarvan afvalstoffenheffing te heffen.



4.9.
De omstandigheid dat belanghebbende geen eigen afvalcontainer heeft, maar gebruik maakt van de afvalcontainer die behoort bij het huis van zijn zoon, maakt het voorgaande niet anders. Het type huishouden dat belanghebbende voert in het type woning dat belanghebbende bewoont en de omstandigheid dat als gevolg daarvan afvalstoffen ontstaan, doet de belastingplicht ontstaan. Het gezamenlijk gebruik van de afvalcontainer is daarbij niet van belang. De heffing van afvalstoffenheffing is daarom terecht.




Rioolheffing





4.10.
Belanghebbende voert aan dat de grondslag voor het heffen van rioolheffing ontbreekt. Hij voert daarbij aan dat het hemelwater rechtstreeks op eigen sloot wordt geloosd, waardoor feitelijk van het riool geen gebruik wordt gemaakt.



4.11.
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende gebruiker is van een onroerende zaak en daarmee belastingplichtig is voor de rioolheffing. Het hemelwater wordt volgens de heffingsambtenaar uitgezonderd voor de rioolheffing. Belanghebbende is over het hemelwater geen rioolheffing verschuldigd. Echter is in het geval van belanghebbende wel rioolheffing verschuldigd over het afvalwater dat via de riolering van de zoon wordt afgevoerd.



4.12.
Ten aanzien van de rioolheffing is in artikel 228a Gemeentewet bepaald:


“1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater.
b. de inzameling afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”



4.13.
Deze bevoegdheid moet vervolgens door de gemeentelijke wetgever worden uitgewerkt in een gemeentelijke Verordening. In de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025 van de gemeente Oosterhout is bepaald:



“Art. 3, eerste lid


1. De belasting als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven van:


de gebruiker van een perceel van waaruit water, niet zijnde hemelwater, direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel


degene die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel.





Art. 4


1. Voorwerp van de belasting is een perceel.
2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. De onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. (…)”



4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de mantelzorgwoning kan worden aangemerkt als een perceel in de zin van art. 4 van de Verordening, omdat de woning een eigen WOZ-beschikking heeft en hiermee kan worden aangemerkt als een onroerende zaak.



4.15.
Voorzover belanghebbende aanvoert dat hij geen rioolheffing hoeft te voldoen, omdat er sprake is van hemelwater, houdt deze beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank geen stand. Het hemelwater is niet van belang voor de rioolheffing, omdat het is uitgezonderd in de Verordening: ‘niet zijnde hemelwater’. Belanghebbende heeft tijdens de zitting aangegeven dat de mantelzorgwoning is aangesloten op het riool via de riolering van zijn zoon. Ook dan is sprake van het gebruik van het riool, omdat deze aansluiting kwalificeert als ‘indirect’. De heffing van rioolheffing is daarom terecht.



Gelijkheidsbeginsel





4.16.
Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn situatie nog het meest te vergelijken is met een huishouden van 5 personen, waarvoor één keer geheven wordt. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. De Verordeningen kunnen artikel 1 van de Grondwet worden getoetst. Daarbij heeft te gelden dat artikel 1 van de Grondwet niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die gevallen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met een regulier huishouden van 5 personen dat met elkaar onder één dak leeft. Immers, er zijn feitelijk twee woningen in gebruik.



4.17.
Ook is van belang dat de gemeentelijke wetgever een zekere mate van vrijheid heeft bij de uitwerking van de regelgeving in de Verordeningen. De rechtbank stelt voorop dat de Gemeentewet aan gemeenten de ruimte biedt om gemeentelijke heffingen, zoals de afvalstoffenheffing en rioolheffing, met enige ruwheid vorm te geven. De vrijheid betreft onder andere het bepalen van de belastingplichtige, de heffingsgrondslag en de heffingsmaatstaf. Het betoog van belanghebbende behelst dat voor mantelzorgwoningen het leerstuk van het ‘perceel’ zou moeten worden doorbroken, danwel dat voor mantelzorgwoningen een uitzondering of vrijstelling zou moeten worden gecreëerd. Daar heeft de gemeentelijke wetgever (althans voor het onderhavige jaar) niet voor gekozen. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente daarmee binnen de haar door de wetgever verleende bevoegdheid is gebleven bij de inrichting van de Verordeningen afvalstoffen- en rioolheffing.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.














griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Hoge Raad 10 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:1773 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3038.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1149.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3038.


Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495.