Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8918
2026-08-26
Civiel recht
11793551 \ CV EXPL 25-2356 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Processueel ondeelbare verhouding. Herberekening legitieme portie. Waardering van woning in nalatenschap. Aanspraak van erfgenamen op som ineens (art. 4:36 BW).
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:411 Hoge Raad 10-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2023:1190 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.219 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11793551 \ CV EXPL 25-2356
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Y.J. Snoep,
tegen
[gedaagde]
,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] ,
te [plaats 2] ,gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.M. Boiten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2025, met producties 1 t/m 18,- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 6,- de brieven waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overleggen producties van [eiseres] , met producties 19 t/m 22,- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen van mr. Snoep en van mr. Boiten.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op [datum] 2024 is [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster) overleden. Zij had samen met [erflater] (vooroverleden op 15 november 2022, hierna: erflater) vijf kinderen. Bij testamenten van 29 november 2007 en 30 juni 2015 hebben zij over hun nalatenschappen beschikt. Drie van de vijf kinderen zijn tot erfgenaam benoemd. De wettelijke verdeling is daarbij van toepassing verklaard. [eiseres] is niet tot erfgenaam benoemd. Erflaatster heeft [gedaagde] benoemd tot executeur. Blijkens de verklaring van erfrecht heeft [gedaagde] deze benoeming aanvaard.
2.2.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoorde onder andere de woning aan het [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning). De woning is op 25 oktober 2024 verkocht voor € 624.000,-. De woning is geleverd op 31 december 2024.
2.3.
[eiseres] heeft begin november 2024 via de notaris aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.
2.4.
Met de brief van 5 februari 2025 hebben de erfgenamen aan de notaris een berekening van de legitieme portie van [eiseres] toegezonden. De legitieme portie is aan [eiseres] betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 22.500,-, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] is het niet eens met de berekening van de legitieme portie. De woning was volgens [eiseres] € 800.000,- waard en is dus voor een te laag bedrag verkocht. Daarnaast is onterecht € 15.000,- op de legitimaire massa in mindering gebracht, doordat de erfgenamen geen recht hebben op een som ineens. Verder zijn giften van in totaal € 30.000,- niet in de berekening van de legitimaire massa meegenomen. De legitimaire massa had in totaal € 225.000,- hoger moeten zijn. Omdat erflaatster vijf kinderen had, maakt [eiseres] aanspraak op 1/10e deel van de vermeerdering van de legitimaire massa.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Zij betwist dat de woning voor een te laag bedrag is verkocht. De woning is tweemaal getaxeerd. De verkoopsom wijkt niet substantieel af van de taxatiewaardes. De erfgenamen hebben terecht aanspraak gemaakt op een som ineens. Uit coulance is de som ineens verminderd tot € 15.000,-. [gedaagde] erkent dat erflaatster € 30.000,- heeft geschonken, maar deze giften waren gebruikelijk en niet bovenmatig en daarom niet in de legitimaire massa opgenomen. [gedaagde] betwist dat sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat [gedaagde] haar taken als executeur nog niet heeft volbracht. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] in de hoedanigheid van executeur de erfgenamen (zijzelf en twee van haar zussen) in en buiten rechte vertegenwoordigt.
processueel ondeelbare verhouding
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat sprake is van een processueel ondeelbare verhouding, omdat de andere legitimaris (zijnde een zus van partijen die niet in deze procedure is betrokken) gebonden is aan deze uitspraak als de legitieme portie van [eiseres] wordt vastgesteld en deze zus niet in deze procedure is opgeroepen.
4.3.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap in beginsel een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). De vordering van [eiseres] strekt echter tot betaling van het (door haar gestelde) resterende deel van haar legitieme portie. Als gevolg van de erfstelling van drie van de vijf kinderen, is [eiseres] impliciet onterfd. Zij is geen erfgenaam en daarom ook geen deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster. In haar hoedanigheid van legitimaris heeft zij slechts een vordering op de nalatenschap. Die vordering is deelbaar, in de zin dat de erfgenamen aansprakelijk zijn naar evenredigheid van hun erfdeel. De aard en inhoud van de rechtsverhouding vereisen dan ook niet toe dat alle erfgenamen of legitimarissen in het geding worden opgeroepen (zie ook conclusie van A-G P. Vlas, ECLI:NL:PHR:2023:1190, nr. 3.3). De kantonrechter zal daarom geen gelegenheid bieden aan [gedaagde] om de ontbrekende legitimaris als partij in het geding op te roepen.
waarde woning
4.4.
Volgens [eiseres] was de woning op het moment van overlijden van erflaatster € 800.000,- waard, terwijl de woning is verkocht voor € 624.000,-. De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar standpunt en wel om het volgende.
4.5.
Anders dan door [eiseres] gesteld, heeft [gedaagde] voorafgaand aan de verkoop van de woning op 25 oktober 2024 wél advies ingewonnen. Dit blijkt uit de door haar overgelegde e-mail van 7 oktober 2024 van een makelaar, waarin staat dat een opbrengst van € 625.000,- realistisch is. Daarnaast is ook het taxatierapport van [taxatiebureau] overgelegd. In dit rapport is opgenomen dat de woning is geïnspecteerd op 22 oktober 2024, het rapport zelf dateert van 25 oktober 2024. [taxatiebureau] heeft de woning per 22 oktober 2024 gewaardeerd op € 630.000,-.
4.6.
Dat de hiervoor genoemde waardes voor de woning redelijk zijn, volgt ook uit het rapport van 21 maart 2025 van de Taxatiemeester. In dat rapport is de waarde van de woning per 15 november 2022 bepaald op € 590.000,- en per 21 maart 2025 bepaald op € 575.000,-.
4.7.
Hoewel [eiseres] een onderbouwing heeft gegeven voor waarom zij meent dat de woning aanzienlijk meer waard zou zijn, valt niet in te zien waarom aan de deskundigheid van een makelaar en twee onafhankelijke taxateurs zou moeten worden getwijfeld, temeer nu de rapporten van de taxateurs mede gebaseerd zijn op referentietransacties. Weliswaar heeft [eiseres] in haar onderbouwing ook gerefereerd aan recente transacties, maar zij is daarbij alleen uitgegaan van de prijs per vierkante meter grond en bouwkosten. De waarde van een woning wordt echter niet alleen maar gebaseerd op de uitkomst van het aantal vierkante meters grond keer de (mogelijke) prijs van bouwgrond, plus het aantal vierkante bouwoppervlak keer de mogelijke bouwprijs van een woning. Terecht hebben de taxateurs ook gekeken naar onder meer de staat van het onderhoud, afwerking, ouderdom en indeling. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij ook met deze omstandigheden rekening heeft gehouden. Om die reden hecht de kantonrechter weinig waarde aan de berekening van [eiseres] .
4.8.
Gelet op het voornoemde is de kantonrechter van oordeel dat de verkoopprijs van de woning reëel is en dat de woning niet voor een te laag bedrag in de nalatenschap van erflaatster is opgenomen. Dat houdt in dat de gestelde meerwaarde van de woning niet wordt meegenomen in de berekening van de legitieme portie.
som ineens
4.9.
[gedaagde] heeft namens de erfgenamen aanspraak gemaakt op een som ineens, zoals bedoeld in artikel 4:36 BW. De erfgenamen hebben naar hun zeggen arbeid verricht in het huishouden van erflater en erflaatster.
4.10.
Los van de vraag of de aanspraak tijdig is en of er tijdig een rechtsvordering is ingesteld, is niet althans onvoldoende gebleken dat sprake is van een verlies van verdiencapaciteit. [eiseres] heeft betwist dat [gedaagde] (en/of de andere twee erfgenamen) inkomensverlies heeft (hebben) geleden doordat zij in het huishouden arbeid moest(en) verrichten. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen dat geen inkomen opgebouwd kon worden als gevolg van de verrichte arbeid in het huishouden van erflater en erflaatster. Nu zij dat heeft nagelaten, dient bij de berekening van de vordering van [eiseres] met € 15.000,- extra rekening te worden gehouden. Dit bedrag was immers eerder onterecht in mindering is gebracht op de legitimaire massa.
schenkingen
4.11.
Anders dan door [gedaagde] aangevoerd, dienen de giften van in totaal € 30.000,- wél te worden meegenomen in de berekening van de legitimaire massa. De kantonrechter oordeelt dat deze schenkingen van tweemaal € 5.000,- aan de drie erfgenamen niet gebruikelijk waren en dat deze bovenmatig zijn. Daarnaast is sprake van benadeling van de legitimarissen. De kantonrechter weegt daarbij ook mee dat de erfgenamen zelf in eerste instantie ook van mening waren dat met deze schenkingen bij de berekening van de legitimaire massa rekening moest worden gehouden, gelet op de berekening die zij met de brief van 5 februari 2025 aan de notaris hebben gezonden.
legitieme portie
4.12.
Gelet op het voorgaande dient de legitimaire massa van de nalatenschap van erflaatster met in totaal € 45.000,- te worden vermeerderd. Dat houdt in dat [eiseres] conform haar (1/10e) breukdeel aanspraak kan maken op betaling van € 4.500,-. De kantonrechter zal daarom dit bedrag toewijzen.
rente
4.13.
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Het eerdere deel van de legitieme portie is op 31 maart 2025 uitbetaald. Niet is gebleken dat [eiseres] eerder dan met de brief van 18 april 2025 van mr. Snoep aanspraak heeft gemaakt op het meerdere, zodat [gedaagde] niet eerder dan 3 mei 2025 in verzuim is komen te verkeren met de uitbetaling van het restant van de legitieme portie. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente over het restant toewijzen vanaf 3 mei 2025.
buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat buitengerechtelijke handelingen zijn verricht, welke voor vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de toewijsbare hoofdsom van € 4.500,-. Daarom zal een bedrag van € 575,- als vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
persoonlijke aansprakelijkheid
4.15.
[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is, omdat de nalatenschap mogelijk al verdeeld is onder de erfgenamen en de nalatenschap de legitieme porties niet zou kunnen voldoen. [gedaagde] zou daardoor onrechtmatig hebben gehandeld.
4.16.
De kantonrechter zal de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] afwijzen. [gedaagde] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat de nalatenschap al is verdeeld. [eiseres] heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Niet is dan ook komen vast te staan dat de nalatenschap al is verdeeld.
proceskosten
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
uitvoerbaar bij voorraad
4.18.
[eiseres] heeft verzocht om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De belangen van partijen afwegend zal de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Als één van de partijen hoger beroep instelt tegen dit vonnis, dan schorst het hoger beroep niet de eventuele tenuitvoerlegging van het vonnis.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] in de hoedanigheid van executeur om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.075,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.500,-, met ingang van 3 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11793551 \ CV EXPL 25-2356
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Y.J. Snoep,
tegen
[gedaagde]
,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] ,
te [plaats 2] ,gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.M. Boiten.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2025, met producties 1 t/m 18,- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 6,- de brieven waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overleggen producties van [eiseres] , met producties 19 t/m 22,- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen van mr. Snoep en van mr. Boiten.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Op [datum] 2024 is [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster) overleden. Zij had samen met [erflater] (vooroverleden op 15 november 2022, hierna: erflater) vijf kinderen. Bij testamenten van 29 november 2007 en 30 juni 2015 hebben zij over hun nalatenschappen beschikt. Drie van de vijf kinderen zijn tot erfgenaam benoemd. De wettelijke verdeling is daarbij van toepassing verklaard. [eiseres] is niet tot erfgenaam benoemd. Erflaatster heeft [gedaagde] benoemd tot executeur. Blijkens de verklaring van erfrecht heeft [gedaagde] deze benoeming aanvaard.
2.2.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoorde onder andere de woning aan het [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning). De woning is op 25 oktober 2024 verkocht voor € 624.000,-. De woning is geleverd op 31 december 2024.
2.3.
[eiseres] heeft begin november 2024 via de notaris aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.
2.4.
Met de brief van 5 februari 2025 hebben de erfgenamen aan de notaris een berekening van de legitieme portie van [eiseres] toegezonden. De legitieme portie is aan [eiseres] betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 22.500,-, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] is het niet eens met de berekening van de legitieme portie. De woning was volgens [eiseres] € 800.000,- waard en is dus voor een te laag bedrag verkocht. Daarnaast is onterecht € 15.000,- op de legitimaire massa in mindering gebracht, doordat de erfgenamen geen recht hebben op een som ineens. Verder zijn giften van in totaal € 30.000,- niet in de berekening van de legitimaire massa meegenomen. De legitimaire massa had in totaal € 225.000,- hoger moeten zijn. Omdat erflaatster vijf kinderen had, maakt [eiseres] aanspraak op 1/10e deel van de vermeerdering van de legitimaire massa.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Zij betwist dat de woning voor een te laag bedrag is verkocht. De woning is tweemaal getaxeerd. De verkoopsom wijkt niet substantieel af van de taxatiewaardes. De erfgenamen hebben terecht aanspraak gemaakt op een som ineens. Uit coulance is de som ineens verminderd tot € 15.000,-. [gedaagde] erkent dat erflaatster € 30.000,- heeft geschonken, maar deze giften waren gebruikelijk en niet bovenmatig en daarom niet in de legitimaire massa opgenomen. [gedaagde] betwist dat sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Niet in geschil is dat [gedaagde] haar taken als executeur nog niet heeft volbracht. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] in de hoedanigheid van executeur de erfgenamen (zijzelf en twee van haar zussen) in en buiten rechte vertegenwoordigt.
processueel ondeelbare verhouding
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangevoerd dat sprake is van een processueel ondeelbare verhouding, omdat de andere legitimaris (zijnde een zus van partijen die niet in deze procedure is betrokken) gebonden is aan deze uitspraak als de legitieme portie van [eiseres] wordt vastgesteld en deze zus niet in deze procedure is opgeroepen.
4.3.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap in beginsel een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). De vordering van [eiseres] strekt echter tot betaling van het (door haar gestelde) resterende deel van haar legitieme portie. Als gevolg van de erfstelling van drie van de vijf kinderen, is [eiseres] impliciet onterfd. Zij is geen erfgenaam en daarom ook geen deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster. In haar hoedanigheid van legitimaris heeft zij slechts een vordering op de nalatenschap. Die vordering is deelbaar, in de zin dat de erfgenamen aansprakelijk zijn naar evenredigheid van hun erfdeel. De aard en inhoud van de rechtsverhouding vereisen dan ook niet toe dat alle erfgenamen of legitimarissen in het geding worden opgeroepen (zie ook conclusie van A-G P. Vlas, ECLI:NL:PHR:2023:1190, nr. 3.3). De kantonrechter zal daarom geen gelegenheid bieden aan [gedaagde] om de ontbrekende legitimaris als partij in het geding op te roepen.
waarde woning
4.4.
Volgens [eiseres] was de woning op het moment van overlijden van erflaatster € 800.000,- waard, terwijl de woning is verkocht voor € 624.000,-. De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar standpunt en wel om het volgende.
4.5.
Anders dan door [eiseres] gesteld, heeft [gedaagde] voorafgaand aan de verkoop van de woning op 25 oktober 2024 wél advies ingewonnen. Dit blijkt uit de door haar overgelegde e-mail van 7 oktober 2024 van een makelaar, waarin staat dat een opbrengst van € 625.000,- realistisch is. Daarnaast is ook het taxatierapport van [taxatiebureau] overgelegd. In dit rapport is opgenomen dat de woning is geïnspecteerd op 22 oktober 2024, het rapport zelf dateert van 25 oktober 2024. [taxatiebureau] heeft de woning per 22 oktober 2024 gewaardeerd op € 630.000,-.
4.6.
Dat de hiervoor genoemde waardes voor de woning redelijk zijn, volgt ook uit het rapport van 21 maart 2025 van de Taxatiemeester. In dat rapport is de waarde van de woning per 15 november 2022 bepaald op € 590.000,- en per 21 maart 2025 bepaald op € 575.000,-.
4.7.
Hoewel [eiseres] een onderbouwing heeft gegeven voor waarom zij meent dat de woning aanzienlijk meer waard zou zijn, valt niet in te zien waarom aan de deskundigheid van een makelaar en twee onafhankelijke taxateurs zou moeten worden getwijfeld, temeer nu de rapporten van de taxateurs mede gebaseerd zijn op referentietransacties. Weliswaar heeft [eiseres] in haar onderbouwing ook gerefereerd aan recente transacties, maar zij is daarbij alleen uitgegaan van de prijs per vierkante meter grond en bouwkosten. De waarde van een woning wordt echter niet alleen maar gebaseerd op de uitkomst van het aantal vierkante meters grond keer de (mogelijke) prijs van bouwgrond, plus het aantal vierkante bouwoppervlak keer de mogelijke bouwprijs van een woning. Terecht hebben de taxateurs ook gekeken naar onder meer de staat van het onderhoud, afwerking, ouderdom en indeling. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij ook met deze omstandigheden rekening heeft gehouden. Om die reden hecht de kantonrechter weinig waarde aan de berekening van [eiseres] .
4.8.
Gelet op het voornoemde is de kantonrechter van oordeel dat de verkoopprijs van de woning reëel is en dat de woning niet voor een te laag bedrag in de nalatenschap van erflaatster is opgenomen. Dat houdt in dat de gestelde meerwaarde van de woning niet wordt meegenomen in de berekening van de legitieme portie.
som ineens
4.9.
[gedaagde] heeft namens de erfgenamen aanspraak gemaakt op een som ineens, zoals bedoeld in artikel 4:36 BW. De erfgenamen hebben naar hun zeggen arbeid verricht in het huishouden van erflater en erflaatster.
4.10.
Los van de vraag of de aanspraak tijdig is en of er tijdig een rechtsvordering is ingesteld, is niet althans onvoldoende gebleken dat sprake is van een verlies van verdiencapaciteit. [eiseres] heeft betwist dat [gedaagde] (en/of de andere twee erfgenamen) inkomensverlies heeft (hebben) geleden doordat zij in het huishouden arbeid moest(en) verrichten. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen dat geen inkomen opgebouwd kon worden als gevolg van de verrichte arbeid in het huishouden van erflater en erflaatster. Nu zij dat heeft nagelaten, dient bij de berekening van de vordering van [eiseres] met € 15.000,- extra rekening te worden gehouden. Dit bedrag was immers eerder onterecht in mindering is gebracht op de legitimaire massa.
schenkingen
4.11.
Anders dan door [gedaagde] aangevoerd, dienen de giften van in totaal € 30.000,- wél te worden meegenomen in de berekening van de legitimaire massa. De kantonrechter oordeelt dat deze schenkingen van tweemaal € 5.000,- aan de drie erfgenamen niet gebruikelijk waren en dat deze bovenmatig zijn. Daarnaast is sprake van benadeling van de legitimarissen. De kantonrechter weegt daarbij ook mee dat de erfgenamen zelf in eerste instantie ook van mening waren dat met deze schenkingen bij de berekening van de legitimaire massa rekening moest worden gehouden, gelet op de berekening die zij met de brief van 5 februari 2025 aan de notaris hebben gezonden.
legitieme portie
4.12.
Gelet op het voorgaande dient de legitimaire massa van de nalatenschap van erflaatster met in totaal € 45.000,- te worden vermeerderd. Dat houdt in dat [eiseres] conform haar (1/10e) breukdeel aanspraak kan maken op betaling van € 4.500,-. De kantonrechter zal daarom dit bedrag toewijzen.
rente
4.13.
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. Het eerdere deel van de legitieme portie is op 31 maart 2025 uitbetaald. Niet is gebleken dat [eiseres] eerder dan met de brief van 18 april 2025 van mr. Snoep aanspraak heeft gemaakt op het meerdere, zodat [gedaagde] niet eerder dan 3 mei 2025 in verzuim is komen te verkeren met de uitbetaling van het restant van de legitieme portie. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente over het restant toewijzen vanaf 3 mei 2025.
buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat buitengerechtelijke handelingen zijn verricht, welke voor vergoeding in aanmerking komen. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de toewijsbare hoofdsom van € 4.500,-. Daarom zal een bedrag van € 575,- als vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
persoonlijke aansprakelijkheid
4.15.
[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is, omdat de nalatenschap mogelijk al verdeeld is onder de erfgenamen en de nalatenschap de legitieme porties niet zou kunnen voldoen. [gedaagde] zou daardoor onrechtmatig hebben gehandeld.
4.16.
De kantonrechter zal de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] afwijzen. [gedaagde] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat de nalatenschap al is verdeeld. [eiseres] heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Niet is dan ook komen vast te staan dat de nalatenschap al is verdeeld.
proceskosten
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
uitvoerbaar bij voorraad
4.18.
[eiseres] heeft verzocht om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De belangen van partijen afwegend zal de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Als één van de partijen hoger beroep instelt tegen dit vonnis, dan schorst het hoger beroep niet de eventuele tenuitvoerlegging van het vonnis.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] in de hoedanigheid van executeur om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.075,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.500,-, met ingang van 3 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.