Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8913

2026-09-14 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/3721
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/3721
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting, beroep is ongegrond, geen parkeerbelasting betaald

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.260 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Belastingrecht



zaaknummer: BRE 25/3721


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbende niet slagen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.



2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



2.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 31 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.






Feiten


3. Op 14 juli 2025 omstreeks 10:11 uur stond de auto van belanghebbende, met [kenteken], geparkeerd aan de [straat] te Tilburg.



3.1.
Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat voor het parkeren geen parkeerbelasting is voldaan. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 49,93, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag.




Beoordeling door de rechtbank


4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat de aanwezige betaalautomaten defect waren, waardoor geen parkeerbelasting kon worden voldaan. Belanghebbende heeft – naar eigen zeggen – telefonisch contact opgenomen met een storingsmedewerker. Belanghebbende herinnert zich dat naar eigen zeggen nog, omdat de medewerker een slagboom heeft geopend om te kunnen uitrijden.



4.1.
De heffingsambtenaar betwist dat er op de betreffende dag een storing is geweest bij de parkeerautomaten in de buurt. Ten aanzien van het gestelde contact met een storingsmedewerker stelt de heffingsambtenaar dat dat nergens uit blijkt. Daarnaast had belanghebbende volgens de heffingsambtenaar de parkeerbelasting op een andere wijze kunnen voldoen.



4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 14 juli 2025 geparkeerd stond aan de [straat] te Tilburg. De [straat] is door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.



4.3.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende – tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar – niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een storing noch dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met het storingsnummer. De rechtbank merkt daarbij op dat de [straat] een openbare weg is waar geen slagbomen aanwezig zijn. De herinnering die belanghebbende te berde brengt, past dus niet bij het straatbeeld ter plaatse. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, de rechtbank niet overtuigd van zijn verhaal (in meer formele woorden: niet aannemelijk gemaakt).



4.4.
Ook al zou de rechtbank wel aannemen dat de parkeerautomaat aan de [straat] defect was, zoals belanghebbende stelt, dan nog ontslaat deze omstandigheid belanghebbende niet van zijn betalingsverplichting. Belanghebbende had, zoals de heffingsambtenaar ook aanvoert, de verschuldigde parkeerbelasting op een andere wijze kunnen voldoen, bijvoorbeeld door betaling via een daarvoor bestemde telefoonapplicatie, door contante betaling of door betaling per pinpas bij een ander parkeerautomaat. Ook had belanghebbende ervoor kunnen kiezen de auto op een andere plek te parkeren. De gevolgen van de keuze van belanghebbende om de verschuldigde parkeerbelasting in het geheel niet te voldoen, dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van belanghebbende te blijven.



4.5.
Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat belanghebbende de intentie heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen, kan dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. De rechtbank overweegt dat de parkeerbelasting geen boete is. Het is een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of intentie geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of belanghebbende al dan niet bewust te weinig parkeerbelasting heeft voldaan.



4.6.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag parkeerbelasting naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.



5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Op grond van artikel 2, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 (de Verordening) en artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit Betaald parkeren 2024-3.


Zie het arrest van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7509.


Zie ook Hoge Raad, 25 oktober 2024, te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2024:1535.