Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8912
2026-09-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 26/3092
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting, beroep is ongegrond, onjuiste parkeerzone
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3026 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-08-2022
- ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209 Gerechtshof 's-Gravenhage 06-07-2010
- ECLI:NL:HR:2024:1535 Hoge Raad 25-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.250 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/3092
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbende niet slagen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Aldaar is niemand verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 27 augustus 2026 afgemeld voor de zitting. Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.
2.4.
Gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 augustus 2026 met adressering [postbus] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 7 augustus 2026 is afgehaald bij een PostNL-punt en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Gelet op het voorgaande heeft de zitting plaatsgevonden zonder aanwezigheid van partijen.
Feiten
3. Op 5 februari 2026 omstreeks 9:13 uur stond de auto van belanghebbende, met [kenteken] , geparkeerd aan de Markendaalseweg te Breda. Het betreffende parkeervak valt onder parkeerzone 21883.
3.1.
Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat voor het parkeren geen parkeerbelasting is voldaan in die parkeerzone.
3.2.
Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,10, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 2,70 en € 57,40 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3.3.
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 5 februari 2026 geparkeerd stond aan de Markendaalseweg te Breda. De Markendaalseweg is door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf: motiveringsbeginsel
4. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar zijn beslissing heeft gebaseerd op ongedocumenteerde, algemeen geformuleerde standaardteksten.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de motivering van de heffingsambtenaar niet uitblinkt in nauwgezetheid ten aanzien van de specifieke omstandigheden van deze zaak. Maar de motivering bevat wel de elementen die maken dat naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daar komt bij dat een eventuele schending van het motiveringsbeginsel niet maakt dat de rechtmatigheid van de beschikking (in dit geval de naheffingsaanslag) wordt aangetast. Het kan hoogstens grond zijn voor de vergoeding van griffierecht en/of gemaakte proceskosten. Daarvoor bestaat in dit geval geen aanleiding. De motivering is summier, maar zakt niet door de ondergrens die de wetgever daar aan stelt.
Is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?
4.2.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat zijn vrouw de feitelijk bestuurder was op het moment van parkeren. Verder voert belanghebbende aan dat wel degelijk parkeerbelasting is voldaan.
4.3.
De heffingsambtenaar betwist de stelling van belanghebbende en stelt dat belanghebbende zich in de verkeerde parkeerzone (21930) heeft aangemeld, waardoor geen parkeerbelasting is voldaan in de juiste parkeerzone (21883).
4.4.
Op grond van artikel 225 lid 3 Gemeentewet wordt de parkeerbelasting geheven van degene die de auto heeft geparkeerd. Uit artikel 225 lid 5 Gemeentewet volgt vervolgens dat, zolang de parkeerbelasting niet is voldaan, de houder van de auto wordt aangemerkt als degene die de auto heeft geparkeerd. De houder van de auto is degene op wiens naam de auto op dat moment in het kentekenregister staat ingeschreven. De auto stond volgens de heffingsambtenaar op het moment van parkeren op naam van belanghebbende. Artikel 3 van de Verordening bevat een soortgelijke bepaling.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar, bij gebrek aan informatie over de bestuurders van auto's, geen andere mogelijkheid heeft dan de naheffingsaanslag op te leggen aan de kentekenhouder. Dat is ook de wettelijke basis, volgens artikel 225 van de Gemeentewet. De stelling van belanghebbende dat zijn echtgenote de feitelijk bestuurder was op het moment van parkeren, heeft geen gevolgen voor de handelwijze van de heffingsambtenaar. Het heeft slechts tot gevolg dat de echtgenote, evenals belanghebbende, in bezwaar en in beroep kan komen tegen deze naheffingsaanslag. Oftewel: het beperkt niet de mogelijkheden tot het opleggen van de naheffingsaanslag, zoals belanghebbende bepleit, maar het breidt de kring van belanghebbenden uit. In dit geval heeft belanghebbende als kentekenhouder bezwaar en beroep ingesteld. Dat is toegestaan. De rol van de echtgenote is vervolgens niet meer relevant.
4.6.
Over de betaalde parkeerbelasting overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak blijkt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van het, op de parkeerlocatie van toepassing zijnde, parkeerregime. Deze onderzoeksplicht is ook van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van een parkeerapp. Belanghebbende kiest er immers zelf voor om de parkeerbelasting te voldoen via de parkeerapp. Het foutief invoeren van de parkeerzone of de onjuiste parkeerzone aanklikken in de parkeerapp komt daarom voor rekening en risico van belanghebbende zelf.
4.7.
Hoewel er geen twijfel bestaat over het feit dat belanghebbende de intentie heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen, kan dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. De parkeerbelasting is geen boete. Het is een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of intentie geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of belanghebbende al dan niet bewust te weinig parkeerbelasting heeft voldaan. Vast staat dat belanghebbende niet het juiste bedrag aan parkeerbelasting heeft voldaan (als gevolg van het hanteren van een onjuiste zonecode). Daarmee zijn niet alle verplichtingen op grond van artikel 225 van de Gemeentewet vervuld. Dat heeft tot gevolg dat de heffingsambtenaar bevoegd is om voor het parkeren in zone 21883 de verschuldigde belasting na te heffen. Voor het verrekenen van betaalde belasting biedt artikel 225 van de Gemeentewet geen ruimte. Of dat redelijk is, is een vraag die de rechter niet kan beantwoorden. De rechter moet volgens de wet recht spreken. Hij mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.
4.8.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag parkeerbelasting naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2026 (de Verordening) en artikel 1 Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2025.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 31 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3026.
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 6 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209.
Hoge Raad, 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.
Artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/3092
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van belanghebbende niet slagen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Aldaar is niemand verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 27 augustus 2026 afgemeld voor de zitting. Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.
2.4.
Gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 6 augustus 2026 met adressering [postbus] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 7 augustus 2026 is afgehaald bij een PostNL-punt en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Gelet op het voorgaande heeft de zitting plaatsgevonden zonder aanwezigheid van partijen.
Feiten
3. Op 5 februari 2026 omstreeks 9:13 uur stond de auto van belanghebbende, met [kenteken] , geparkeerd aan de Markendaalseweg te Breda. Het betreffende parkeervak valt onder parkeerzone 21883.
3.1.
Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat voor het parkeren geen parkeerbelasting is voldaan in die parkeerzone.
3.2.
Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,10, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 2,70 en € 57,40 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3.3.
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 5 februari 2026 geparkeerd stond aan de Markendaalseweg te Breda. De Markendaalseweg is door het college van burgemeesters en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf: motiveringsbeginsel
4. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar zijn beslissing heeft gebaseerd op ongedocumenteerde, algemeen geformuleerde standaardteksten.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de motivering van de heffingsambtenaar niet uitblinkt in nauwgezetheid ten aanzien van de specifieke omstandigheden van deze zaak. Maar de motivering bevat wel de elementen die maken dat naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daar komt bij dat een eventuele schending van het motiveringsbeginsel niet maakt dat de rechtmatigheid van de beschikking (in dit geval de naheffingsaanslag) wordt aangetast. Het kan hoogstens grond zijn voor de vergoeding van griffierecht en/of gemaakte proceskosten. Daarvoor bestaat in dit geval geen aanleiding. De motivering is summier, maar zakt niet door de ondergrens die de wetgever daar aan stelt.
Is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?
4.2.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe voert belanghebbende aan dat zijn vrouw de feitelijk bestuurder was op het moment van parkeren. Verder voert belanghebbende aan dat wel degelijk parkeerbelasting is voldaan.
4.3.
De heffingsambtenaar betwist de stelling van belanghebbende en stelt dat belanghebbende zich in de verkeerde parkeerzone (21930) heeft aangemeld, waardoor geen parkeerbelasting is voldaan in de juiste parkeerzone (21883).
4.4.
Op grond van artikel 225 lid 3 Gemeentewet wordt de parkeerbelasting geheven van degene die de auto heeft geparkeerd. Uit artikel 225 lid 5 Gemeentewet volgt vervolgens dat, zolang de parkeerbelasting niet is voldaan, de houder van de auto wordt aangemerkt als degene die de auto heeft geparkeerd. De houder van de auto is degene op wiens naam de auto op dat moment in het kentekenregister staat ingeschreven. De auto stond volgens de heffingsambtenaar op het moment van parkeren op naam van belanghebbende. Artikel 3 van de Verordening bevat een soortgelijke bepaling.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar, bij gebrek aan informatie over de bestuurders van auto's, geen andere mogelijkheid heeft dan de naheffingsaanslag op te leggen aan de kentekenhouder. Dat is ook de wettelijke basis, volgens artikel 225 van de Gemeentewet. De stelling van belanghebbende dat zijn echtgenote de feitelijk bestuurder was op het moment van parkeren, heeft geen gevolgen voor de handelwijze van de heffingsambtenaar. Het heeft slechts tot gevolg dat de echtgenote, evenals belanghebbende, in bezwaar en in beroep kan komen tegen deze naheffingsaanslag. Oftewel: het beperkt niet de mogelijkheden tot het opleggen van de naheffingsaanslag, zoals belanghebbende bepleit, maar het breidt de kring van belanghebbenden uit. In dit geval heeft belanghebbende als kentekenhouder bezwaar en beroep ingesteld. Dat is toegestaan. De rol van de echtgenote is vervolgens niet meer relevant.
4.6.
Over de betaalde parkeerbelasting overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak blijkt dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zichzelf op de hoogte stelt van het, op de parkeerlocatie van toepassing zijnde, parkeerregime. Deze onderzoeksplicht is ook van toepassing indien gebruik wordt gemaakt van een parkeerapp. Belanghebbende kiest er immers zelf voor om de parkeerbelasting te voldoen via de parkeerapp. Het foutief invoeren van de parkeerzone of de onjuiste parkeerzone aanklikken in de parkeerapp komt daarom voor rekening en risico van belanghebbende zelf.
4.7.
Hoewel er geen twijfel bestaat over het feit dat belanghebbende de intentie heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen, kan dit niet tot vernietiging van de naheffingsaanslag leiden. De parkeerbelasting is geen boete. Het is een objectieve belasting, waarbij opzet, schuld of intentie geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of belanghebbende al dan niet bewust te weinig parkeerbelasting heeft voldaan. Vast staat dat belanghebbende niet het juiste bedrag aan parkeerbelasting heeft voldaan (als gevolg van het hanteren van een onjuiste zonecode). Daarmee zijn niet alle verplichtingen op grond van artikel 225 van de Gemeentewet vervuld. Dat heeft tot gevolg dat de heffingsambtenaar bevoegd is om voor het parkeren in zone 21883 de verschuldigde belasting na te heffen. Voor het verrekenen van betaalde belasting biedt artikel 225 van de Gemeentewet geen ruimte. Of dat redelijk is, is een vraag die de rechter niet kan beantwoorden. De rechter moet volgens de wet recht spreken. Hij mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.
4.8.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag parkeerbelasting naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2026 (de Verordening) en artikel 1 Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2025.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 31 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3026.
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 6 juli 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209.
Hoge Raad, 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.
Artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen.