Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8906

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12130712 \ CV EXPL 26-861 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12130712 \ CV EXPL 26-861 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

B2B. Koop van apparatuur. Koper stelt dat apparatuur niet functioneert. Partijen maken daarop nadere afspraken. Koper betaalt vervolgens niet. Verkoper schakelt een incassobureau in en maakt onder meer aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Er is echter geen sprake van verzuim want verkoper heeft koper niet in gebreke gesteld. Vordering wordt afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.068 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Bergen op Zoom



Zaaknummer: 12130712 \ CV EXPL 26-861




Vonnis van 26 augustus 2026




in de zaak van





[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J. Tukker,



tegen





[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. drs. B.J.H. van den Crommenacker.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] heeft in mei 2025 diverse gereedschappen aan [gedaagde] geleverd en gefactureerd voor een bedrag van € 74.415,00 inclusief btw.



2.2.

[gedaagde] heeft op 16 september 2025 een bedrag van € 25.000,00 betaald.



2.3.

[gedaagde] heeft op 8 oktober 2025 een bedrag van € 49.415,00 betaald.







3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.197,87 aan hoofdsom, te vermeerderen met handelsrente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2025.



3.2.

[eiser] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat zij [gedaagde] op 22 augustus 2025 om uitleg heeft gevraagd om welke reden de factuur nog niet was betaald. [gedaagde] heeft dezelfde dag geantwoord dat de machines niet naar behoren en werkend waren opgeleverd en dat er al twee maanden een vraag uitstaat inzake een afzuigunit. [eiser] heeft op 15 september 2025 zonder erkenning van aansprakelijkheid en uit coulance drie voorstellen gedaan om het gestelde probleem op te lossen. [gedaagde] heeft daarop een deelbetaling verricht, maar een reactie van [gedaagde] bleef verder uit. [eiser] heeft daarop de vordering ter incasso uit handen gegeven. Pas op 8 oktober 2025 reageerde [gedaagde] dat zij akkoord is met optie één (het leveren van een verwarmde poedertank van 150 kg onder retour van de oude met een levertijd van 10 à 12 weken) van de drie gedane voorstellen. [gedaagde] heeft daarop het resterende bedrag betaald. [eiser] heeft deze betaling op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering gebracht op de kosten, daarna op de verschenen rente en tot slot op de hoofdsom. Daardoor resteert een te betalen bedrag van € 3.197,87 aan hoofdsom.



3.3.

[gedaagde] voert verweer. Direct na levering is vastgesteld dat de geleverde installatie (lasapparatuur) niet naar behoren functioneerde en niet volledig was opgeleverd. [gedaagde] heeft gelet hierop een beroep gedaan op opschorting van (volledige) betaling. Tot en met oktober 2025 waren partijen nog in overleg over herstel en afwikkeling. [gedaagde] verkeerde daardoor ook niet in verzuim.





4De beoordeling


4.1.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet in verzuim verkeerde, omdat partijen nog in overleg waren. Dat verweer slaagt.



4.2.
Uit het interne e-mailbericht van [eiser] van 12 september 2025 verstuurd om 11.47 uur, blijkt dat [eiser] het niet eens is met de door [gedaagde] aangevoerde redenen waarvoor betaling van de factuur is opgeschort. Verder blijkt uit dit e-mailbericht dat [gedaagde] is verzocht om alvast een gedeelte van het openstaande bedrag dezelfde week over te maken. [gedaagde] heeft toegezegd € 25.000,00 te betalen. Hieruit blijkt dat partijen nadere afspraken hebben gemaakt. Welke afspraken partijen precies hebben gemaakt (en of daarbij uiterste termijnen zijn afgesproken) blijkt verder niet uit de stukken. Wel staat vast dat [eiser] vervolgens op 15 september 2025 drie voorstellen heeft gedaan om het gestelde probleem op te lossen. Kennelijk bleef daarna reactie aan de zijde van [gedaagde] uit en heeft [eiser] op 6 oktober 2025 een incassobureau ingeschakeld en aanspraak gemaakt op betaling van het resterende bedrag vermeerderd met incassokosten en rente. [eiser] had echter, gelet op de nader gemaakte afspraken, [gedaagde] eerst in gebreke dienen te stellen en haar een redelijke termijn te verlenen om betaling na te komen. Dit heeft zij niet gedaan en daardoor is [gedaagde] niet in verzuim komen te verkeren. Dat betekent dat [eiser] ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op € 3.197,87 aan buitengerechtelijke incassokosten en handelsrente. Aangezien [gedaagde] de hoofdsom reeds heeft voldaan zal de vordering worden afgewezen.





4.3.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


506,00


(2 punten × € 253,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


650,00











4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
wijst de vordering af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 650,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.