Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8895
2026-09-03
Civiel recht; Arbeidsrecht
12205877 \ AZ VERZ 26-35 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Werknemer laat niets meer van zich horen en verricht ook geen werkzaamheden meer. De werkgever heeft geprobeerd nadere afspraken te maken, maar werknemer reageert daar niet op of verschijnt niet op de afspraak. Arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verwijtbaar handelen dan wel nalaten van de werknemer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.316 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12205877 \ AZ VERZ 26-35
Beschikking van
3
september 2026
in de zaak van
[werkgever]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. Ș. Yurtkap,
tegen
[werknemer]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werknemer] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1993, is sinds 13 januari 2025 in dienst bij [werkgever] .
2.2.
[werknemer] heeft zich op 31 maart 2026 ziek gemeld bij zijn voorman.
2.3.
Op 3 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat [werknemer] na zijn niet rechtsgeldige ziekmelding onbereikbaar is en niet reageert op oproepen en berichten van [werkgever] . [werkgever] heeft [werknemer] op 1 april 2026 thuis bezocht, maar [werknemer] was niet thuis. Een huisgenoot van [werknemer] heeft toen medegedeeld dat [werknemer] zich in een zwembad bevindt. [werkgever] heeft vastgesteld dat [werknemer] de afbeelding van zijn WhatsApp-status heeft veranderd in een afbeelding waarop [werknemer] zich in een zwembad bevindt. [werknemer] heeft naderhand hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. [werkgever] verzoekt [werknemer] om 7 april 2026 te verschijnen voor een gesprek.
2.4.
[werknemer] verschijnt niet op het gesprek van 7 april 2026.
2.5.
Op 10 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat hij ondanks toezegging daartoe niet is verschenen op 7 april 2026. [werknemer] heeft evenmin een verklaring gegeven om welke reden hij afwezig is en niet op het werk verschijnt. [werknemer] is gelet hierop ongeoorloofd afwezig en om die reden wordt met ingang van 1 april 2026 de loonbetaling opgeschort. [werkgever] verzoekt [werknemer] uiterlijk 13 april 2026 contact op te nemen met [werkgever] .
2.6.
[werknemer] reageert niet op het bericht van 10 april 2026.
2.7.
Op 16 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat het loon per 1 april 2026 wordt stopgezet en dat er een procedure wordt gestart om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden. [werknemer] krijgt een laatste kans om dit te voorkomen door op 17 april 2026 op het werk te verschijnen.
3Het verzoek
3.1.
[werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden.
3.2.
[werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [werknemer] zich schuldig maakt aan herhaalde en voortdurende werkweigering. Sinds 30 maart
2026 is [werknemer] ondanks meerdere waarschuwingen niet op het werk verschenen. [werknemer] laat ook na om te reageren op verzoeken van [werkgever] . Door het handelen en het nalaten van [werknemer] is de arbeidsverhouding verstoord geraakt (g-grond). Ook is dit [werknemer] ernstig verwijtbaar (e-grond). Verder is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de d-, h- en de i-grond toewijsbaar.
4De beoordeling
4.1.
[werknemer] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet in de procedure verschenen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.5.
[werknemer] heeft sinds 30 maart 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor [werkgever] . Niet is gebleken dat [werknemer] arbeidsongeschikt is. [werkgever] heeft geprobeerd om met [werknemer] afspraken te maken, zodat [werknemer] weer werkzaamheden kan verrichten. [werknemer] werkt hier echter niet aan mee door niet te verschijnen en contact met [werkgever] af te houden. Ook een loonopschorting gevolgd door een loonstop heeft geen effect gehad. [werknemer] blijf onbereikbaar. Gelet op het voorgaande is sprake van verwijtbaar handelen dan wel nalaten aan de zijde van [werknemer] . Van [werkgever] kan daardoor in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.6.
Niet is gebleken dat een wettelijk opzegverbod van toepassing is. Ook ligt een herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet in de rede, aangezien met [werknemer] geen contact is te krijgen.
4.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 november 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 860,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2026,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 860,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 12205877 \ AZ VERZ 26-35
Beschikking van
3
september 2026
in de zaak van
[werkgever]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. Ș. Yurtkap,
tegen
[werknemer]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werknemer] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 1993, is sinds 13 januari 2025 in dienst bij [werkgever] .
2.2.
[werknemer] heeft zich op 31 maart 2026 ziek gemeld bij zijn voorman.
2.3.
Op 3 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat [werknemer] na zijn niet rechtsgeldige ziekmelding onbereikbaar is en niet reageert op oproepen en berichten van [werkgever] . [werkgever] heeft [werknemer] op 1 april 2026 thuis bezocht, maar [werknemer] was niet thuis. Een huisgenoot van [werknemer] heeft toen medegedeeld dat [werknemer] zich in een zwembad bevindt. [werkgever] heeft vastgesteld dat [werknemer] de afbeelding van zijn WhatsApp-status heeft veranderd in een afbeelding waarop [werknemer] zich in een zwembad bevindt. [werknemer] heeft naderhand hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. [werkgever] verzoekt [werknemer] om 7 april 2026 te verschijnen voor een gesprek.
2.4.
[werknemer] verschijnt niet op het gesprek van 7 april 2026.
2.5.
Op 10 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat hij ondanks toezegging daartoe niet is verschenen op 7 april 2026. [werknemer] heeft evenmin een verklaring gegeven om welke reden hij afwezig is en niet op het werk verschijnt. [werknemer] is gelet hierop ongeoorloofd afwezig en om die reden wordt met ingang van 1 april 2026 de loonbetaling opgeschort. [werkgever] verzoekt [werknemer] uiterlijk 13 april 2026 contact op te nemen met [werkgever] .
2.6.
[werknemer] reageert niet op het bericht van 10 april 2026.
2.7.
Op 16 april 2026 bericht [werkgever] onder andere aan [werknemer] dat het loon per 1 april 2026 wordt stopgezet en dat er een procedure wordt gestart om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden. [werknemer] krijgt een laatste kans om dit te voorkomen door op 17 april 2026 op het werk te verschijnen.
3Het verzoek
3.1.
[werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden.
3.2.
[werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [werknemer] zich schuldig maakt aan herhaalde en voortdurende werkweigering. Sinds 30 maart
2026 is [werknemer] ondanks meerdere waarschuwingen niet op het werk verschenen. [werknemer] laat ook na om te reageren op verzoeken van [werkgever] . Door het handelen en het nalaten van [werknemer] is de arbeidsverhouding verstoord geraakt (g-grond). Ook is dit [werknemer] ernstig verwijtbaar (e-grond). Verder is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de d-, h- en de i-grond toewijsbaar.
4De beoordeling
4.1.
[werknemer] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet in de procedure verschenen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.5.
[werknemer] heeft sinds 30 maart 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor [werkgever] . Niet is gebleken dat [werknemer] arbeidsongeschikt is. [werkgever] heeft geprobeerd om met [werknemer] afspraken te maken, zodat [werknemer] weer werkzaamheden kan verrichten. [werknemer] werkt hier echter niet aan mee door niet te verschijnen en contact met [werkgever] af te houden. Ook een loonopschorting gevolgd door een loonstop heeft geen effect gehad. [werknemer] blijf onbereikbaar. Gelet op het voorgaande is sprake van verwijtbaar handelen dan wel nalaten aan de zijde van [werknemer] . Van [werkgever] kan daardoor in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.6.
Niet is gebleken dat een wettelijk opzegverbod van toepassing is. Ook ligt een herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet in de rede, aangezien met [werknemer] geen contact is te krijgen.
4.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 november 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 860,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2026,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 860,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.