Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8812

2026-09-11 Bestuursrecht; Omgevingsrecht BRE 24/914
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 24/914
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak | Handhavingsverzoek inzake de recreatieve verhuur van drie woningen | Besinselplicht tot handhaving | Motiveringsgebrek

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.918 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 24/914


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere (college), verweerder,



en


de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.


Als derde partij neemt aan de zaak deel: [persoon] uit [plaats 2] (eigenaar [woning 2] ),
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland).



Samenvatting


1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verzoeken van eiseres om handhavend op te treden tegen recreatieve verhuur van drie woningen in [plaats 1] : [woning] , [woning 2] en [woning 3] .



1.2.
De rechtbank heeft op 28 november 2025 in een tussenuitspraak het college de gelegenheid gegeven om een in het besluit van 20 december 2023 geconstateerd gebrek te herstellen. Dat gebrek betrof twee van de drie woningen waarop dit beroep ziet. Bij de [woning] is geen gebrek in het bestreden besluit geconstateerd. Het college heeft van deze herstelgelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college dit gebrek niet voldoende heeft hersteld. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld.



2.3.
In de tussenuitspraak van 28 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.



2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres en de derde partij hebben hierop schriftelijk gereageerd.



2.5.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.



2.6.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.




Beoordeling door de rechtbank



Tussenuitspraak




3.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Anders dan eiseres heeft verzocht, komt de rechtbank daarom niet terug op het oordeel in de tussenuitspraak over het beroep op het vertrouwensbeginsel bij het adres [woning] .



3.2.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhaving bij de adressen [woning 2] en [woning 3] onevenredig is. Bij het adres [woning 2] is de stelling van het college dat sprake is van een beperkte prioriteit en capaciteit bij handhaving onvoldoende onderbouwing om van handhaving af te zien. Ook de motivering dat het hoge prijssegment van de woning reden zou zijn om van handhaving af te zien, overtuigt de rechtbank niet.
Bij het adres [woning 3] heeft het college onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat onder ‘recreatie-woonverblijf’ ook ‘recreatieve verhuur’ moet worden verstaan. Ook het argument dat in 2001 een vergunning is verleend voor uitbreiding van de vakantiewoning, overtuigt de rechtbank niet. Gebruik als eigen vakantiewoning is, anders dan recreatieve verhuur, immers niet in strijd met het bestemmingsplan ‘Kom Domburg’ (hierna: het bestemmingsplan).




Herstelpoging van het college





4.1.
Om het gebrek te herstellen heeft het college op 6 januari 2026 een aanvullende motivering gegeven. Het college blijft bij zijn standpunt dat bij de adressen [woning 2] en [woning 3] van handhaving kan worden afgezien. Bij het adres [woning 2] overweegt het college dat deze woning in het hogere prijssegment ligt wat als gevolg heeft dat deze financieel niet bereikbaar is voor permanente bewoning dan wel gebruik als tweede woning door de lokale Domburgse bevolking. Ook zijn er geen klachten bekend bij het college en hanteert het college in afwachting van nieuw vast te stellen beleid de werkwijze dat bij tweede woningen de prioriteit qua handhaving bij nieuwe situaties binnen het werkingsgebied van de Huisvestingsverordening Tweede woningen (hierna: Huisvestingsverordening) ligt. Het college acht handhaving bij het adres [woning 2] op dit moment onevenredig en voorbarig.



4.2.
Bij het adres [woning 3] blijft het college bij zijn standpunt dat op grond van de brief van 15 november 2015 sprake is van een ontheffing van de Gebruiksverordening gebouwen van de voormalige gemeente Domburg uit 1985 (hierna: Gebruiksverordening). In de Gebruiksverordening bestond geen scherp onderscheid tussen recreatie-woonverblijf en recreatieve verhuur. Het was de algemene tendens dat tweede woningen ook recreatief verhuurd mochten worden. Ook zijn er geen klachten over overlast bekend bij het college en hanteert het college in afwachting van nieuw vast te stellen beleid de werkwijze dat bij tweede woningen de prioriteit qua handhaving bij nieuwe situaties binnen het werkingsgebied van de Huisvestingsverordening ligt. Het college acht handhaving bij het adres [woning 3] op dit moment onevenredig en voorbarig.



Zienswijzen eiseres en derde partij




5. Eiseres heeft met een brief van 16 januari 2026 op de herstelpoging gereageerd. Eiseres blijft bij haar standpunt dat het college er niet in is geslaagd om deugdelijk te motiveren waarom het bij de adressen [woning 2] en [woning 3] onevenredig is om handhavend op te treden. De derde partij schaart zich achter de motivering van het college.




Heeft het college het gebrek hersteld?





6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de herstelpoging het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek bij zowel [woning 3] als [woning 2] niet heeft hersteld. Het college heeft met de herstelpoging immers in feite slechts herhaald wat zij in het bestreden besluit al heeft overwogen. De rechtbank blijft daarom bij het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom van handhavend optreden wordt afgezien.



6.2.
Bij [woning 3] geldt bovendien dat de rechtbank in de tussenuitspraak al had overwogen dat voor die woning een ontheffing geldt om de woning als tweede woning/recreatie-woonverblijf te mogen gebruiken. Het college had echter niet gemotiveerd waaruit blijkt dat in de periode dat de ontheffing is verleend, onder ‘recreatie-woonverblijf’ ook ‘recreatieve verhuur’ werd verstaan, zodat handhaving onevenredig zou zijn. Een nadere onderbouwing was nodig om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen, maar hieraan heeft het college geen uitvoering gegeven.



Overschrijding van de redelijke termijn





7.1.
Eiseres en de derde partij hebben de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.



7.2.
Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Er zijn factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.



7.3.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eiseres op 3 augustus 2023 door het college is ontvangen. Gelet hierop had de rechtbank uiterlijk op 3 augustus 2025 uitspraak moeten doen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus één jaar en ruim één maand en er zijn geen omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om zowel aan eiseres als aan de derde partij € 1.500,00 schadevergoeding toe te kennen (driemaal het bedrag dat gebruikelijk wordt toegekend bij een termijnoverschrijding per zes maanden).



7.4.
De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig toegerekend aan de beroepsfase, omdat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar heeft geduurd. Daarom zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) worden veroordeeld tot betaling van de schadevergoedingen. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


8.1.
Gelet op de in de tussenuitspraak en deze uitspraak geconstateerde gebreken ten aanzien van de adressen [woning 2] en [woning 3] is het beroep gegrond en dienen het bestreden besluit en de aanvulling van 6 januari 2026 te worden vernietigd voor zover die besluiten zien op deze twee adressen.



8.2.
De rechtbank overweegt dat het college er tot driemaal toe (in de afwijzing van het verzoek, in de beslissing op het bezwaar en in de herstelpoging) niet in is geslaagd het afzien van handhaving deugdelijk te motiveren. Inmiddels zijn sinds de ingediende handhavingsverzoeken in september 2022 vier jaren verstreken. Ook wordt kennelijk al vijf jaar gewerkt aan nieuw beleid, terwijl tijdens de zitting bleek dat er nog geen concreet vooruitzicht is wanneer dat beleid er zal zijn. Gezien de beginselplicht tot handhaving bij een overtreding en omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn gebleken om van handhavend optreden af te zien, zal het college bij de adressen [woning 2] en [woning 3] over moeten gaan tot handhavend optreden tegen de recreatieve verhuur.



8.3.
De rechtbank zal het college daarom opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar die inhoudt dat handhavend wordt opgetreden tegen de recreatieve verhuur van de twee genoemde adressen. Daarbij moet het college de last(en) formuleren, begunstigingstermijn(en) opnemen en de hoogte van de dwangsom(men) bepalen. De rechtbank ziet, anders dan door eiseres is verzocht, nu geen aanleiding om aan het college een dwangsom op te leggen voor het geval zij niet binnen de genoemde termijn een nieuwe beslissing neemt.





Proceskosten


9.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie na de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).



9.2.
Als een verzoek om schadevergoeding zoals hier aan de orde wordt toegewezen, dan wordt ook een veroordeling in de daarvoor gemaakte proceskosten uitgesproken. De rechtbank veroordeelt de Staat in de hiervoor door zowel eiseres als door de derde partij gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).






Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit en de aanvulling van 6 januari 2026 voor zover deze besluiten zien op de adressen [woning 2] en [woning 3] ;


laat het bestreden besluit voor het overige in stand;


draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar, waarin met het opleggen van een last onder dwangsom wordt beslist om handhavend op te treden tegen het recreatief verhuren van de woningen op de adressen [woning 2] en [woning 3] ;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres;


veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiseres van € 1.500,-;


veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan de derde partij van € 1.500,-;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres;


veroordeelt de Staat tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan de derde partij.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 11 september 2026, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht





Artikel 8:51a


1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.

2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.




Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8386.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.