Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8796

2026-09-11 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/307
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/307
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1993

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde woning. Schending van artikel 8:42 van de Awb. Het beroep is gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.820 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/307


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van Sabewa, de heffingsambtenaar,
(gemachtigde: mr. B. de Smit).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 december 2024.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 2] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 343.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Sluis voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.




Feiten


2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.



3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de waarde van de woning te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Motivering



Schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)




4. Op grond van artikel 8:42 van de Awb dient de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan de heffingsambtenaar. Binnen deze termijn kan de heffingsambtenaar ook een verweerschrift indienen. Indien de rechter om een verweerschrift heeft verzocht, is de heffingsambtenaar gehouden binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.



4.1.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij brief van 6 februari 2025 verzocht om uiterlijk 6 maart 2025 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Bij rappelbrief van 10 maart 2025 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opnieuw verzocht om uiterlijk 7 april 2025 op het verzoek van de rechtbank te reageren. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijnen op deze verzoeken gereageerd.



4.2.

De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar op 7 oktober 2025 aan belanghebbende een compromisvoorstel heeft gedaan, waarbij een WOZ-waarde van
€ 326.000 is voorgesteld. Belanghebbende is met dit voorstel niet akkoord gegaan. De heffingsambtenaar heeft evenwel ook daarna geen verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Daarmee heeft de heffingsambtenaar niet voldaan aan de verplichting van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van artikel 8:31 van de Awb zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen.




4.3.
De rechtbank stelt vast dat het niet mogelijk is om de zaak op een juiste wijze inhoudelijk te beoordelen nu het dossier in verregaande mate incompleet is. De gevolgtrekking die de rechtbank, gelet op al deze feiten en omstandigheden geraden voorkomt is om de WOZ-waarde te verminderen zoals belanghebbende heeft betoogd.



4.4.

Belanghebbende heeft ter zitting een waarde van € 293.000 voorgesteld. De rechtbank zal de waarde van de woning gelet op het hiervoor overwogene verminderen tot
€ 293.000 naar waardepeildatum 1 januari 2023. Dit betekent dat de aanslag OZB voor het
belastingjaar 2024 dienovereenkomstig moet worden verminderd.




Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn





4.5.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure.



4.6.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 26 februari 2024. De rechtbank doet uitspraak op 11 september 2026, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond zeven maanden.



4.7.
Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad wordt, in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden - behoudens bijzondere omstandigheden - verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Een bijzondere omstandigheid is het geval dat het financiële belang van belanghebbende bij de procedure lager dan € 1.000 is en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In zo’n geval wordt aangenomen dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. Aangezien het financiële belang bij deze procedure niet hoger is dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan een jaar is overschreden, kent de rechtbank daarom geen vergoeding van immateriële schade toe, maar volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de bij beschikking vastgestelde waarde moet worden verminderd tot € 293.000. De aanslag OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.



5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat belanghebbende geen kosten heeft gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van


€ 293.000;


vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;


wijst het verzoek om immateriële schade af;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 september 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.





De rechter is buiten staat te tekenen.










griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.