Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8795
2026-09-11
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanslag forensenbelasting. Geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel of het verbod op misbruik van bevoegdheid. Het beroep is ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2025:1385 Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:HR:1989:AD5725 Hoge Raad 14-04-1989
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.245 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar,
(gemachtigde: mr. B. de Smit).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 30 november 2023 aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 2] (het object).
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Is de aanslag forensenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd?
4. Op grond van artikel 223, van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van het jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. In de Verordening forensenbelasting 2023 van de gemeente Sluis (hierna: de Verordening) is bepaald dat van deze wettelijke mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
4.1.
Vast staat dat belanghebbende in het jaar 2023 zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Sluis had. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in beginsel forensenbelasting is verschuldigd.
Evenredigheidsbeginsel
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de verdriedubbeling van het tarief van de forensenbelasting sinds 2020 niet te verenigen is met de daarvoor door de gemeente Sluis gegeven motivering dat de gemeentelijke uitgaven ten behoeve van recreatie de gezamenlijke opbrengsten uit de forensen- en toeristenbelasting overtreffen. Volgens belanghebbende komen deze uitgaven niet enkel ten goede aan toeristen en forensen, maar mede aan inwoners die hun hoofdverblijf in de gemeente Sluis hebben. Belanghebbende stelt dat de verdriedubbeling van het tarief buitenproportioneel is en dat de Verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2025 het volgende overwogen:
“5.3.1 Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.
5.3.2
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de forensenbelasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen. Het forensenbelastingtarief in de belastingjaren 2022 en 2023 bedroeg 5 promille van de heffingsmaatstaf, met een minimumbedrag van € 500 en een maximumbedrag van € 3.500. Van een verhoging van het tarief in 2023 ten opzichte van 2022 is derhalve geen sprake.
4.5.
In de onderhavige procedure ligt uitsluitend de aanslag forensenbelasting voor het belastingjaar 2023 ter beoordeling voor. Dit betekent dat de rechtbank de evenredigheid van de tariefstelling in de voor eerdere belastingjaren geldende verordeningen niet beoordeelt. En juist in de verhoging in die eerdere jaren ziet belanghebbende de strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het tarief voor 2023 ten opzichte van 2022 niet is verhoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is dat de door belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen niet zijn meegewogen voor het betreffende jaar. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Het verbod op misbruik van bevoegdheid
4.6.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar in strijd met het verbod op misbruik van bevoegdheid heeft gehandeld. Daartoe voert belanghebbende aan dat de opbrengsten uit de forensenbelasting inmiddels de daadwerkelijke gemeentelijke uitgaven ten behoeve van recreatie overtreffen. Volgens belanghebbende had het tarief van de forensenbelasting om die reden moeten worden verlaagd.
4.7.
De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Uit niets is gebleken dat de heffingsambtenaar zijn bevoegdheden heeft misbruikt door over te gaan tot heffing van forensenbelasting zoals in de Verordening van de gemeente Sluis is opgenomen.
Gelijkheidsbeginsel
4.8.
Verder betoogt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat de toeristenbelasting en de onroerendezaakbelasting in de afgelopen jaren niet op dezelfde wijze zijn verhoogd als de forensenbelasting.
4.9.
Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de Gemeentewet zelf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid de toetsing van wetten in formele zin, zoals de Gemeentewet, aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.
4.10.
Wat betreft het verschil in tariefstelling overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel allereerst vereist is dat sprake is van gelijke gevallen. De forensenbelasting, toeristenbelasting en onroerendezaakbelasting kennen ieder een eigen grondslag in de Gemeentewet en zien op verschillende belastbare feiten. Van gelijke gevallen is dus geen sprake. Dit betekent dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
4.11.
Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag forensenbelasting gehandhaafd blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 september 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat te tekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 2, eerste lid, van de Verordening is gelijkluidend aan artikel 223 van de Gemeentewet.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385.
Artikel 4, vijfde lid, van de Verordening (2022 en 2023).
Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest) en de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland, de heffingsambtenaar,
(gemachtigde: mr. B. de Smit).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 30 november 2023 aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag forensenbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 2] (het object).
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Is de aanslag forensenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd?
4. Op grond van artikel 223, van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van het jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. In de Verordening forensenbelasting 2023 van de gemeente Sluis (hierna: de Verordening) is bepaald dat van deze wettelijke mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
4.1.
Vast staat dat belanghebbende in het jaar 2023 zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Sluis had. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in beginsel forensenbelasting is verschuldigd.
Evenredigheidsbeginsel
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de verdriedubbeling van het tarief van de forensenbelasting sinds 2020 niet te verenigen is met de daarvoor door de gemeente Sluis gegeven motivering dat de gemeentelijke uitgaven ten behoeve van recreatie de gezamenlijke opbrengsten uit de forensen- en toeristenbelasting overtreffen. Volgens belanghebbende komen deze uitgaven niet enkel ten goede aan toeristen en forensen, maar mede aan inwoners die hun hoofdverblijf in de gemeente Sluis hebben. Belanghebbende stelt dat de verdriedubbeling van het tarief buitenproportioneel is en dat de Verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 september 2025 het volgende overwogen:
“5.3.1 Indien de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.
5.3.2
Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen.”
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de forensenbelasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen. Het forensenbelastingtarief in de belastingjaren 2022 en 2023 bedroeg 5 promille van de heffingsmaatstaf, met een minimumbedrag van € 500 en een maximumbedrag van € 3.500. Van een verhoging van het tarief in 2023 ten opzichte van 2022 is derhalve geen sprake.
4.5.
In de onderhavige procedure ligt uitsluitend de aanslag forensenbelasting voor het belastingjaar 2023 ter beoordeling voor. Dit betekent dat de rechtbank de evenredigheid van de tariefstelling in de voor eerdere belastingjaren geldende verordeningen niet beoordeelt. En juist in de verhoging in die eerdere jaren ziet belanghebbende de strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het tarief voor 2023 ten opzichte van 2022 niet is verhoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is dat de door belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen niet zijn meegewogen voor het betreffende jaar. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Het verbod op misbruik van bevoegdheid
4.6.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar in strijd met het verbod op misbruik van bevoegdheid heeft gehandeld. Daartoe voert belanghebbende aan dat de opbrengsten uit de forensenbelasting inmiddels de daadwerkelijke gemeentelijke uitgaven ten behoeve van recreatie overtreffen. Volgens belanghebbende had het tarief van de forensenbelasting om die reden moeten worden verlaagd.
4.7.
De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Uit niets is gebleken dat de heffingsambtenaar zijn bevoegdheden heeft misbruikt door over te gaan tot heffing van forensenbelasting zoals in de Verordening van de gemeente Sluis is opgenomen.
Gelijkheidsbeginsel
4.8.
Verder betoogt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat de toeristenbelasting en de onroerendezaakbelasting in de afgelopen jaren niet op dezelfde wijze zijn verhoogd als de forensenbelasting.
4.9.
Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de Gemeentewet zelf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. Het is vaste rechtspraak dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid de toetsing van wetten in formele zin, zoals de Gemeentewet, aan algemene rechtsbeginselen in de weg staat en dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.
4.10.
Wat betreft het verschil in tariefstelling overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel allereerst vereist is dat sprake is van gelijke gevallen. De forensenbelasting, toeristenbelasting en onroerendezaakbelasting kennen ieder een eigen grondslag in de Gemeentewet en zien op verschillende belastbare feiten. Van gelijke gevallen is dus geen sprake. Dit betekent dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
4.11.
Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag forensenbelasting gehandhaafd blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 september 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat te tekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Artikel 2, eerste lid, van de Verordening is gelijkluidend aan artikel 223 van de Gemeentewet.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385.
Artikel 4, vijfde lid, van de Verordening (2022 en 2023).
Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (het Harmonisatiewetarrest) en de uitspraak van de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.