Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8788

2026-09-10 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 21/3716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 21/3716
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1934

Inhoudsindicatie

MRB

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.300 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 21/3716


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 september 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,


en




de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 augustus 2021.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 19 juli 2018 tot en met 3 oktober 2020 van € 3.436 (de naheffingsaanslag).



1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van 100%, zijnde € 3.436 opgelegd (de boete).



1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van een toehoorder en de gemachtigde van belanghebbende en [persoon] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht opgelegd. De boete is naar het oordeel van de rechtbank te hoog en dient daarom te worden gematigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten


4. Belanghebbende is vanaf 16 maart 2018 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op een adres in Nederland.



4.1.
Op 4 oktober 2020 om 16:02 uur is belanghebbende door de politie staande gehouden op de A2 in de omgeving van Boxtel. Belanghebbende reed op dat moment in een auto met een Frans kenteken, te weten [kenteken] (de auto). Voor de auto was geen motorrijtuigenbelasting (MRB) in Nederland betaald.



4.2.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 19 oktober 2020 geïnformeerd dat het gebruik van de openbare weg in Nederland met dit motorrijtuig ook gevolgen kan hebben voor het naheffen van de eventueel verschuldigde motorrijtuigenbelasting.



4.3.
De inspecteur heeft op 10 november 2020, naar aanleiding van de in 4.1 genoemde constatering, aangekondigd de naheffingsaanslag en de verzuimboete op te zullen leggen. Belanghebbende heeft hierop gereageerd met een brief van 1 december 2020.



4.4.
Bij brief van 7 december 2020 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen om een naheffingsaanslag en een boete op te leggen en eventueel bewijsstukken in te dienen.



4.5.
Op 23 december 2020 zijn de naheffingsaanslag en de boete opgelegd.



4.6.
In de bezwaarfase heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boete ongegrond verklaard.




Motivering



Naheffingsaanslag





Wettelijk kader




4.7.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB), wordt een belasting geheven ter zake van – onder meer – het houden van een personenauto.



4.8.
Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en letter c, van de Wet MRB, wordt een motorijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Een dergelijke houder wordt ingevolge het derde lid van dat artikel, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland is ingeschreven in de BRP of verplicht was zich daartoe in te schrijven.



4.9.
Indien geconstateerd wordt dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland, terwijl voor dat motorrijtuig geen MRB is betaald, zal de inspecteur de MRB naheffen bij de houder van het motorijtuig. Voor een in het buitenland geregistreerd motorijtuig wordt als houder aangemerkt degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.



Standpunten van partijen





4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat in de onderhavige periode zijn hoofdverblijf in Frankrijk was. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende stukken overgelegd om zijn hoofdverblijf in Frankrijk te staven. Tevens heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij inderdaad in Nederland is ingeschreven op het woonadres van zijn ouders en in het weekend (vrijdagavond tot en met zondag) in Nederland is omdat belanghebbende in het weekend sport op hoog niveau. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij de auto van zijn werkgever cadeau heeft gehad en in Frankrijk een appartement huurt. Daarnaast heeft belanghebbende bevestigd dat hij in Nederland een huisarts heeft en verzekerd is voor de zorgkosten.



4.11.
De inspecteur heeft in de kern gesteld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de onderhavige periode zijn hoofdverblijf in Frankrijk had.



Beoordeling





4.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat zijn hoofdverblijf in Frankrijk was. Hoewel belanghebbende diverse stukken heeft overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat belanghebbende banden heeft met Frankrijk, heeft de rechtbank geen concrete stukken aangetroffen – zoals een huurovereenkomst voor een woning – aan de hand waarvan aannemelijk kan worden geacht dat het hoofdverblijf van belanghebbende in de betreffende periode in Frankrijk was.



4.13.
De rechtbank verwerpt ook de stelling van belanghebbende dat het Europese verdedigingsbeginsel zou zijn geschonden. Voor zover al een beroep kan worden gedaan op het Europese verdedigingsbeginsel, is van schending daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen daarvan (zie 4.2 tot en met 4.4). Nergens blijkt dat deze reactie in de vorm van een daadwerkelijk gesprek moet plaatsvinden zoals de gemachtigde betoogt. Daarnaast heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.



4.14.
Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Tegen de hoogte van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende geen beroepsgronden aangedragen. Het overige wat belanghebbende heeft aangevoerd, kan niet tot een andere conclusie leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.



Boete





4.15.
Gelet op hetgeen hierover is overwogen ten aanzien van de naheffingsaanslag (zie 4.10) is de verzuimboete terecht opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt dient oplegging van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas of een pleitbaar standpunt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.



4.16.
Belanghebbende is subsidiair van mening dat de boete gematigd dient te worden. De inspecteur heeft gesteld geen gronden te zien voor matiging van de boete.



4.17.
De rechtbank zal beoordelen of de boete in dit geval passend en geboden is. Per 1 juli 2021 is paragraaf 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 gewijzigd en is daarin bepaald dat de verzuimboete in beginsel maximaal 50% (in plaats van 100%) bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.



4.18.
De rechtbank zal de boete – in overeenstemming met het huidige beleid van de Belastingdienst – verminderen met 50% tot € 1.718. De rechtbank acht een boete van € 1.718, gelet op alle omstandigheden van het geval, in dit geval passend en geboden.



4.19.
De rechtbank ziet tevens aanleiding om de boete te matigen wegen overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (undue delay). Daarbij geldt het voornemen van de inspecteur van 10 november 2020 als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum de boete is aangekondigd en de uitspraakdatum als afloop van de redelijke termijn. De rechtbank doet uitspraak op 11 september 2026. Sinds de aankondiging van de boete zijn afgerond 71 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 47 maanden. De boete zal daarom verder worden gematigd met 20%, zijnde € 344. Dit brengt mee dat de boete verminderd wordt tot € 1.374.



Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn





4.20.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn in beginsel twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank.



4.21.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen op 14 januari 2021. De rechtbank doet uitspraak op 10 september 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 46 maanden overschreden. De vergoeding bedraagt € 500 per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 4.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maanden te lang komt € 87 (1/46e) voor de rekening van de inspecteur en de rest (€ 3.913) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep tegen de boete is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is ongegrond.



5.1.
Omdat het beroep tegen de boete gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.



5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de boete gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boete;
- wijzigt de boetebeschikking waarbij de boete nader wordt vastgesteld op € 1.374;
- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 87, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 3.913, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.



Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 10 september 2026.













griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Artikel 67c van de AWR en paragraaf 34, onderdeel twee, van het BBBB.


Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB.


Artikel 7, eerste lid aanhef en onderdeel c van de Wet MRB.


Vgl. Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.


Artikel 37 van de Wet MRB en artikel 67c van de AWR.


Hoge Raad 7 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1341.


Vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.


Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.