Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8740
2026-09-04
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/2806
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, ganzen, vergunning niet meer van kracht door nieuwe allesomvattende vergunning, geen procesbelang, beroep niet-ontvankelijk, mondelinge uitspraak
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4562 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2019:498 Raad van State 20-02-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.923 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2806
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Faunabeheereenheid Zeeland (FBE) uit Goes.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan FBE voor een flora- en fauna-activiteit, namelijk het binnen bepaalde tijden en onder bepaalde voorwaarden jagen op grauwe ganzen en brandganzen. Eiseres is het niet eens met dat besluit en heeft daartegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het procesbelang van eiseres in de loop van de beroepsprocedure is komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
3. FBE heeft op 18 september 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het mogen doden van de grauwe gans (Anser anser) en de brandgans (Branta leucopsis) vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang. Deze vergunning is aangevraagd ter verruiming van een eerder verleende vergunning van 26 december 2020.
Het college heeft met het besluit van 8 oktober 2024 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In het besluit is opgenomen dat de vergunning geldt tot en met 31 december 2026.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij zijn besluit gebleven.
4. Eiseres woont op het adres [adres] in [plaats] . Zij heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiseres heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer BRE 25/2805). Dat verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 15 juli 2025 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en [persoon] namens FBE.
5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
6. Het college heeft op 19 augustus 2026 een besluit van 16 december 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat de eerder verleende vergunning van 26 december 2020 is ingetrokken en met ingang van 1 januari 2026 is vervangen door een nieuwe omgevingsvergunning. Het college heeft toegelicht dat daardoor ook de bestreden omgevingsvergunning van 18 september 2024 niet meer van kracht is. Hoewel dat niet expliciet in het besluit van 16 december 2025 is neergelegd, vindt de rechtbank dat wel een logisch gevolg van de intrekking van de oorspronkelijke vergunning van 26 december 2020. De rechtbank gaat er dus ook van uit dat de aanvullende omgevingsvergunning van 18 september 2024 met ingang van 1 januari 2026 niet meer van kracht is.
De rechtbank dient dan te beoordelen wat eiseres nog met haar beroep kan bereiken en heeft dat op zitting met partijen besproken. Eiseres heeft op zitting op zich terecht erop gewezen dat een procesbelang nog kan bestaan als een inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij toekomstige besluiten, het zogenaamde herhalingseffect. Dat herhalingseffect is in dit geval echter niet aan de orde. De nieuwe omgevingsvergunning is namelijk gebaseerd op een nieuw faunabeheerplan: het Faunabeheerplan ganzen 2026-2031. Bovendien is het bestreden besluit een aanvullend besluit op een onherroepelijke omgevingsvergunning, en betreft het nieuwe besluit een allesomvattende vergunning. Het nieuwe besluit van 16 december 2025 heeft dus een ander karakter dan het bestreden besluit.
Dat betekent dat een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit niet of nauwelijks van betekenis kan zijn in de procedure tegen de nieuwe omgevingsvergunning of voor toekomstige besluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026 door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en wordt anoniem gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
ECLI:NL:RBZWB:2025:4562
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:498.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2806
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Faunabeheereenheid Zeeland (FBE) uit Goes.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan FBE voor een flora- en fauna-activiteit, namelijk het binnen bepaalde tijden en onder bepaalde voorwaarden jagen op grauwe ganzen en brandganzen. Eiseres is het niet eens met dat besluit en heeft daartegen beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het procesbelang van eiseres in de loop van de beroepsprocedure is komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
3. FBE heeft op 18 september 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het mogen doden van de grauwe gans (Anser anser) en de brandgans (Branta leucopsis) vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang. Deze vergunning is aangevraagd ter verruiming van een eerder verleende vergunning van 26 december 2020.
Het college heeft met het besluit van 8 oktober 2024 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In het besluit is opgenomen dat de vergunning geldt tot en met 31 december 2026.
Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij zijn besluit gebleven.
4. Eiseres woont op het adres [adres] in [plaats] . Zij heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiseres heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer BRE 25/2805). Dat verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 15 juli 2025 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en [persoon] namens FBE.
5. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
6. Het college heeft op 19 augustus 2026 een besluit van 16 december 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat de eerder verleende vergunning van 26 december 2020 is ingetrokken en met ingang van 1 januari 2026 is vervangen door een nieuwe omgevingsvergunning. Het college heeft toegelicht dat daardoor ook de bestreden omgevingsvergunning van 18 september 2024 niet meer van kracht is. Hoewel dat niet expliciet in het besluit van 16 december 2025 is neergelegd, vindt de rechtbank dat wel een logisch gevolg van de intrekking van de oorspronkelijke vergunning van 26 december 2020. De rechtbank gaat er dus ook van uit dat de aanvullende omgevingsvergunning van 18 september 2024 met ingang van 1 januari 2026 niet meer van kracht is.
De rechtbank dient dan te beoordelen wat eiseres nog met haar beroep kan bereiken en heeft dat op zitting met partijen besproken. Eiseres heeft op zitting op zich terecht erop gewezen dat een procesbelang nog kan bestaan als een inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij toekomstige besluiten, het zogenaamde herhalingseffect. Dat herhalingseffect is in dit geval echter niet aan de orde. De nieuwe omgevingsvergunning is namelijk gebaseerd op een nieuw faunabeheerplan: het Faunabeheerplan ganzen 2026-2031. Bovendien is het bestreden besluit een aanvullend besluit op een onherroepelijke omgevingsvergunning, en betreft het nieuwe besluit een allesomvattende vergunning. Het nieuwe besluit van 16 december 2025 heeft dus een ander karakter dan het bestreden besluit.
Dat betekent dat een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit niet of nauwelijks van betekenis kan zijn in de procedure tegen de nieuwe omgevingsvergunning of voor toekomstige besluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026 door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en wordt anoniem gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
ECLI:NL:RBZWB:2025:4562
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:498.