Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8725
2026-09-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/437945 / HA ZA 25-420
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Schade door heien, verplichting tot vergoeding van schade door aannemer.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2024:17 Hoge Raad 12-01-2024
- ECLI:NL:HR:2023:428 Hoge Raad 17-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.312 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/437945 / HA ZA 25-420
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1]
eiser,
advocaat mr. J.J.F. van de Voort te Scherpenzeel,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden
1De verdere procedure
1.1
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte aanvullende producties van de zijde van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026 en de daarbij overhandigde spreekaantekeningen van de zijde van partijen.
De zaak is ter zitting aangehouden in verband met het beschikbaar stellen van foto’s door [gedaagde 2] en schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben bericht dat geen schikking is tot stand gekomen en [eiser] heeft vonnis gevraagd. Een verzoek aan de zijde van [gedaagde 2] om de mondelinge behandeling voort te zetten is door de rechtbank afgewezen en er is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
[eiser] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden op het perceel van [gedaagde 1] , met veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in de proceskosten.
2.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] verweren zich tegen de vorderingen.
2.3.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] jegens [gedaagde 2] toewijzen en jegens [gedaagde 1] afwijzen en zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
3De beoordeling
3.1.
De navolgende feiten staan in rechte vast:
3.1.1
[eiser] is eigenaar van een perceel aan [adres 1] waarop een vrijstaande woning en bedrijfshal staan. In de hal voert [eiser] zijn werkzaamheden als autohersteller uit.
3.1.2.
Op het naastgelegen perceel aan [adres 2] is [gedaagde 1] gevestigd. [bedrijf 1] BV (hierna [bedrijf 1] ) is eigenaresse van dit perceel en het zich daarop bevindende registergoed. [gedaagde 1] huurt een gedeelte van dit registergoed en had behoefte aan uitbreiding. [gedaagde 1] heeft de omgevingsvergunning aangevraagd, [bedrijf 1] was de opdrachtgever van de heiwerkzaamheden en heeft de facturen betaald.
3.1.3
[gedaagde 2] heeft de heiwerkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden zijn aangevangen op 4 februari 2019 en kort daarop door [eiser] wegens trillingen stilgelegd. Op 19 februari zijn de werkzaamheden hervat nadat er trillingsmeters tegen de bedrijfshal van [eiser] zijn geplaatst door [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ). In opdracht van [gedaagde 2] is op 25 februari door [bedrijf 2] een rapport uitgebracht.
3.1.4.
Bij brief van 19 februari 20219 heeft mr. Verhagen [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en nog te leiden schade.
3.1.5.
[eiser] heeft de Gemeente Tilburg bij de heiwerkzaamheden betrokken. De Gemeente Tilburg heeft aan [eiser] op 5 maart 2019 bericht dat uit de resultaten van trillingsmeters zou volgen dat bij heien de woning niet, maar de bedrijfshal wel, te maken had met trillingswaarden waarbij een reëel gevaar op schade zou ontstaan. Voorts zou een nul-meting hebben plaatsgevonden en zou [gedaagde 2] op de hoogte zijn gesteld van de aanwezigheid van het reële gevaar en hebben aangeven door te gaan en de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen.,
3.1.6.
Op 7 november 2023 is door TOP Expertise op verzoek van [eiser] een rapport uitgebracht.
3.1.7.
Op 12 april 2019 neemt ZNEB Expertise en Taxatie BV (hierna ZNEB) op verzoek van [eiser] de schade op in aanwezigheid van de op verzoek van [gedaagde 2] ingeschakelde expert van Dekra Experts (hierna Dekra) en komt tot een schadebedrag van € 2.198,-. [eiser] ontvangt op 19 november 2029 een conceptrapport van ZNEB waarin dit bedrag wordt verlaagd na ontvangst van foto’s waaruit zou blijken dat al sprake was van eerder bestaande schade. [eiser] , die zich niet kon vinden in de rapportage, heeft [bedrijf 3] als expert ingeschakeld, die op 6 november 2029 heeft bericht over de schade en het rapport van ZNEB. Kakeswaal in zijn constateert dat het ontbreken van een vooropname de situatie lastig maakt.
3.2.
[eiser] onderbouwt zijn vorderingen met de stelling dat [gedaagde 1] opdrachtgever is van [gedaagde 2] tot het uitvoeren van werkzaamheden die hebben geleid tot schade aan het eigendomsrecht van [eiser] . Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onzorgvuldig hebben gehandeld, Ten aanzien van [gedaagde 1] voert [eiser] daartoe aan dat hij pas op vrijdag 1 februari 2019 is geïnformeerd dat op maandag 4 februari zou worden aangevangen met de heiwerkzaamheden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarnaast, ondanks de kans op schade, verzuimd vooronderzoek en een nulmeting te doen en door de te korte tijd kon [eiser] dat zelf ook niet meer doen. Daarnaast wordt aangevoerd dat heien is voortgezet terwijl vaststond dat een reële kans op schade aanwezig was. Voorts wijst [eiser] er op dat [gedaagde 1] baat had bij de werkzaamheden en wijst hij met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:17) er op dat ook als zorgvuldig is gehandeld aansprakelijkheid voor de schade door de bouwwerkzaamheden kan bestaan.
Met betrekking tot de vraag welke schade is ontstaan als gevolg van het heien voert [eiser] aan dat hij niet benadeeld mag worden door het ontbreken van een nulmeting en voorts dat uit rapportages afgeleid kan worden dat sprake is van dergelijke schade.
[gedaagde 1]
3.3.
[gedaagde 1] voert als eerste verweer aan dat de verkeerde partij is gedagvaard, wat volgens [gedaagde 1] dient te leiden tot niet ontvankelijkheid. Niet zij maar [bedrijf 1] is eigenaresse van het perceel aan de [adres 2] en het daarop gelegen registergoed. [bedrijf 1] is ook opdrachtgever van [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft slechts de vergunning aangevraagd. De verwijten van [eiser] aan het adres van [eiser] Stoffen als eigenaresse van het perceel en als opdrachtgever van [gedaagde 2] treffen reeds daarom geen doel, volgens [gedaagde 1] . [eiser] betwist dit verweer en wijst erop dat [gedaagde 1] de vergunning heeft aangevraagd en uit de door [gedaagde 2] overgelegde offerte/opdrachtbevestiging volgt dat [gedaagde 1] opdrachtgever van de heiwerkzaamheden is.
3.4.
Uit de door [gedaagde 1] overgelegde eigendomsinformatie van het Kadaster (productie 1 [gedaagde 1] ) volgt dat [bedrijf 1] eigenaresse is van het perceel aan de [adres 2] te Udenhout . Informatie waaruit volgt dat niet [bedrijf 1] maar [gedaagde 1] eigenaresse is van de daarop gevestigde registergoederen ontbreekt. De door [gedaagde 1] overgelegde factuur van [gedaagde 2] (productie 2 [gedaagde 1] ) vermeldt weliswaar als afleveradres van de diensten “ [gedaagde 1] ” -zonder vermelding van de rechtspersoon- maar vermeldt als het factuuradres: “ [bedrijf 1] BV”. In het licht van het met deze producties onderbouwde verweer van [gedaagde 1] heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] opdrachtgever is van de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] . Dit in het licht van de omstandigheden dat het er voor moet worden gehouden dat [bedrijf 1] eigenaresse is van het registergoed alsmede de vermelding van [bedrijf 1] BV als meest nauwkeurige omschrijving van de betrokken vennootschap op de factuur van [gedaagde 2] . Dat [gedaagde 1] de omgevingsvergunning heeft aangevraagd brengt nog niet met zich dat [gedaagde 1] de opdrachtgever van [gedaagde 2] is. Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] eigenaresse is van het registergoed of opdrachtgever van [gedaagde 2] was, kan niet op grond van deze omstandigheden geconcludeerd worden dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de gestelde schade als gevolg van het heien van [gedaagde 2] . Naar het oordeel van de rechtbank brengt de rol van [gedaagde 1] als huurder van de bedrijfsruimte ook niet met zich dat zij [eiser] (eerder) op de hoogte had moeten stellen van de heiwerkzaamheden, zodat de discussie tussen partijen wanneer dat is gebeurd in het midden kan blijven. Ook overigens zijn onvoldoende feiten gesteld om aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de heiwerkzaamheden te kunnen aannemen. Een en ander raakt niet de ontvankelijkheid van [eiser] , maar de vordering jegens [gedaagde 1] zal worden afgewezen.
[gedaagde 2]
3.5.
[gedaagde 2] voert primair als verweer aan dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat hij onvoldoende procesbelang heeft. [gedaagde 2] voert aan dat onvoldoende is onderbouwd en vast staat dat sprake is van schade en van causaal verband tussen schade en de heiwerkzaamheden. Wel staat vast dat er voorafgaand aan de werkzaamheden schade was aan het bedrijfspand en de woning van [eiser] . Volgens [gedaagde 2] is niet meer te achterhalen of sprake is van schade aan het bedrijfspand en de woning van [gedaagde 2] . Omdat hij zijn schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt heeft hij geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaat. Ook heeft [eiser] de procedure nodeloos ingesteld omdat er een eenvoudiger middel was om zijn recht te verwezenlijken, welk middel - zo begrijpt de rechtbank dan - bestaat uit de aanvaarding van het voorstel tot betaling van € 14.784,99.
3.6.1.
Dit verweer van [gedaagde 2] dient te worden verworpen. Tussen partijen is discussie over de vraag of de heiwerkzaamheden tot schade hebben geleid. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de schade en verwijzing naar de schadestaat. In het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:428) is in rechtsoverweging 3.2.4 overwogen dat: “Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden”. [eiser] behoeft voor een verwijzing naar de schadestaat dan ook niet zijn schade aannemelijk te maken, de mogelijkheid van schade dient aannemelijk te zijn.
3.6.2.
Door [gedaagde 2] zijn heiwerkzaamheden uitgevoerd op het perceel naast het perceel van [eiser] die tot trillingen in het bedrijfspand en de woning van [eiser] hebben geleid. Uit na het stilleggen van de werkzaamheden geplaatste trillingsmeters is gebleken dat kennelijk geldende grenswaarden ten aanzien van het bedrijfsgebouw werden overschreden bij het slaan van een drietal heipalen (productie 4 [eiser] ) en zijn vervolgens werkzaamheden uitgevoerd met een andere heistelling met lagere valhoogten (productie 3 [eiser] ). De mogelijkheid dat de heiwerkzaamheden voorafgaand aan het stilleggen van de werkzaamheden op verzoek van [gedaagde 2] , tijdens het slaan van de 3 heipalen waarvan de trillingen de bepaalde grenswaarden hebben overschreden of daarna doet zich voor. Dit gezien de aard van de werkzaamheden en de nabijheid van de opstallen op het perceel van [eiser] . Het bestaan van de mogelijkheid op schade wordt versterkt door de bevindingen met de trillingsmeters die ook hebben geleid tot aanpassingen van de heiwerkzaamheden. Aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaat is dan ook voldaan, althans indien komt vast te staan dat sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde 2] .
3.7.
Ook overigens dient het primaire verweer van [gedaagde 2] dat de procedure nodeloos zou zijn ingesteld te worden verworpen. Nu [gedaagde 2] geen aansprakelijkheid heeft erkend voor de mogelijk ontstane schade is, heeft [eiser] belang bij het door haar gevorderde. Voorts was [eiser] niet gehouden het regelingsaanbod van [gedaagde 2] te aanvaarden.
3.8.
Volgens [gedaagde 2] is geen sprake van onzorgvuldig handelen van haar doordat zij voorafgaand aan de werkzaamheden wel onderzoek heeft verricht aan de bodem en wel foto’s heeft genomen van het onroerend goed van [eiser] . Voorts voert zij aan dat het enkele niet doen van een vooropname of vooronderzoek nog niet leidt tot de conclusie dat sprake is van onzorgvuldig handelen, maar dat dit afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Volgens [gedaagde 2] heeft zij de zorgvuldigheid in achtgenomen die van een professioneel bouwbedrijf verwacht kan worden door uitgebreid vooronderzoek te doen, foto’s van het pand van [eiser] te nemen, het stilleggen van de werkzaamheden nadat [eiser] heeft geklaagd en de werkzaamheden pas te hervatten nadat de Gemeente trillingsmeters heeft geplaatst en een tussenmeting was uitgevoerd.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde 2] , zelfs indien zij zorgvuldig heeft gehandeld - gezien de omstandigheden van het geval - aansprakelijk jegens [eiser] op grond van onrechtmatige daad, indien bij de uitvoering van haar heiwerkzaamheden aan de registergoederen van [eiser] schade is ontstaan. In het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:2024:17) is bepaald dat een aannemer aansprakelijk kan zijn uit hoofde van onrechtmatige daad voor schade die door derden is geleden door bouwwerkzaamheden, ook indien bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden voldoende maatregelen zijn getroffen ter voorkomen van schade aan derden en de werkzaamheden op zorgvuldige wijze zijn uitgevoerd. Indien aan werkzaamheden een aanmerkelijk risico is verbonden op schade - zoals hier bij het uitvoeren van heiwerkzaamheden door het slaan van palen in de directe nabijheid van registergoederen van derden - en dit risico zich heeft verwezenlijkt kan immers niet zonder meer worden aanvaard dat die derden, - hier [eiser] – de daardoor ontstane schade dienen te dragen. Hierbij is van belang dat de werkzaamheden in het belang van een derde – hier [bedrijf 1] - zijn uitgevoerd en die derde - hier [eiser] - geen voordeel heeft bij de werkzaamheden, dat de schade – hier fysieke schade aan registergoederen in de zin van scheuren - niet behoort tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander en het op de weg ligt van de aannemer om zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden te verzekeren en [gedaagde 2] zich daartegen ook heeft verzekerd.
3.10.
[gedaagde 2] is dan ook aansprakelijk voor schade aan de registergoederen van [eiser] indien die is ontstaan, ook indien zij zorgvuldig heeft gehandeld. Overigens heeft [gedaagde 2] wel gesteld zorgvuldig vooronderzoek te hebben verricht en foto’s van het pand van [eiser] te hebben genomen, maar niet is duidelijk gemaakt wat het vooronderzoek heeft ingehouden. Niet is gebleken dat [gedaagde 2] onderzoek heeft gedaan naar de fundering van de registergoederen van [eiser] , de wijze waarop trillingen zich in de ondergrond zouden verplaatsen en evenmin zijn door [gedaagde 2] voor aanvang van de werkzaamheden trillingsmeters geplaatst. Uit tijdens de werkzaamheden door de Gemeente geplaatste meters bleek voorts van te hoge trillingen die schade kunnen veroorzaken en de noodzaak van aanpassingen in de wijze van heien. En tenslotte, hoewel dat geen oorzaak kan zijn van het optreden van schade aan de registergoederen van [eiser] , moet het - ondanks het na de zitting overleggen van meer foto’s door [gedaagde 2] aan [eiser] die niet aan de rechtbank zijn overgelegd - er op gehouden worden dat er voor aanvang van de heiwerkzaamheden geen foto’s in de woning en in het bedrijfsgebouw van [eiser] zijn gemaakt. Het rapport van Dekra spreekt wel van een vooropname maar in het rapport wordt daarbij verduidelijkt dat dit een tussenopname is van 19 februari 2019 omdat toen al heiwerkzaamheden hadden plaatsgevonden. Zoals hiervoor in 3.9. is overwogen, is het voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] echter niet nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde 2] onzorgvuldig heeft gehandeld.
3.11.
Als vereiste voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad dient vast te komen staan dat sprake is van schade. De mogelijkheid dat schade is ontstaan is daartoe onvoldoende. Het bewijs van schade ligt gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv bij [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat als gevolg van het heien schade is ontstaan. In het rapport van Dekra (productie 21 [eiser] ) opgesteld op verzoek van Centraal Beheer, de verzekeraar van [gedaagde 2] , is op pagina 5 geconcludeerd dat de meeste scheuren die door [eiser] zijn aangewezen volgens Dekra bestaande, oude scheuren zijn die niet zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] . Als uitzonderingen worden genoemd een verticale scheur in het stucwerk onder een raamkozijn in een kantoorruimte van [eiser] en enkele scheuren in het stucwerk van het plafond van de eet- en woonkamer op de begane grond van de woning van [eiser] . In het licht van de conclusie van deze eigen deskundige, heeft [gedaagde 2] haar betwisting van het ontstaan van enige schade onvoldoende onderbouwd.
3.12.
Het voorgaande brengt met zich dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] kan worden toegewezen en dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] voor deze schade aansprakelijk is dient te worden afgewezen.
3.13
[eiser] heeft voorts gevorderd partijen te veroordelen tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Partijen zijn verdeeld over de omvang van de schade meer in het bijzonder over de vraag waar en in hoeverre nieuwe scheuren zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden en in hoeverre bestaande scheuren zijn vergroot door de heiwerkzaamheden en wat de kosten zijn van herstel. Hierbij is de vraag of vanwege esthetische redenen het volledig herstel van een muur, plafond of vloer noodzakelijk is en als dit het geval is, in hoeverre dan rekening moet worden gehouden met een aftrek nieuw voor oud. De heiwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in februari 2019. Er is niet gebleken van voortschrijdende schade die thans nog niet is vast te stellen. De omvang van de schade zou dus in zoverre in deze hoofdprocedure kunnen worden begroot. [eiser] heeft echter in zijn stellingen in de dagvaarding niet geconcretiseerd welke scheuren het betreft en welke schade daaruit voortvloeit. Dat brengt de noodzaak van een nadere conclusiewisseling met zich mee. Te verwachten is dat daarna een deskundigenbericht noodzakelijk blijkt. Omdat de rechter die dit vonnis wijst over korte tijd met pensioen gaat brengt het onmiddelijkheidsbeginsel met zich dat vervolgens waarschijnlijk een nieuwe zitting noodzakelijk blijkt. Onder deze omstandigheden is het niet efficiënter om de schade in deze procedure te begroten, mede gezien het navolgende. De rechtbank zal dan ook de veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat toewijzen.
3.14.
Partijen zouden indien zij de schade na vonnis niet onderling kunnen regelen er goed aan doen eerst zelf tot de aanstelling van een deskundige over te gaan. Deze deskundige zou gevraagd kunnen worden de registergoederen te inspecteren op basis van een opgave van [eiser] van de locatie van scheuren die volgens hem door het heien zijn veroorzaak. De deskundige zou de vraag voorgelegd kunnen worden om met inachtneming van de beschikbare foto’s en eerdere rapporten de vraag te beantwoorden welke scheuren zeker zijn ontstaan, welke scheuren mogelijk zijn ontstaan of vergroot, en welke scheuren niet zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden. Ook zou de vraag gesteld kunnen worden wat de reparatiekosten zijn van de zeker en ook mogelijke ontstane of verergerde scheuren met de vraag om bij de noodzaak van volledig herstel van een vloer, muur of plafond om esthetische redenen ook aan te geven in hoeverre gelet op de levensduur of al bestaande scheuren de reparatie een voordeel oplevert. Gezien hetgeen is overwogen in overweging 3.10. ligt het in de rede dat [gedaagde 2] ook schade vergoedt voor scheuren die mogelijk zijn ontstaan door het heien of daardoor mogelijk zijn vergroot.
3.15.
Als in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde 2] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure van [eiser] . De procedure is niet onnodig ingesteld door [eiser] , [gedaagde 2] heeft immers, hoewel zij schikkingsvoorstellen heeft gedaan die niet zijn aanvaard, haar aansprakelijkheid niet erkend. De proceskosten worden begroot op € 144.47 aan kosten dagvaarding, € 331,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 x tarief II van € 653,-) aan salaris advocaat, verhoogd met de nakosten.
3.16.
Als in het ongelijk gestelde partij dient [eiser] te worden veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde 1] . Deze kosten worden begroot op € 741,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 x tarief II van € 653,- aan salaris advocaat), verhoogd met de nakosten.
4De beslissing
De rechtbank,
4.1
verklaart voor recht dat dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden op het perceel van [bedrijf 1] , met veroordeling van [gedaagde 2] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , begroot op € 1.781,47 te verhogen met € 189,- aan nakosten zonder betekening of € 287,- met betekening van dit vonnis, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis zijn betaald;
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] , begroot op € 2.047,= te verhogen met € 189,- aan nakosten zonder betekening of € 287,- met betekening van dit vonnis;
4.4.
verklaart het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door Mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
type:
coll:
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/437945 / HA ZA 25-420
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1]
eiser,
advocaat mr. J.J.F. van de Voort te Scherpenzeel,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden
1De verdere procedure
1.1
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte aanvullende producties van de zijde van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026 en de daarbij overhandigde spreekaantekeningen van de zijde van partijen.
De zaak is ter zitting aangehouden in verband met het beschikbaar stellen van foto’s door [gedaagde 2] en schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben bericht dat geen schikking is tot stand gekomen en [eiser] heeft vonnis gevraagd. Een verzoek aan de zijde van [gedaagde 2] om de mondelinge behandeling voort te zetten is door de rechtbank afgewezen en er is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
[eiser] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden op het perceel van [gedaagde 1] , met veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in de proceskosten.
2.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] verweren zich tegen de vorderingen.
2.3.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] jegens [gedaagde 2] toewijzen en jegens [gedaagde 1] afwijzen en zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
3De beoordeling
3.1.
De navolgende feiten staan in rechte vast:
3.1.1
[eiser] is eigenaar van een perceel aan [adres 1] waarop een vrijstaande woning en bedrijfshal staan. In de hal voert [eiser] zijn werkzaamheden als autohersteller uit.
3.1.2.
Op het naastgelegen perceel aan [adres 2] is [gedaagde 1] gevestigd. [bedrijf 1] BV (hierna [bedrijf 1] ) is eigenaresse van dit perceel en het zich daarop bevindende registergoed. [gedaagde 1] huurt een gedeelte van dit registergoed en had behoefte aan uitbreiding. [gedaagde 1] heeft de omgevingsvergunning aangevraagd, [bedrijf 1] was de opdrachtgever van de heiwerkzaamheden en heeft de facturen betaald.
3.1.3
[gedaagde 2] heeft de heiwerkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden zijn aangevangen op 4 februari 2019 en kort daarop door [eiser] wegens trillingen stilgelegd. Op 19 februari zijn de werkzaamheden hervat nadat er trillingsmeters tegen de bedrijfshal van [eiser] zijn geplaatst door [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ). In opdracht van [gedaagde 2] is op 25 februari door [bedrijf 2] een rapport uitgebracht.
3.1.4.
Bij brief van 19 februari 20219 heeft mr. Verhagen [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en nog te leiden schade.
3.1.5.
[eiser] heeft de Gemeente Tilburg bij de heiwerkzaamheden betrokken. De Gemeente Tilburg heeft aan [eiser] op 5 maart 2019 bericht dat uit de resultaten van trillingsmeters zou volgen dat bij heien de woning niet, maar de bedrijfshal wel, te maken had met trillingswaarden waarbij een reëel gevaar op schade zou ontstaan. Voorts zou een nul-meting hebben plaatsgevonden en zou [gedaagde 2] op de hoogte zijn gesteld van de aanwezigheid van het reële gevaar en hebben aangeven door te gaan en de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen.,
3.1.6.
Op 7 november 2023 is door TOP Expertise op verzoek van [eiser] een rapport uitgebracht.
3.1.7.
Op 12 april 2019 neemt ZNEB Expertise en Taxatie BV (hierna ZNEB) op verzoek van [eiser] de schade op in aanwezigheid van de op verzoek van [gedaagde 2] ingeschakelde expert van Dekra Experts (hierna Dekra) en komt tot een schadebedrag van € 2.198,-. [eiser] ontvangt op 19 november 2029 een conceptrapport van ZNEB waarin dit bedrag wordt verlaagd na ontvangst van foto’s waaruit zou blijken dat al sprake was van eerder bestaande schade. [eiser] , die zich niet kon vinden in de rapportage, heeft [bedrijf 3] als expert ingeschakeld, die op 6 november 2029 heeft bericht over de schade en het rapport van ZNEB. Kakeswaal in zijn constateert dat het ontbreken van een vooropname de situatie lastig maakt.
3.2.
[eiser] onderbouwt zijn vorderingen met de stelling dat [gedaagde 1] opdrachtgever is van [gedaagde 2] tot het uitvoeren van werkzaamheden die hebben geleid tot schade aan het eigendomsrecht van [eiser] . Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onzorgvuldig hebben gehandeld, Ten aanzien van [gedaagde 1] voert [eiser] daartoe aan dat hij pas op vrijdag 1 februari 2019 is geïnformeerd dat op maandag 4 februari zou worden aangevangen met de heiwerkzaamheden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarnaast, ondanks de kans op schade, verzuimd vooronderzoek en een nulmeting te doen en door de te korte tijd kon [eiser] dat zelf ook niet meer doen. Daarnaast wordt aangevoerd dat heien is voortgezet terwijl vaststond dat een reële kans op schade aanwezig was. Voorts wijst [eiser] er op dat [gedaagde 1] baat had bij de werkzaamheden en wijst hij met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:17) er op dat ook als zorgvuldig is gehandeld aansprakelijkheid voor de schade door de bouwwerkzaamheden kan bestaan.
Met betrekking tot de vraag welke schade is ontstaan als gevolg van het heien voert [eiser] aan dat hij niet benadeeld mag worden door het ontbreken van een nulmeting en voorts dat uit rapportages afgeleid kan worden dat sprake is van dergelijke schade.
[gedaagde 1]
3.3.
[gedaagde 1] voert als eerste verweer aan dat de verkeerde partij is gedagvaard, wat volgens [gedaagde 1] dient te leiden tot niet ontvankelijkheid. Niet zij maar [bedrijf 1] is eigenaresse van het perceel aan de [adres 2] en het daarop gelegen registergoed. [bedrijf 1] is ook opdrachtgever van [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft slechts de vergunning aangevraagd. De verwijten van [eiser] aan het adres van [eiser] Stoffen als eigenaresse van het perceel en als opdrachtgever van [gedaagde 2] treffen reeds daarom geen doel, volgens [gedaagde 1] . [eiser] betwist dit verweer en wijst erop dat [gedaagde 1] de vergunning heeft aangevraagd en uit de door [gedaagde 2] overgelegde offerte/opdrachtbevestiging volgt dat [gedaagde 1] opdrachtgever van de heiwerkzaamheden is.
3.4.
Uit de door [gedaagde 1] overgelegde eigendomsinformatie van het Kadaster (productie 1 [gedaagde 1] ) volgt dat [bedrijf 1] eigenaresse is van het perceel aan de [adres 2] te Udenhout . Informatie waaruit volgt dat niet [bedrijf 1] maar [gedaagde 1] eigenaresse is van de daarop gevestigde registergoederen ontbreekt. De door [gedaagde 1] overgelegde factuur van [gedaagde 2] (productie 2 [gedaagde 1] ) vermeldt weliswaar als afleveradres van de diensten “ [gedaagde 1] ” -zonder vermelding van de rechtspersoon- maar vermeldt als het factuuradres: “ [bedrijf 1] BV”. In het licht van het met deze producties onderbouwde verweer van [gedaagde 1] heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] opdrachtgever is van de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] . Dit in het licht van de omstandigheden dat het er voor moet worden gehouden dat [bedrijf 1] eigenaresse is van het registergoed alsmede de vermelding van [bedrijf 1] BV als meest nauwkeurige omschrijving van de betrokken vennootschap op de factuur van [gedaagde 2] . Dat [gedaagde 1] de omgevingsvergunning heeft aangevraagd brengt nog niet met zich dat [gedaagde 1] de opdrachtgever van [gedaagde 2] is. Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] eigenaresse is van het registergoed of opdrachtgever van [gedaagde 2] was, kan niet op grond van deze omstandigheden geconcludeerd worden dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de gestelde schade als gevolg van het heien van [gedaagde 2] . Naar het oordeel van de rechtbank brengt de rol van [gedaagde 1] als huurder van de bedrijfsruimte ook niet met zich dat zij [eiser] (eerder) op de hoogte had moeten stellen van de heiwerkzaamheden, zodat de discussie tussen partijen wanneer dat is gebeurd in het midden kan blijven. Ook overigens zijn onvoldoende feiten gesteld om aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de heiwerkzaamheden te kunnen aannemen. Een en ander raakt niet de ontvankelijkheid van [eiser] , maar de vordering jegens [gedaagde 1] zal worden afgewezen.
[gedaagde 2]
3.5.
[gedaagde 2] voert primair als verweer aan dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering omdat hij onvoldoende procesbelang heeft. [gedaagde 2] voert aan dat onvoldoende is onderbouwd en vast staat dat sprake is van schade en van causaal verband tussen schade en de heiwerkzaamheden. Wel staat vast dat er voorafgaand aan de werkzaamheden schade was aan het bedrijfspand en de woning van [eiser] . Volgens [gedaagde 2] is niet meer te achterhalen of sprake is van schade aan het bedrijfspand en de woning van [gedaagde 2] . Omdat hij zijn schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt heeft hij geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaat. Ook heeft [eiser] de procedure nodeloos ingesteld omdat er een eenvoudiger middel was om zijn recht te verwezenlijken, welk middel - zo begrijpt de rechtbank dan - bestaat uit de aanvaarding van het voorstel tot betaling van € 14.784,99.
3.6.1.
Dit verweer van [gedaagde 2] dient te worden verworpen. Tussen partijen is discussie over de vraag of de heiwerkzaamheden tot schade hebben geleid. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de schade en verwijzing naar de schadestaat. In het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:428) is in rechtsoverweging 3.2.4 overwogen dat: “Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden”. [eiser] behoeft voor een verwijzing naar de schadestaat dan ook niet zijn schade aannemelijk te maken, de mogelijkheid van schade dient aannemelijk te zijn.
3.6.2.
Door [gedaagde 2] zijn heiwerkzaamheden uitgevoerd op het perceel naast het perceel van [eiser] die tot trillingen in het bedrijfspand en de woning van [eiser] hebben geleid. Uit na het stilleggen van de werkzaamheden geplaatste trillingsmeters is gebleken dat kennelijk geldende grenswaarden ten aanzien van het bedrijfsgebouw werden overschreden bij het slaan van een drietal heipalen (productie 4 [eiser] ) en zijn vervolgens werkzaamheden uitgevoerd met een andere heistelling met lagere valhoogten (productie 3 [eiser] ). De mogelijkheid dat de heiwerkzaamheden voorafgaand aan het stilleggen van de werkzaamheden op verzoek van [gedaagde 2] , tijdens het slaan van de 3 heipalen waarvan de trillingen de bepaalde grenswaarden hebben overschreden of daarna doet zich voor. Dit gezien de aard van de werkzaamheden en de nabijheid van de opstallen op het perceel van [eiser] . Het bestaan van de mogelijkheid op schade wordt versterkt door de bevindingen met de trillingsmeters die ook hebben geleid tot aanpassingen van de heiwerkzaamheden. Aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaat is dan ook voldaan, althans indien komt vast te staan dat sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde 2] .
3.7.
Ook overigens dient het primaire verweer van [gedaagde 2] dat de procedure nodeloos zou zijn ingesteld te worden verworpen. Nu [gedaagde 2] geen aansprakelijkheid heeft erkend voor de mogelijk ontstane schade is, heeft [eiser] belang bij het door haar gevorderde. Voorts was [eiser] niet gehouden het regelingsaanbod van [gedaagde 2] te aanvaarden.
3.8.
Volgens [gedaagde 2] is geen sprake van onzorgvuldig handelen van haar doordat zij voorafgaand aan de werkzaamheden wel onderzoek heeft verricht aan de bodem en wel foto’s heeft genomen van het onroerend goed van [eiser] . Voorts voert zij aan dat het enkele niet doen van een vooropname of vooronderzoek nog niet leidt tot de conclusie dat sprake is van onzorgvuldig handelen, maar dat dit afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Volgens [gedaagde 2] heeft zij de zorgvuldigheid in achtgenomen die van een professioneel bouwbedrijf verwacht kan worden door uitgebreid vooronderzoek te doen, foto’s van het pand van [eiser] te nemen, het stilleggen van de werkzaamheden nadat [eiser] heeft geklaagd en de werkzaamheden pas te hervatten nadat de Gemeente trillingsmeters heeft geplaatst en een tussenmeting was uitgevoerd.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde 2] , zelfs indien zij zorgvuldig heeft gehandeld - gezien de omstandigheden van het geval - aansprakelijk jegens [eiser] op grond van onrechtmatige daad, indien bij de uitvoering van haar heiwerkzaamheden aan de registergoederen van [eiser] schade is ontstaan. In het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:2024:17) is bepaald dat een aannemer aansprakelijk kan zijn uit hoofde van onrechtmatige daad voor schade die door derden is geleden door bouwwerkzaamheden, ook indien bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden voldoende maatregelen zijn getroffen ter voorkomen van schade aan derden en de werkzaamheden op zorgvuldige wijze zijn uitgevoerd. Indien aan werkzaamheden een aanmerkelijk risico is verbonden op schade - zoals hier bij het uitvoeren van heiwerkzaamheden door het slaan van palen in de directe nabijheid van registergoederen van derden - en dit risico zich heeft verwezenlijkt kan immers niet zonder meer worden aanvaard dat die derden, - hier [eiser] – de daardoor ontstane schade dienen te dragen. Hierbij is van belang dat de werkzaamheden in het belang van een derde – hier [bedrijf 1] - zijn uitgevoerd en die derde - hier [eiser] - geen voordeel heeft bij de werkzaamheden, dat de schade – hier fysieke schade aan registergoederen in de zin van scheuren - niet behoort tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander en het op de weg ligt van de aannemer om zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden te verzekeren en [gedaagde 2] zich daartegen ook heeft verzekerd.
3.10.
[gedaagde 2] is dan ook aansprakelijk voor schade aan de registergoederen van [eiser] indien die is ontstaan, ook indien zij zorgvuldig heeft gehandeld. Overigens heeft [gedaagde 2] wel gesteld zorgvuldig vooronderzoek te hebben verricht en foto’s van het pand van [eiser] te hebben genomen, maar niet is duidelijk gemaakt wat het vooronderzoek heeft ingehouden. Niet is gebleken dat [gedaagde 2] onderzoek heeft gedaan naar de fundering van de registergoederen van [eiser] , de wijze waarop trillingen zich in de ondergrond zouden verplaatsen en evenmin zijn door [gedaagde 2] voor aanvang van de werkzaamheden trillingsmeters geplaatst. Uit tijdens de werkzaamheden door de Gemeente geplaatste meters bleek voorts van te hoge trillingen die schade kunnen veroorzaken en de noodzaak van aanpassingen in de wijze van heien. En tenslotte, hoewel dat geen oorzaak kan zijn van het optreden van schade aan de registergoederen van [eiser] , moet het - ondanks het na de zitting overleggen van meer foto’s door [gedaagde 2] aan [eiser] die niet aan de rechtbank zijn overgelegd - er op gehouden worden dat er voor aanvang van de heiwerkzaamheden geen foto’s in de woning en in het bedrijfsgebouw van [eiser] zijn gemaakt. Het rapport van Dekra spreekt wel van een vooropname maar in het rapport wordt daarbij verduidelijkt dat dit een tussenopname is van 19 februari 2019 omdat toen al heiwerkzaamheden hadden plaatsgevonden. Zoals hiervoor in 3.9. is overwogen, is het voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] echter niet nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde 2] onzorgvuldig heeft gehandeld.
3.11.
Als vereiste voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad dient vast te komen staan dat sprake is van schade. De mogelijkheid dat schade is ontstaan is daartoe onvoldoende. Het bewijs van schade ligt gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv bij [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat als gevolg van het heien schade is ontstaan. In het rapport van Dekra (productie 21 [eiser] ) opgesteld op verzoek van Centraal Beheer, de verzekeraar van [gedaagde 2] , is op pagina 5 geconcludeerd dat de meeste scheuren die door [eiser] zijn aangewezen volgens Dekra bestaande, oude scheuren zijn die niet zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] . Als uitzonderingen worden genoemd een verticale scheur in het stucwerk onder een raamkozijn in een kantoorruimte van [eiser] en enkele scheuren in het stucwerk van het plafond van de eet- en woonkamer op de begane grond van de woning van [eiser] . In het licht van de conclusie van deze eigen deskundige, heeft [gedaagde 2] haar betwisting van het ontstaan van enige schade onvoldoende onderbouwd.
3.12.
Het voorgaande brengt met zich dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden van [gedaagde 2] kan worden toegewezen en dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] voor deze schade aansprakelijk is dient te worden afgewezen.
3.13
[eiser] heeft voorts gevorderd partijen te veroordelen tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Partijen zijn verdeeld over de omvang van de schade meer in het bijzonder over de vraag waar en in hoeverre nieuwe scheuren zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden en in hoeverre bestaande scheuren zijn vergroot door de heiwerkzaamheden en wat de kosten zijn van herstel. Hierbij is de vraag of vanwege esthetische redenen het volledig herstel van een muur, plafond of vloer noodzakelijk is en als dit het geval is, in hoeverre dan rekening moet worden gehouden met een aftrek nieuw voor oud. De heiwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in februari 2019. Er is niet gebleken van voortschrijdende schade die thans nog niet is vast te stellen. De omvang van de schade zou dus in zoverre in deze hoofdprocedure kunnen worden begroot. [eiser] heeft echter in zijn stellingen in de dagvaarding niet geconcretiseerd welke scheuren het betreft en welke schade daaruit voortvloeit. Dat brengt de noodzaak van een nadere conclusiewisseling met zich mee. Te verwachten is dat daarna een deskundigenbericht noodzakelijk blijkt. Omdat de rechter die dit vonnis wijst over korte tijd met pensioen gaat brengt het onmiddelijkheidsbeginsel met zich dat vervolgens waarschijnlijk een nieuwe zitting noodzakelijk blijkt. Onder deze omstandigheden is het niet efficiënter om de schade in deze procedure te begroten, mede gezien het navolgende. De rechtbank zal dan ook de veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat toewijzen.
3.14.
Partijen zouden indien zij de schade na vonnis niet onderling kunnen regelen er goed aan doen eerst zelf tot de aanstelling van een deskundige over te gaan. Deze deskundige zou gevraagd kunnen worden de registergoederen te inspecteren op basis van een opgave van [eiser] van de locatie van scheuren die volgens hem door het heien zijn veroorzaak. De deskundige zou de vraag voorgelegd kunnen worden om met inachtneming van de beschikbare foto’s en eerdere rapporten de vraag te beantwoorden welke scheuren zeker zijn ontstaan, welke scheuren mogelijk zijn ontstaan of vergroot, en welke scheuren niet zijn ontstaan door de heiwerkzaamheden. Ook zou de vraag gesteld kunnen worden wat de reparatiekosten zijn van de zeker en ook mogelijke ontstane of verergerde scheuren met de vraag om bij de noodzaak van volledig herstel van een vloer, muur of plafond om esthetische redenen ook aan te geven in hoeverre gelet op de levensduur of al bestaande scheuren de reparatie een voordeel oplevert. Gezien hetgeen is overwogen in overweging 3.10. ligt het in de rede dat [gedaagde 2] ook schade vergoedt voor scheuren die mogelijk zijn ontstaan door het heien of daardoor mogelijk zijn vergroot.
3.15.
Als in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde 2] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure van [eiser] . De procedure is niet onnodig ingesteld door [eiser] , [gedaagde 2] heeft immers, hoewel zij schikkingsvoorstellen heeft gedaan die niet zijn aanvaard, haar aansprakelijkheid niet erkend. De proceskosten worden begroot op € 144.47 aan kosten dagvaarding, € 331,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 x tarief II van € 653,-) aan salaris advocaat, verhoogd met de nakosten.
3.16.
Als in het ongelijk gestelde partij dient [eiser] te worden veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde 1] . Deze kosten worden begroot op € 741,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 x tarief II van € 653,- aan salaris advocaat), verhoogd met de nakosten.
4De beslissing
De rechtbank,
4.1
verklaart voor recht dat dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van de heiwerkzaamheden op het perceel van [bedrijf 1] , met veroordeling van [gedaagde 2] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , begroot op € 1.781,47 te verhogen met € 189,- aan nakosten zonder betekening of € 287,- met betekening van dit vonnis, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis zijn betaald;
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] , begroot op € 2.047,= te verhogen met € 189,- aan nakosten zonder betekening of € 287,- met betekening van dit vonnis;
4.4.
verklaart het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door Mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
type:
coll: