Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8721

2026-09-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4727, 25/4728, 25/4729, 25/4730, 25/4731 en 25/4732
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4727, 25/4728, 25/4729, 25/4730, 25/4731 en 25/4732
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WOZ-woning, meerdere belastingjaren, 6:6 Awb, niet-ontvankelijk, ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.787 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Belastingrecht



zaaknummers: BRE 25/4727, 25/4728, 25/4729, 25/4730, 25/4731 en 25/4732


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van de beroepen over de jaren 2020, 2021, 2022, 2023, 2024 en 2025. Daarnaast gaat deze uitspraak over de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak [adres] , te [woonplaats] (de woning) voor de genoemde jaren en de aan belanghebbende opgelegde aanslagen onroerendezaakbelastingen. Belanghebbende is het niet eens met de waardebeschikkingen en de aanslagen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de beroepen.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen over de jaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025 niet-ontvankelijk zijn. Het beroep over het jaar 2022 is wel ontvankelijk. Ten aanzien van dit jaar komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat de waardebeschikking en de aanslag in stand blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking (de waardebeschikking) de waarde van de woning op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op €205.000. Met deze waardebeschikking zijn aan belanghebbende ook de aanslagen voor het jaar 2022 opgelegd.



2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 augustus 2025 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.



2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.



2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de heffingsambtenaar. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar een machtiging overlegd, waarin [gemachtigde 1] is gemachtigd. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde via deze machtiging namens de heffingsambtenaar het woord mag voeren. Belanghebbende was niet aanwezig.




Feiten


3. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een hoekwoning (1973) met een gebruiksoppervlakte van 102 m². De woning is gelegen op een perceel van 234 m². De woning heeft een aanbouw, een vrijstaande garage, een vrijstaande berging en een dakkapel.




Beoordeling door de rechtbank



Vooraf: ontvankelijkheid




4. Belanghebbende stelt dat het beroep zich richt tegen de aanslagen van de gemeentelijke belastingen van de belastingjaren 2020, 2021, 2022, 2023, 2024 en 2025. Deze aanslagen zouden volgens belanghebbende in 2023 op een willekeurige wijze zijn opgelegd. Daarnaast stelt belanghebbende dat de status van zijn bezwaren niet herleidbaar is.



4.1.
De heffingsambtenaar stelt dat het beroep enkel betrekking heeft op het belastingjaar 2022. Voor zover het beroep ziet op andere belastingjaren, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Belanghebbende verwijst volgens de heffingsambtenaar naar een uitspraak op bezwaar met het kenmerk: [kenmerk] (datum 4 augustus 2025). Uit dit bezwaarnummer is het volgens de heffingsambtenaar voldoende bepaalbaar dat belanghebbende met zijn beroep belastingjaar 2022 had bedoeld. De heffingsambtenaar stelt dat het beroep voor de overige belastingjaren niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.



4.2.
Met dagtekening 14 september 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank.



4.3.
Bij bericht van 24 september 2025 heeft de rechtbank belanghebbende geïnformeerd dat in het beroepschrift niet is vermeld met welk besluit belanghebbende het niet eens is en dat geen kopie van het bestreden besluit is overlegd. De rechtbank heeft belanghebbende de mogelijkheid geboden om deze verzuimen uiterlijk 22 oktober 2025 te herstellen en erop gewezen dat de beroepen anders niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. Deze termijn is vervolgens bij brief van 28 oktober 2025 verlengd tot 11 november 2025. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.



4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 6:5, lid 1, sub c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aangegeven dat een bezwaar- of beroepschrift ten minste een omschrijving van het besluit dient te bevatten waartegen het bezwaar of beroep is gericht. Op grond van artikel 6:5, lid 2, van de Awb wordt zo mogelijk bij het beroepschrift een afschrift van het besluit overgelegd waarop het geschil betrekking heeft.



4.5.
Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.


4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepen – voor zover deze niet zien op het belastingjaar 2022 – niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zowel de tekst van het beroepschrift als de samenstelling van de meegestuurde stukken zijn onvoldoende specifiek ten aanzien van de overige belastingjaren dan 2022. De rechtbank heeft belanghebbende voldoende gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen, van welke gelegenheid belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt. De doelmatige procesgang brengt mee dat de rechtbank de schaarse middelen inzet voor die beroepsprocedures waarvan voldoende duidelijk is waartegen het zich richt. Belanghebbende moet zich ervoor inspannen om dat duidelijk te maken. Dat is in deze dossiers onvoldoende gebeurd. De beroepen over de belastingjaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025 zijn naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk.



4.7.
Het beroep over het belastingjaar 2022 is naar het oordeel van de rechtbank wel ontvankelijk. De reden daarvoor is als volgt. De wet bepaalt dat belanghebbende ‘zo mogelijk’ een afschrift van het bestreden besluit overlegt. Belanghebbende heeft in het beroepschrift omstandigheden geschetst die de indruk wekken dat het overzicht in het berichtenverkeer met de gemeente verloren is gegaan. De rechtbank vat de toelichting van belanghebbende op als een betoog dat het overleggen van de uitspraak op bezwaar niet mogelijk was. Uit de beschrijving in het beroepschrift blijkt voldoende duidelijk waar het beroep over gaat, namelijk over het jaar 2022. De heffingsambtenaar heeft uiteindelijk ook een afschrift van de uitspraak op bezwaar over het belastingjaar 2022 bij zijn gedingstukken gevoegd. Daarmee is voldoende duidelijk waarover de rechtbank heeft te beslissen. Daarom is het beroep over belastingjaar 2022 ontvankelijk.



Toetsingskader




5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".




5.1.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.



5.2.

Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.

Onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar





5.3.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix ten grondslag gelegd.



5.4.
In de taxatiematrix is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen berekend op €225.685 naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [referentiewoning 1] , [referentiewoning 2] en [referentiewoning 3] , alle gelegen te [woonplaats] . In de taxatiematrix zijn de voorgenoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.



Zijn de referentiewoningen vergelijkbaar met de woning?





5.5.
Belanghebbende betwist de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen.



5.6.
De rechtbank stelt vast dat er twee referentiewoningen uit dezelfde straat zijn opgenomen. Deze woningen zijn wat betreft bouwstijl identiek. De woning aan de [referentiewoning 2] heeft een andere bouwstijl, maar vertegenwoordigt een lagere waarde. Het elimineren van die woning zou in het nadeel van belanghebbende zijn.



5.7.
Belanghebbende heeft verder niet gesteld dat hij twijfelt aan de vaststelling van de prijs per eenheid aan de hand van de vergelijkingsobjecten. De rechtbank ziet hierdoor geen aanleiding om de onderbouwing van de heffingsambtenaar niet te volgen.



5.8.

De rechtbank acht de in beroep gebruikte referentiewoningen wat betreft uitstraling, ligging, bouwjaar en type voldoende vergelijkbaar met de woning. De referentiewoningen zijn bovendien voldoende dichtbij de waardepeildatum, namelijk binnen één jaar daarvoor of daarna, verkocht. De rechtbank concludeert dat de referentiewoningen kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.

Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woningen?





5.9.
Belanghebbende stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de onderhoudstoestand van de woning.



5.10.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. De verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. De grondprijs voor de woning en de referentiewoningen is bepaald aan de hand van een grondstaffel. Verder is aan de bijgebouwen een afzonderlijke waarde toegekend. Ook heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt dat met de verschillen, in het bijzonder de verschillen in onderhoud en voorzieningen, rekening is gehouden.



5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is anders dan wat belanghebbende stelt voldoende rekening gehouden met de onderhoudstoestand van de woning. De heffingsambtenaar heeft aan de woning wat betreft onderhoud een factor 2 toegekend. Dit betreft een neerwaartse correctie van €12.447,00. Hiermee heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de onderhoudstoestand. Belanghebbende heeft verder geen onderbouwing gegeven die ertoe strekt dat de factor dient te worden verlaagd, waardoor de beroepsgrond niet slaagt.



Heeft de waardevaststelling van 2019 invloed op de volgende belastingjaren?





5.12.
Verder stelt belanghebbende dat de uitspraak van deze rechtbank over belastingjaar 2019 invloed heeft op de waardes zoals deze zijn vastgesteld in de aanslagen. De aanpassingen die de heffingsambtenaar naar aanleiding van die uitspraak heeft gedaan zouden volgens belanghebbende doorwerken op de WOZ-waarde van latere jaren.



5.13.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Doel en strekking van de WOZ brengen mee dat de waarde van de woning voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, waarbij wordt voorbijgegaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de woning is toegekend. Tevens geldt dat bij de waardering fouten gemaakt kunnen worden die bij een taxatie op een volgende waardepeildatum moeten kunnen worden hersteld.



5.14.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.





Conclusie en gevolgen


6. De beroepen over de belastingjaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep over het belastingjaar 2022 is ongegrond. Dat betekent dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart de beroepen over de belastingjaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep over het jaar 2022 ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.













griffier


rechter





De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.




Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3373.