Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8720

2026-09-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 26/157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/157
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting, beroepsgerechtigde, niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.990 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Belastingrecht



zaaknummer: BRE 26/157


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),


en


de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 3 december 2025. Eiser is het niet eens met de aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten wegens het vermeende niet betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en de beschikking, waarmee de aanmaningskosten in rekening zijn gebracht, in stand blijft. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. De invorderingsambtenaar heeft aan eiser met dagtekening 3 mei 2025 aanmaningskosten in rekening gebracht vanwege het niet betalen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.



2.1.
De invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2025 het bezwaar van eiser tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard.



2.2.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, en namens de invorderingsambtenaar [gemachtigde 2] .






Feiten


3. Op 28 maart 2025 stond een auto van [taxibedrijf] (hierna: [taxibedrijf] ) geparkeerd op de [straat] te [plaats] , terwijl daar geen of weinig parkeerbelasting voor zou zijn betaald. Aan [taxibedrijf] is daarom een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 49,93.



3.1.
Omdat [taxibedrijf] de naheffingsaanslag niet op tijd zou hebben betaald, heeft de invorderingsambtenaar op 3 mei 2025 een aanmaning naar [taxibedrijf] verzonden, waarbij € 9,00 aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.




Beoordeling door de rechtbank


4. Voordat de rechtbank toekomt aan de behandeling van de beroepsgronden van eiser, beoordeelt zij allereerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep.



4.1.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel alleen beroep kan worden ingesteld tegen zoiets als een aanmaningskosten-beschikking door degene aan wie de beschikking is opgelegd. Degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag betrekking heeft, kan ook beroep instellen.



4.2.
De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan. De invorderingsambtenaar verzet zich hiertegen. De rechtbank wijst het bewijsaanbod van de gemachtigde af. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen gewezen op de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht. De gemachtigde van eiser heeft geen adequate reden gegeven waarom de stukken niet eerder zijn ingebracht. Het toelaten van de nadere stukken komt daarom in strijd met de goede procesorde. Het bewijsaanbod wordt afgewezen.



4.3.
De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan [taxibedrijf] en de aanmaningskosten wegens het niet betalen van de naheffingsaanslag ook aan haar in rekening zijn gebracht. Het beroepschrift is echter ingediend namens eiser. En ook de door gemachtigde overlegde volmacht staat op naam van de eiser. De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat eiser de eigenaar is van [taxibedrijf] De invorderingsambtenaar heeft dat echter weersproken. Het bewijsaanbod dat daarop is gevolgd, kwam niet voor toewijzing in aanmerking (zie hiervoor onder 4.2). Daarom is niet aannemelijk geworden dat eiser ofwel namens [taxibedrijf] heeft gehandeld ofwel dat de kosten op rechtstreeks op eiser verhaald zullen worden. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als belanghebbende bij de overgelegde beschikking.



4.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet als beroepsgerechtigde kwalificeert, en het beroep dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.





Artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 7, eerste lid van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 26a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 7, eerste lid van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en artikel 26a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Vgl. Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508.