Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8691

2026-06-03 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12190107 VV EXPL 26-18
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12190107 VV EXPL 26-18
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vonnis in kort geding. Partijen huren samen een woning en hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is geeindigd. Eiser vordert het exclusieve gebruik van deze woning. Deze vordering wordt toegewezen met als voornaamste reden dat zij de feitelijke zorg over hun minderjarige zoontje heeft. Het is in zijn belang dat eiser met haar zoontje in de woning kan verblijven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.041 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Bergen op Zoom



Zaaknummer: 12190107 \ VV EXPL 26-18




Vonnis in kort geding van 3 juni 2026




in de zaak van





[de vrouw]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
gemachtigde: mr. M.M.J. Bos,



tegen





[de man]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de man] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 april 2026 met producties,
- de aanvullende productie van [de vrouw] ,
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben een niet huwelijkse, affectieve relatie gehad.



2.2.
Partijen zijn beide huurder van een woning, staande en gelegen te [adres] (hierna: de huurwoning).



2.3.
Partijen zijn op [datum] 2025 ouders geworden van [kind] (hierna: [kind] ).



2.4.

[de vrouw] is op 6 december 2025 met [kind] uit de woning vertrokken. [de vrouw] verblijft vanaf die dag met [kind] in [plaats 1] , op het adres van haar ouders.



2.5.
Bij brief van 2 maart 2026 heeft [de vrouw] aan [de man] kenbaar gemaakt dat zij huurder wil zijn van de woning, met uitsluiting van hem. Op 18 maart 2026 heeft [de man] in reactie op deze brief kenbaar gemaakt dat hij de huurovereenkomst wenst voort te zetten en de woning niet zal verlaten.





3Het geschil


3.1.


[de vrouw] vordert samengevat en uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [de vrouw] met uitsluiting van [de man] gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning en de zich daarin bevindende inboedel,
II. [de man] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de huurwoning te verlaten en deze, alsmede de zich daarin bevindende inboedel, ter vrije beschikking aan [de vrouw] te stellen en de woning zonder toestemming van [de vrouw] niet meer te betreden,
III. [de man] te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom van tenminste € 250,00 voor elke dag dan wel gedeelte van een dag dat [de man] nalaat aan de inhoud van het vonnis te voldoen tot een maximum van € 7.500,00.
IV. [de man] te veroordelen in de kosten van de procedure.




3.2.


[de vrouw] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De woning van de ouders van [de vrouw] is te klein voor drie volwassenen en een kind, waardoor de huidige situatie op de lange termijn niet houdbaar is. Zij heeft geen alternatieve woonruimte. Deze omstandigheden leiden bij [de vrouw] tot aanzienlijke stress, hetgeen een trigger vormt voor de ziekte waar zij aan lijdt, MS. Daarnaast werkt zij in [plaats 3] , waardoor zij nu met een lange reistijd wordt geconfronteerd. [de vrouw] en [kind] hebben daarom een zwaarwegend belang om – met uitsluiting van [de man] – in de huurwoning te kunnen verblijven. Het belang van [de man] weegt hier niet tegen op. Hij woont alleen en kan (tijdelijk) terugvallen op zijn sociale netwerk. Bovendien heeft hij de huur over maart, april en mei niet voldaan, waardoor het risico ontstaat dat de huurovereenkomst wordt beëindigd. [de vrouw] heeft hierdoor zelf een betalingsregeling met de verhuurder moeten treffen.




3.3.


[de man] voert het volgende verweer.
Hij wenst het gebruik van de huurwoning te behouden, omdat hij geen sociaal netwerk heeft waarop hij kan terugvallen. Zo weigert zijn moeder hem onderdak te verlenen, onder meer vanwege zijn hond. Ook de relatie met zijn vader is, mede door diens alcoholproblematiek, dusdanig verstoord dat verblijf bij hem geen reële optie is. Daarnaast vindt hij het van belang dat hij in de woning kan blijven in verband met de zorgregeling voor [kind] . [kind] verblijft momenteel één keer per twee weken op zaterdag en zondag bij hem. Zonder eigen woning wordt het lastiger om deze zorgregeling voort te zetten. Het klopt dat een huurachterstand is ontstaan. Dit was het gevolg van een tijdelijk gat en een financiële tegenslag, te weten een kapotte auto. [de man] stelt echter dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om de huur structureel te voldoen. Zodra hij het exclusieve gebruik van de woning verkrijgt, zal hij alle huurbetalingen op zich nemen en zo nodig ook de verplichtingen van [de vrouw] overnemen.




3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Spoedeisend belang




4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de vrouw] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat [de vrouw] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Duidelijk is dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. Een ordemaatregel met betrekking tot het voorlopig gebruik van de woning is op zijn plaats. [de vrouw] is daarom ontvankelijk in haar vordering.



Voorlopige gebruiksrecht van de huurwoning





4.2.
Artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kent een regeling op grond waarvan een huurder/medehuurder als bedoeld in dat artikel kan vorderen dat de rechter bepaalt wie de huur zal voortzetten. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1964, NJ 2022/206) volgt dat de regeling van 7:267 lid 7 BW niet alleen van toepassing is in geval van wettelijk medehuurderschap als bedoeld in dat artikel, maar ook op contractueel medehuurderschap. Ook in dat geval kan de kantonrechter dus op vordering van een van de huurders bepalen wie de huurovereenkomst zal voortzetten en die beslissing werkt ook jegens de verhuurder.



4.3.
In onderhavige procedure staat dus de vraag centraal aan wie van partijen het exclusief gebruiksrecht van de woning toegewezen moet worden in afwachting van nog een aanhangig te maken bodemprocedure als bedoeld in artikel 7:267 lid 7 BW. De kantonrechter zal hiervoor een belangenafweging moeten maken, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het belang van [de vrouw] om voorlopig het exclusieve gebruik van de woning te hebben zwaarder weegt dan het belang van [de man] daarbij. Dit wordt als volgt toegelicht.



4.4.
Niet alleen de belangen van partijen, maar ook het belang van [kind] weegt zwaar mee bij de beoordeling van de vraag aan wie van partijen voorlopig het exclusief gebruiksrecht van de huurwoning moet worden toegekend. Niet in geschil is dat [de vrouw] grotendeels de feitelijke zorg over [kind] draagt. Het is voor de ontwikkeling van [kind] van groot belang dat voor hem sprake is van een stabiele woon- en opvoedsituatie. Aannemelijk is dat dit nu niet het geval is. [de vrouw] en [kind] wonen nu noodgedwongen bij de ouders van [de vrouw] , in een woning die (te) klein is voor drie volwassenen en een kind. Het is aannemelijk dat deze situatie tot extra stress leidt bij [de vrouw] , hetgeen haar gezondheid negatief kan beïnvloeden. Daarbij komt dat [de vrouw] momenteel een langere reistijd heeft naar haar werk. Dit alles bij elkaar kan er toe leiden dat zij minder goed in staat is om haar zorg- en opvoedingstaken uit te oefenen. [kind] en [de vrouw] zijn er dus beiden bij gebaat om terug te keren naar de huurwoning, zodat zij samen een eigen plek met voldoende ruimte en rust hebben om hun leven zelfstandig vorm te geven.



4.5.
Tegenover deze belangen van [de vrouw] en [kind] , staat het belang van [de man] bij behoud van het exclusieve gebruik van de huurwoning. Het is aannemelijk dat het voor hem niet eenvoudig is om op korte termijn vervangende woonruimte te vinden. Een ontruiming zal daarom voor [de man] en daarmee ook voor [kind] mogelijk ingrijpende gevolgen hebben. [de man] draagt nu immers twee dagen per twee weken de zorg voor [kind] , waarbij [kind] bij hem in de huurwoning verblijft. Als [de man] niet over geschikte alternatieve woonruimte kan beschikken, kan deze zorgregeling mogelijk niet op de zelfde manier worden voortgezet. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wegen deze gevolgen echter niet op tegen het belang van [de vrouw] en [kind] bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de huurwoning door [de vrouw] . [de man] verkeert in een minder kwetsbare situatie dan [de vrouw] en [kind] heeft niet zijn hoofdverblijf bij hem. Het is daarom aannemelijk dat hij makkelijker dan [de vrouw] over geschikte andere woonruimte kan beschikken. Daarbij komt dat [de man] in de afgelopen maanden een huurachterstand heeft laten ontstaan en ook ten tijde van de mondelinge behandeling de huur over juni nog niet had voldaan. Daarmee heeft [de man] het risico gecreëerd dat ontbinding van de huurovereenkomst aan de orde zou kunnen komen, hetgeen in zijn nadeel meeweegt. Een dergelijke ontbinding zou niet alleen hem, maar ook [de vrouw] en in het bijzonder [kind] ernstig hebben kunnen treffen. Ook zij waren dan immers de woning verloren. Voor wat betreft de zorgregeling, is de kantonrechter van oordeel dat partijen, eventueel met hulp van derden, in staat zullen zijn om vanuit de nieuwe situatie een passende oplossing te vinden om het frequent contact tussen [de man] en [kind] te waarborgen. Voor zover [de man] nog niet over daartoe geschikte woonruimte beschikt, kan er daarbij aan gedacht worden om de zorg tijdelijk in de huurwoning te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld op dagen dat [de vrouw] werkt en [de man] vrij is.



Conclusie en proceskosten





4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de kantonrechter dat [de vrouw] voorlopig, totdat er in de bodemprocedure is geoordeeld, het exclusieve gebruik van de huurwoning moet krijgen. Gedurende deze periode is het [de man] niet toegestaan de woning te betreden, indien hij daar geen toestemming van [de vrouw] voor heeft. De vordering wordt in zoverre toegewezen.



4.7.
De termijn waarbinnen ontruiming dient plaats te vinden, wordt bepaald op vier weken na de datum van dit vonnis, zodat [de man] wat langer dan gevorderd de tijd heeft om alternatieve woonruimte te zoeken. De tevens gevorderde dwangsom zal worden gematigd.



4.8.

[de man] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de vrouw] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de man] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [de vrouw] worden begroot op:









- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00







Totaal


€


814,00



















5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
bepaalt dat [de vrouw] voorlopig met uitsluiting van [de man] gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning en de zich daarin bevindende inboedel, totdat er in de bodemprocedure is geoordeeld;



5.2.

veroordeelt [de man] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de
woning te verlaten en deze, alsmede de zich daarin bevindende inboedel, ter
vrije beschikking aan [de vrouw] te stellen en de woning zonder toestemming van

[de vrouw] niet meer te betreden;




5.3.
veroordeelt [de man] tot betaling van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dan wel gedeelte van een dag dat hij nalaat om aan het onder 5.2. bepaalde te voldoen, met een maximum van € 5.000,00;



5.4.
veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de vrouw] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.