Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8687
2026-09-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 25/5486
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toekenning pgb voor huishoudelijke hulp. discussie over tarief en omvang.
Citeert (8)
- ECLI:NL:CRVB:2017:1803 Centrale Raad van Beroep 17-05-2017
- ECLI:NL:CRVB:2018:3836 Centrale Raad van Beroep 10-12-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2015:5015 Rechtbank Noord-Nederland 30-10-2015
- ECLI:NL:CRVB:2019:3396 Centrale Raad van Beroep 30-10-2019
- ECLI:NL:CRVB:2020:456 Centrale Raad van Beroep 26-02-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:3759 Centrale Raad van Beroep 27-11-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:467 Centrale Raad van Beroep 07-02-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:3759 Centrale Raad van Beroep 27-11-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.422 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5486 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van de aanvraag van eiseres voor een pgb voor huishoudelijke hulp voor twee uur per week tegen een tarief van € 20,99 per uur. Eiseres is het niet eens met zowel het toegekende tarief als de omvang. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van het toegekende tarief.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat er diverse gebreken kleven aan het bestreden besluit. Het college krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid om de gebreken te herstellen.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb voor huishoudelijk hulp. Het college heeft daarop bij besluit van 5 juni 2025 voor de periode van juni 2025 tot en met 31 mei 2030 huishoudelijke hulp toegekend in de vorm van een pgb voor twee uur per week met een uurtarief van € 20,99. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en namens het college is mr. M.R. Wildeboer verschenen.
2.5.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college het volgende overwogen. De hulpvraag van eiseres (en haar echtgenoot) is dat zij hulp nodig heeft bij het schoonmaken en schoonhouden van de woning. De problemen die worden ondervonden op het gebied van zelfredzaamheid is dat zij en haar echtgenoot als gevolg van fysieke gesteldheid niet meer in staat zijn om de zwaar huishoudelijke taken te kunnen verrichten. In de situatie van eiseres is geen of onvoldoende sprake van eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen die de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Gelet hierop dient het college een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) te verstrekken.
4. Het college verwijst naar het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2025 (hierna: het Besluit 2025), hoofdstuk 1, artikel 2 waarbij er voor huishoudelijke ondersteuning een maximaal pgb uurtarief staat dat gelijk is aan het uurloon dat hoort bij de hoogste periodiek van de dan geldende cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Het tarief is vanaf 1 januari 2025 vastgesteld op € 20,99 per uur.
5. Op grond van artikel 11, lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017 (hierna: de Verordening) alsmede artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo kan het college een pgb in beginsel weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan de kosten van een maatwerkvoorziening die door een gecontracteerde zorgaanbieder kan worden geleverd.
6. Verder stelt het college dat volgens de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in de Wmo en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling dat de hoogte van een pgb ook toereikend moet zijn om de geïndiceerde maatwerkvoorziening aan te kunnen schaffen bij een andere aanbieder of leverancier dan de door gemeente gecontracteerde aanbieder. Het staat eiseres vrij om het pgb te besteden bij een zorgaanbieder of leverancier naar keuze, maar dan dienen de extra kosten die deze keuze met zich meebrengt zelf gedragen te worden voor zover het pgb ontoereikend is.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres voert aan dat in de gemeentelijke regelgeving voor huishoudelijke ondersteuning, anders dan voor begeleiding, geen onderscheid wordt gemaakt tussen tarieven bij inschakeling van het sociaal netwerk en tarieven bij inschakeling van een professionele zorgaanbieder. De huishoudelijke ondersteuning aan eiseres wordt geleverd door een professionele onderneming.
8. Verder stelt eiseres dat in artikel 2.3.6 van de Wmo de keuzevrijheid voor een pgb is neergelegd. Eiseres verwijst naar een kortgedingvonnis uit 2015 waarin een uitgebreid overzicht wordt gegeven van de wetsgeschiedenis van dit artikel. De aanvaarding van een amendement op dit artikel benadrukt de gelijkwaardigheid van het pgb en de zorg in natura. De CRvB overwoog bovendien dat uit de Memorie van toelichting bij artikel 2.3.6. van de Wmo volgt dat iemand die zorg nodig heeft zoveel mogelijk ruimte hoort te krijgen om die zorg naar eigen wens in te vullen. Om die keuzevrijheid te waarborgen is een gelijkwaardige toegang tot het pgb en zorg in natura belangrijk. Slechts indien zou blijken dat de hoogte van het pgb uitgaat boven hetgeen een aanbieder van zorg in natura ontvangt, zouden die extra kosten voor rekening zijn van eiseres. Met deze jurisprudentie is niet te rijmen dat eiseres slechts een bedrag van € 20,99 per uur ontvangt in plaats van € 34,20. Voor dit bedrag kan eiseres geen zorg inkopen bij een professionele zorgaanbieder. Ze is genoodzaakt uit eigen middelen het verschil aan te vullen. Niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 11, derde lid, onder b van de verordening: de hoogte van de pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken (…). Verder bevat het vijfde lid de weigeringsgronden. Deze zijn hier niet van toepassing.
Het vierde lid vermeld dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om de diensten (…) te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat er geen ruimte is voor een gemeente om bij verordening formele zorgverleners gelijk te stellen met personen uit het sociale netwerk voor wat betreft het tarief. Het tarief voor formele zorgverleners dient te worden afgestemd op het tarief voor zorg in natura.
9. Eiseres verzoekt daarom het tarief vast te stellen op het tarief dat wordt gebruikt voor zorg in natura.
Verweer
10. In aanvulling op het bestreden besluit voert het college aan dat het bij het afwegen van de betrokken belangen in redelijkheid tot de besteden beslissing op bezwaar heeft kunnen komen.
Aanvullend beroep
Tarieven
11. Verder voert eiseres aan dat in Besluit 2025, artikel 2, de tarieven zijn gepreciseerd. Het ZIN-tarief voor huishoudelijke ondersteuning is bepaald op € 34,20. Het college kan slechts het gedeelte dat dit bedrag te boven gaat weigeren. Eiseres is voor 2025 een tarief van € 38,50 per uur verschuldigd aan haar zorgaanbieder. Het college dient hiervan dus € 34,20 te vergoeden, anders miskent het college de wettelijke systematiek. Verder heeft verweerder volgens eiseres niet aannemelijk gemaakt dat huishoudelijke ondersteuning kan worden ingekocht bij een professionele aanbieder voor € 20,99 per uur.
12. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026 (hierna: het Besluit 2026) wordt wel een onderscheid gemaakt tussen een pgb met inzet van het sociaal netwerk en een pgb in te kopen bij een professionele aanbieder. In het zesde lid is het ZIN tarief bepaald op € 43,20 en het pgb tarief op € 32,40 per uur. Kennelijk wordt bij een pgb 75% van het ZIN tarief vergoed. De in het besluit 2026 aangebracht differentiatie in de tarieven is niet ontleend aan de Verordening. Eiseres verwijst naar ECLI:NL:CRVB:2017:1803, waarin de Raad overwoog dat de tariefdifferentiatie niet kan worden gedelegeerd aan het college en in de Verordening moet zijn opgenomen. Eiseres verzoekt de rechtbank het tarief voor 2025 te bepalen op het ZIN tarief van € 34,20 en voor 2026 op het ZIN tarief van maximaal € 43,20.
Uren
13. Eiseres komt in aanmerking voor de basismodule van 104,9 per jaar. Verweerder heeft echter ten onrechte daarop een aftrek toegepast van 19 uur per jaar / 22 minuten per week wegens eigen kracht van eiseres. In een aftrek van tijd op de basismodule voorziet het Utrechtse onderzoek niet. Dit is een toevoeging ontleend aan eigen beleidsinzichten van het college. Eiseres verwijst naar rechtsoverweging 4.4.2. van ECLI:NL:CRVB:2018:3836. Daarnaast wordt op pagina 26 van het Utrechtse rapport uiteengezet dat factoren die de schoonmaaktijd beïnvloeden geen rol spelen in de kwantitatieve bepaling van de urennorm. Er wordt vanuit gegaan dat factoren die maken dat meer of minder tijd benodigd is elkaar (gedeeltelijk) compenseren. In het geval van eiseres speelt dit enerzijds voor de eigen inzet en anderzijds voor de grootte van de woning, waarbij drie extra slaapkamers incidenteel moeten worden schoongehouden. Op basis van bovenstaande is er dus onterecht een korting toegepast. Het gaat hierbij namelijk om een verwaarloosbare afwijking in de terminologie van de CRvB in de uitspraak uit 2018. Verder stelt eiseres dat de verouderde Utrechtse beleidsregels inzake extra tijd op grond van module 1 niet zijn ontleend aan onafhankelijk en objectief onderzoek, zoals de CRvB verlangt.
14. Het college heeft bovendien in zowel het onderzoeksverslag als in het primaire besluit niet toegelicht hoe het aantal toegekende uren is opgebouwd. In het besluit is niet vermeld aan welk normenkader de berekening van de extra tijd is ontleend.
15. Het college heeft bij de basismodule de Utrechtse normering dus niet volledig gevolgd, eigen normen toegepast en voor de aanvullende tijd geen objectieve normering toegepast. Indien in uren wordt geïndiceerd, dient dit te gebeuren aan de hand van een normenkader dat is gebaseerd op objectief en onafhankelijk onderzoek. Als dit ontbreekt, moet volgens de CRvB worden teruggevallen op het CIZ protocol. Op grond van dit protocol kan de indicatie worden gesteld op 3 uur hulp voor zware huishoudelijke werkzaamheden bij een echtpaar, te vermeerderen met 1 uur extra vanwege schoonmaakwerkzaamheden als gevolg van beperkingen van de echtgenoot. Totaal 4 uur per week.
Het tarief voor 2025
16. Ter zitting heeft het college toegezegd dat zij voor het jaar 2025 alsnog aan zal sluiten bij het tarief voor zorg in natura uit het Besluit 2025 van € 34,20. Het college gaat dit in een nieuw besluit vastleggen. Partijen behoeven daarom in deze kwestie geen oordeel meer van de rechtbank.
Het tarief voor 2026
17. Het (aanvankelijk) voor 2025 toegekende tarief van € 20,99 is voor het jaar 2026 ongewijzigd gebleven. Er heeft dus geen indexering plaatsgevonden en evenmin een
verhoging als gevolg van de gewijzigde tarieven/tariefstructuur in het Besluit 2026.
18. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor 2026 ten minste het tarief van € 32,40 zou moeten worden toegekend, zijnde het “Max Pgb tarief” voor huishoudelijke hulp die niet door het sociaal netwerk wordt geleverd (‘regel’ a. van het zesde lid van artikel 2 Besluit 2026). Partijen verschillen echter van mening over de vraag of bij dat tarief moet worden aangesloten, zijnde 75%, of dat moet worden aangesloten bij het volledige tarief voor zorg in natura voor 2026 van € 43,20. Meer specifiek is de vraag of in dit geval een korting van 25% gerechtvaardigd is.
19. Ter zitting is besproken dat het niet ongebruikelijk is dat er een bepaalde korting wordt toegepast voor kleine zorgaanbieders die minder overheadkosten hebben. Echter, de rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de korting in algemene zin 25% zou moeten bedragen en of in dit concrete geval een korting gerechtvaardigd is. Om die reden bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Voorts is van belang dat het college ter zitting heeft verklaard dat er op dat moment een nieuwe verordening in de maak was, als opvolger van de (huidige) Verordening, die mogelijk al op 1 juli 2026 in werking zou treden.
Omvang uren
20. De CRvB heeft in de uitspraken van 10 december 2018, kort gezegd, geoordeeld dat het KPMG-rapport Utrecht als onafhankelijk, objectief en deugdelijk kan worden aangemerkt. Het college mag zich op dit rapport baseren en zich aansluiten bij de basisnorm van 104,9 uur per jaar.
21. Het KPMG-rapport vermeldt dat is gezien dat sommige cliënten wisselende ondersteuningsbehoeften hebben, omdat zij zelf nog werkzaamheden kunnen uitvoeren of ondersteuning hebben vanuit hun netwerk. Volgens de CRvB moet ervan worden uitgegaan dat dit geen afbreuk doet aan de urennorm. De urennorm gaat immers uit van gemiddelden, waarbij schoonmaakactiviteiten die door cliënten zelf of door hun netwerk zijn verricht niet in de urennorm worden betrokken. In beginsel is er dus geen ruimte om een korting toe te passen, zoals het college wel heeft gedaan.
22. Vervolgens worden door het college extra uren toegekend (waarmee per saldo alsnog uitgekomen wordt op de basisnorm). Het is echter waarop het college de omvang van de extra uren heeft gebaseerd. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het college op redelijke wijze de extra tijd heeft vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
23. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit lijdt aan motiveringsgebreken.
24. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen.
25. Meer concreet dient het college met betrekking tot het tarief van 2026 een nadere motivering te geven waarom de korting in algemene zin 25% bedraagt en of in dit concrete geval een korting gerechtvaardigd is. Ook dient het college daarbij te betrekking hoe zich dit verhoudt tot de Verordening en de eventueel inmiddels nieuw vastgestelde c.q. nog vast te stellen verordening. Ten slotte dient het college nader te motiveren waarop de omvang van de extra uren is gebaseerd.
26. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze uitspraak. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
27. Als het college gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.
28. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5015.
Zie de uitspraak van de CRvB van 30 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3396.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:456.
Zie de uitspraak van de CRvB van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3759.
Zie ook de uitspraken van de CRvB van 7 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:467 en van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3759.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5486 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van de aanvraag van eiseres voor een pgb voor huishoudelijke hulp voor twee uur per week tegen een tarief van € 20,99 per uur. Eiseres is het niet eens met zowel het toegekende tarief als de omvang. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van het toegekende tarief.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat er diverse gebreken kleven aan het bestreden besluit. Het college krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid om de gebreken te herstellen.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb voor huishoudelijk hulp. Het college heeft daarop bij besluit van 5 juni 2025 voor de periode van juni 2025 tot en met 31 mei 2030 huishoudelijke hulp toegekend in de vorm van een pgb voor twee uur per week met een uurtarief van € 20,99. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en namens het college is mr. M.R. Wildeboer verschenen.
2.5.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit heeft het college het volgende overwogen. De hulpvraag van eiseres (en haar echtgenoot) is dat zij hulp nodig heeft bij het schoonmaken en schoonhouden van de woning. De problemen die worden ondervonden op het gebied van zelfredzaamheid is dat zij en haar echtgenoot als gevolg van fysieke gesteldheid niet meer in staat zijn om de zwaar huishoudelijke taken te kunnen verrichten. In de situatie van eiseres is geen of onvoldoende sprake van eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen die de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Gelet hierop dient het college een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) te verstrekken.
4. Het college verwijst naar het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2025 (hierna: het Besluit 2025), hoofdstuk 1, artikel 2 waarbij er voor huishoudelijke ondersteuning een maximaal pgb uurtarief staat dat gelijk is aan het uurloon dat hoort bij de hoogste periodiek van de dan geldende cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Het tarief is vanaf 1 januari 2025 vastgesteld op € 20,99 per uur.
5. Op grond van artikel 11, lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017 (hierna: de Verordening) alsmede artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo kan het college een pgb in beginsel weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan de kosten van een maatwerkvoorziening die door een gecontracteerde zorgaanbieder kan worden geleverd.
6. Verder stelt het college dat volgens de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in de Wmo en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling dat de hoogte van een pgb ook toereikend moet zijn om de geïndiceerde maatwerkvoorziening aan te kunnen schaffen bij een andere aanbieder of leverancier dan de door gemeente gecontracteerde aanbieder. Het staat eiseres vrij om het pgb te besteden bij een zorgaanbieder of leverancier naar keuze, maar dan dienen de extra kosten die deze keuze met zich meebrengt zelf gedragen te worden voor zover het pgb ontoereikend is.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres voert aan dat in de gemeentelijke regelgeving voor huishoudelijke ondersteuning, anders dan voor begeleiding, geen onderscheid wordt gemaakt tussen tarieven bij inschakeling van het sociaal netwerk en tarieven bij inschakeling van een professionele zorgaanbieder. De huishoudelijke ondersteuning aan eiseres wordt geleverd door een professionele onderneming.
8. Verder stelt eiseres dat in artikel 2.3.6 van de Wmo de keuzevrijheid voor een pgb is neergelegd. Eiseres verwijst naar een kortgedingvonnis uit 2015 waarin een uitgebreid overzicht wordt gegeven van de wetsgeschiedenis van dit artikel. De aanvaarding van een amendement op dit artikel benadrukt de gelijkwaardigheid van het pgb en de zorg in natura. De CRvB overwoog bovendien dat uit de Memorie van toelichting bij artikel 2.3.6. van de Wmo volgt dat iemand die zorg nodig heeft zoveel mogelijk ruimte hoort te krijgen om die zorg naar eigen wens in te vullen. Om die keuzevrijheid te waarborgen is een gelijkwaardige toegang tot het pgb en zorg in natura belangrijk. Slechts indien zou blijken dat de hoogte van het pgb uitgaat boven hetgeen een aanbieder van zorg in natura ontvangt, zouden die extra kosten voor rekening zijn van eiseres. Met deze jurisprudentie is niet te rijmen dat eiseres slechts een bedrag van € 20,99 per uur ontvangt in plaats van € 34,20. Voor dit bedrag kan eiseres geen zorg inkopen bij een professionele zorgaanbieder. Ze is genoodzaakt uit eigen middelen het verschil aan te vullen. Niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 11, derde lid, onder b van de verordening: de hoogte van de pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken (…). Verder bevat het vijfde lid de weigeringsgronden. Deze zijn hier niet van toepassing.
Het vierde lid vermeld dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om de diensten (…) te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat er geen ruimte is voor een gemeente om bij verordening formele zorgverleners gelijk te stellen met personen uit het sociale netwerk voor wat betreft het tarief. Het tarief voor formele zorgverleners dient te worden afgestemd op het tarief voor zorg in natura.
9. Eiseres verzoekt daarom het tarief vast te stellen op het tarief dat wordt gebruikt voor zorg in natura.
Verweer
10. In aanvulling op het bestreden besluit voert het college aan dat het bij het afwegen van de betrokken belangen in redelijkheid tot de besteden beslissing op bezwaar heeft kunnen komen.
Aanvullend beroep
Tarieven
11. Verder voert eiseres aan dat in Besluit 2025, artikel 2, de tarieven zijn gepreciseerd. Het ZIN-tarief voor huishoudelijke ondersteuning is bepaald op € 34,20. Het college kan slechts het gedeelte dat dit bedrag te boven gaat weigeren. Eiseres is voor 2025 een tarief van € 38,50 per uur verschuldigd aan haar zorgaanbieder. Het college dient hiervan dus € 34,20 te vergoeden, anders miskent het college de wettelijke systematiek. Verder heeft verweerder volgens eiseres niet aannemelijk gemaakt dat huishoudelijke ondersteuning kan worden ingekocht bij een professionele aanbieder voor € 20,99 per uur.
12. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026 (hierna: het Besluit 2026) wordt wel een onderscheid gemaakt tussen een pgb met inzet van het sociaal netwerk en een pgb in te kopen bij een professionele aanbieder. In het zesde lid is het ZIN tarief bepaald op € 43,20 en het pgb tarief op € 32,40 per uur. Kennelijk wordt bij een pgb 75% van het ZIN tarief vergoed. De in het besluit 2026 aangebracht differentiatie in de tarieven is niet ontleend aan de Verordening. Eiseres verwijst naar ECLI:NL:CRVB:2017:1803, waarin de Raad overwoog dat de tariefdifferentiatie niet kan worden gedelegeerd aan het college en in de Verordening moet zijn opgenomen. Eiseres verzoekt de rechtbank het tarief voor 2025 te bepalen op het ZIN tarief van € 34,20 en voor 2026 op het ZIN tarief van maximaal € 43,20.
Uren
13. Eiseres komt in aanmerking voor de basismodule van 104,9 per jaar. Verweerder heeft echter ten onrechte daarop een aftrek toegepast van 19 uur per jaar / 22 minuten per week wegens eigen kracht van eiseres. In een aftrek van tijd op de basismodule voorziet het Utrechtse onderzoek niet. Dit is een toevoeging ontleend aan eigen beleidsinzichten van het college. Eiseres verwijst naar rechtsoverweging 4.4.2. van ECLI:NL:CRVB:2018:3836. Daarnaast wordt op pagina 26 van het Utrechtse rapport uiteengezet dat factoren die de schoonmaaktijd beïnvloeden geen rol spelen in de kwantitatieve bepaling van de urennorm. Er wordt vanuit gegaan dat factoren die maken dat meer of minder tijd benodigd is elkaar (gedeeltelijk) compenseren. In het geval van eiseres speelt dit enerzijds voor de eigen inzet en anderzijds voor de grootte van de woning, waarbij drie extra slaapkamers incidenteel moeten worden schoongehouden. Op basis van bovenstaande is er dus onterecht een korting toegepast. Het gaat hierbij namelijk om een verwaarloosbare afwijking in de terminologie van de CRvB in de uitspraak uit 2018. Verder stelt eiseres dat de verouderde Utrechtse beleidsregels inzake extra tijd op grond van module 1 niet zijn ontleend aan onafhankelijk en objectief onderzoek, zoals de CRvB verlangt.
14. Het college heeft bovendien in zowel het onderzoeksverslag als in het primaire besluit niet toegelicht hoe het aantal toegekende uren is opgebouwd. In het besluit is niet vermeld aan welk normenkader de berekening van de extra tijd is ontleend.
15. Het college heeft bij de basismodule de Utrechtse normering dus niet volledig gevolgd, eigen normen toegepast en voor de aanvullende tijd geen objectieve normering toegepast. Indien in uren wordt geïndiceerd, dient dit te gebeuren aan de hand van een normenkader dat is gebaseerd op objectief en onafhankelijk onderzoek. Als dit ontbreekt, moet volgens de CRvB worden teruggevallen op het CIZ protocol. Op grond van dit protocol kan de indicatie worden gesteld op 3 uur hulp voor zware huishoudelijke werkzaamheden bij een echtpaar, te vermeerderen met 1 uur extra vanwege schoonmaakwerkzaamheden als gevolg van beperkingen van de echtgenoot. Totaal 4 uur per week.
Het tarief voor 2025
16. Ter zitting heeft het college toegezegd dat zij voor het jaar 2025 alsnog aan zal sluiten bij het tarief voor zorg in natura uit het Besluit 2025 van € 34,20. Het college gaat dit in een nieuw besluit vastleggen. Partijen behoeven daarom in deze kwestie geen oordeel meer van de rechtbank.
Het tarief voor 2026
17. Het (aanvankelijk) voor 2025 toegekende tarief van € 20,99 is voor het jaar 2026 ongewijzigd gebleven. Er heeft dus geen indexering plaatsgevonden en evenmin een
verhoging als gevolg van de gewijzigde tarieven/tariefstructuur in het Besluit 2026.
18. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor 2026 ten minste het tarief van € 32,40 zou moeten worden toegekend, zijnde het “Max Pgb tarief” voor huishoudelijke hulp die niet door het sociaal netwerk wordt geleverd (‘regel’ a. van het zesde lid van artikel 2 Besluit 2026). Partijen verschillen echter van mening over de vraag of bij dat tarief moet worden aangesloten, zijnde 75%, of dat moet worden aangesloten bij het volledige tarief voor zorg in natura voor 2026 van € 43,20. Meer specifiek is de vraag of in dit geval een korting van 25% gerechtvaardigd is.
19. Ter zitting is besproken dat het niet ongebruikelijk is dat er een bepaalde korting wordt toegepast voor kleine zorgaanbieders die minder overheadkosten hebben. Echter, de rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de korting in algemene zin 25% zou moeten bedragen en of in dit concrete geval een korting gerechtvaardigd is. Om die reden bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Voorts is van belang dat het college ter zitting heeft verklaard dat er op dat moment een nieuwe verordening in de maak was, als opvolger van de (huidige) Verordening, die mogelijk al op 1 juli 2026 in werking zou treden.
Omvang uren
20. De CRvB heeft in de uitspraken van 10 december 2018, kort gezegd, geoordeeld dat het KPMG-rapport Utrecht als onafhankelijk, objectief en deugdelijk kan worden aangemerkt. Het college mag zich op dit rapport baseren en zich aansluiten bij de basisnorm van 104,9 uur per jaar.
21. Het KPMG-rapport vermeldt dat is gezien dat sommige cliënten wisselende ondersteuningsbehoeften hebben, omdat zij zelf nog werkzaamheden kunnen uitvoeren of ondersteuning hebben vanuit hun netwerk. Volgens de CRvB moet ervan worden uitgegaan dat dit geen afbreuk doet aan de urennorm. De urennorm gaat immers uit van gemiddelden, waarbij schoonmaakactiviteiten die door cliënten zelf of door hun netwerk zijn verricht niet in de urennorm worden betrokken. In beginsel is er dus geen ruimte om een korting toe te passen, zoals het college wel heeft gedaan.
22. Vervolgens worden door het college extra uren toegekend (waarmee per saldo alsnog uitgekomen wordt op de basisnorm). Het is echter waarop het college de omvang van de extra uren heeft gebaseerd. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het college op redelijke wijze de extra tijd heeft vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
23. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit lijdt aan motiveringsgebreken.
24. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen.
25. Meer concreet dient het college met betrekking tot het tarief van 2026 een nadere motivering te geven waarom de korting in algemene zin 25% bedraagt en of in dit concrete geval een korting gerechtvaardigd is. Ook dient het college daarbij te betrekking hoe zich dit verhoudt tot de Verordening en de eventueel inmiddels nieuw vastgestelde c.q. nog vast te stellen verordening. Ten slotte dient het college nader te motiveren waarop de omvang van de extra uren is gebaseerd.
26. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze uitspraak. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
27. Als het college gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college.
28. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5015.
Zie de uitspraak van de CRvB van 30 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3396.
Zie de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:456.
Zie de uitspraak van de CRvB van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3759.
Zie ook de uitspraken van de CRvB van 7 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:467 en van 27 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3759.