Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8685

2026-05-13 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/02/435159 / HA ZA 25-274 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/02/435159 / HA ZA 25-274 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door eiser gestelde schade.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (40.020 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: C/02/435159 / HA ZA 25-274




Vonnis van 13 mei 2026




in de zaak van





1 [eiser] ,

2. [eiseres],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] en [eiseres] ,
samen aangeduid als: [eisers] ,
advocaat: mr. M.P.M. Riep,



tegen



de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TILBURG,
zetelend te Tilburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. I.C. Nijenhuis.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 10 september 2025 en de daarin genoemde stukken,


de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier


aantekeningen zijn gemaakt,


de spreekaantekeningen van mr. M.P.M. Riep, zoals deze zijn overgelegd


en voorgedragen op de mondelinge behandeling,


de spreekaantekeningen van mr. I.C. Nijenhuis, zoals deze zijn overgelegd


en voorgedragen op de mondelinge behandeling,


de berichten van partijen (na aanhouding) waarin zij de rechtbank verzocht hebben om vonnis te wijzen.





1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank besloten vonnis te wijzen.





2De feiten


2.1.

[eisers] zijn sinds 2019 eigenaar van het pand, met monumentale voorgevel, gelegen aan het [adres] (hierna: het pand).



2.2.

[eisers] willen van het pand een appartementencomplex maken met vijf appartementen voor de verhuur. [eisers] hebben daarvoor [bedrijf] (hierna: de architect) ingeschakeld voor het maken van een schetsontwerp. In het ontwerp is een extra bouwlaag (opbouw) toegevoegd aan het pand.



2.3.
Op 12 februari 2020 heeft de architect het ontwerp als adviesverzoek ingediend bij de gemeente. Omdat de gevel van het pand monumentale waarde heeft, moest de gemeente toetsen of het belang van de monumentenzorg zich tegen de aangevraagde wijziging van het pand verzet. In dat kader is het ontwerp voorgelegd aan de gemeentelijke Omgevingscommissie (hierna: de commissie) die op grond van de destijds geldende Monumentenverordening de taak had de gemeente daarover te adviseren.



2.4.
Op 31 augustus 2020 heeft de gemeente een antwoord op het adviesverzoek naar de architect verzonden. Daaruit volgt dat de commissie het volgende advies heeft uitgebracht:



“De commissie acht de herontwikkeling van het gebouw en de komst van een gedeeltelijke extra bouwlaag denkbaar mits deze volledig los staat van de voorgevel en zo laag mogelijk wordt uitgevoerd. De commissie adviseert daarbij



- de opbouw nog wat verder naar achter te plaatsen,


- de voorgevel autonoom intact te laten. Dat betekent dat voor de balustrade een alternatieve


oplossing moet worden gevonden (niet integreren c.q. vervlechten),


- de hoogte te reduceren en de dakrand zo slank als mogelijk te detailleren,


- de schaalsprong die optreedt in de verticale vensters te verzachten door een tussenkalf aan te


brengen (verfijning, verschaling),


- uitspraak te doen over het gebruik van het terras aan de voorzijde (toegevoegde objecten zijn niet


gewenst)




De commissie ziet de verdere uitwerking tegemoet.”





2.5.

[eisers] hebben op basis van het advies van de commissie het ontwerp laten aanpassen en op 30 maart 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente.



2.6.
Bij ontwerpbesluit van 8 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) kenbaar gemaakt voornemens te zijn de omgevingsvergunning te verlenen. In dit ontwerpbesluit is het advies van de commissie over het aangevraagde bouwplan als volgt opgenomen:



“In navolging op het eerdere advies brengt de commissie een positief advies uit.


De commissie acht de herontwikkeling van het gebouw en de komst een gedeeltelijke extra bouwlaag denkbaar nu deze volledig los staat van de voorgevel. Het betreft hier een bijzondere voorgevel met een sterke frontwerking (façade). Door de nieuwe toevoeging abstract vorm te geven ontstaat een voldoende spannend en passend samenspel.





Alles afwegende is het plan voorstelbaar. Het ontwerp is zorgvuldig. De commissie heeft de vereiste woninggrootte meegewogen in haar advies (wat verder naar achter had de voorkeur van de commissie gehad, maar hierdoor zou de woninggrootte onder druk kunnen komen te staan).





De commissie stelt de voorwaarde dat het totaalbeeld inclusief kleurnummers nog ter beoordeling wordt voorgelegd. De opbouw zou in haar beleving niet té koel en niet té donker moeten zijn. De kleur moet gekozen worden in relatie tot de kleuren in de bestaande gevel. Hierin moet harmonie zijn.


Dit is een kwetsbaar onderdeel.”





2.7.
Het ontwerpbesluit heeft van 13 december 2024 tot 24 januari 2021 ter inzage gelegen. Tegen het besluit zijn zienswijzen ingediend door erfgoedvereniging Heemkundekring Tilburg en een bewoner van een naastgelegen pand. Kern van deze zienswijzen is dat het toestaan van een extra bouwlaag naar de mening van de indieners zou leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van het pand.



2.8.
Per e-mail van 17 mei 2022 berichtte gemeenteambtenaar de heer [persoon 1] , die de vergunningsaanvraag behandelde, de architect dat de commissie naar aanleiding van de zienswijzen voornemens was haar advies aan te passen. Dit zou betekenen dat de vergunning geweigerd moest worden. Om dat te voorkomen werden [eisers] eerst in de gelegenheid gesteld om het ontwerp aan te passen. De heer [persoon 1] schreef in dat kader:



“Wel wil de commissie nog een laatste maal aan jou vragen of er niet toch nog een mogelijkheid is om iets aan te passen.


Want of het nu een weigering of een vergunning wordt er zal in de huidige situatie altijd een juridische procedure gevoerd moeten gaan worden.


Dat koste tijd en dus geld van alle partijen. Dit voorkomen heeft waarschijnlijk ieders voorkeur.





Uiteraard is een overleg met de Omgevingscommissie mogelijk (en evt. met de stedenbouwkundige).


In eerste instantie geeft de commissie het volgende aan:





Ik denk dat als de opbouw iets verder terug valt, de buitenruimte achterwege wordt gelaten (of naar de achterkant verplaatst), de opbouw niet hoger wordt dan strikt noodzakelijk (bouwbesluit bestaand niveau) en studie naar kleur.


Ik hoop dat we dan, met het nieuwe ontwerp EN de zienswijzen, alsnog een positief advies van de OC kunnen krijgen.





Met een aanpassing en een nieuw positief advies van OC is onderbouwing bij een bezwaarprocedure beter te leveren.”





2.9.
Per e-mail van 20 mei 2022 berichtte de architect de heer [persoon 1] , onder meer, dat [eisers] openstaan voor een gesprek met de commissie en de stedenbouwkundige.



2.10.
In de daaropvolgende periode heeft er (telefonisch) overleg plaatsgevonden tussen de secretaris van de commissie, de heer [persoon 2] , en de architect over de punten waarop het ontwerp zou moeten worden aangepast.



2.11.
Per e-mail van 29 juni 2022 berichtte de heer [persoon 1] de architect:



“De wijzigingen die je hebt doorgesproken met [persoon 2] kunnen doorgevoerd worden.


Ik heb samen met een juridisch medewerker hiernaar gekeken en wij hebben voldoende vertrouwen dat we deze wijzigingen kunnen meenemen in het definitieve besluit.


De wijzigingen zullen dan deels mogelijk gemaakt worden met een kruimelgeval (vooral vanwege de appartementen kleiner dan 50m2 ).





Uiteraard zal ik de wijzigingen nog bespreken met de indieners van de zienswijzen en met de wethouder maar dat doe ik nadat deze zijn doorgevoerd en zijn voorzien van nieuw advies.”





2.12.
Per e-mail van 19 juli 2022 (10:11 uur) berichtte de architect de heren [persoon 2] en [persoon 1] – voor zover van belang – als volgt:



“De voorstellen die we besproken hebben om [adres] aan te passen naar aanleiding van de zienswijzen, zijn als volgt:

1. Opbouw verder terugleggen, zodat appartementen maximaal 49 m2 GO groot worden.
2. Opbouw verlagen tot maximaal een netto verdiepingshoogte 2,4 meter.
3. Opbouw anders materialiseren dan oorspronkelijk hoofdgebouw.
4. Geen dakterras aan voorzijde, maar een gemeenschappelijke tuin aan achterzijde, want:

a. Balustrade niet wenselijk bij monumentale gevel.


b. Het gebruik van een dakterras (parasols, tuinmeubilair, etc.) niet wenselijk


bovenop een monumentale gevel.





We hebben de voorstellen voorgelegd aan onze opdrachtgever. Hij ziet mogelijkheden in de eerste 3 punten, maar voor hem is een buitenruimte direct aan de woning een absolute eis. Zowel voor het wooncomfort als het onderhoud van de gevel.





Hij wil daarom eerst in gesprek met de gemeente over deze situatie, voordat het plan wordt aangepast.”





2.13.
In reactie hierop schreef de heer [persoon 2] diezelfde dag (19 juli 2022, 10:22 uur) per e-mail– voor zover van belang – het volgende aan de architect:



“Verder ontraad ik het om punt 4 niet aan te passen.


Dat is nu juist de sleutel is om er uit te komen en vergunning te kunnen gaan verlenen.


Bezwaren zullen we vermoedelijk toch wel krijgen, maar met zoveel mogelijk rust in de bovenbouw hebben we in ieder geval de commissie kunnen overtuigen dat de balans monument/toevoeging nog verdedigbaar is.


De commissie is het dus in beginsel eens met de zienswijzen, maar met een aanpassing op genoemde punten acht de commissie het ontwerp wel te legitimeren.”





2.14.
Bij e-mail van eveneens 19 juli 2022 (10:41 uur) reageerde [eiser] hierop met het verzoek wanneer het mogelijk is om een afspraak te maken om de casus te bespreken. Hierop antwoordde [persoon 2] op 19 juli 2022 om 11:20 uur als volgt:


“Dat weet ik niet en het is dan ook de vraag wat dat moet gaan opleveren.

Ik heb daar zelf in ieder geval geen rol in.


We hebben zo ver mogelijk meegedacht om tot een invulling te komen waarin zoveel mogelijk belangen er nog zo goed mogelijk uitkomen.

Rekening houdende met bestemmingsplan, de zienswijze, de opvatting van het bestuur en allerlei beleidsvelden.


Voor de commissie is het een heus dilemma tussen liever geen opbouw zien en een toevoeging accepteren die verder zo terughoudend en rustig mogelijk wordt vormgegeven.


Bij voorkeur nog verder terug naar achteren (maar dan is er maar 1 appartement mogelijk op de bovenste etage).


Binnen dit dilemma is het aanpassingsvoorstel als nog ‘net verdedigbaar’ gezien.


Het is verder aan u als opdrachtgever en aan de ontwerpers.”





2.15.
Op 20 juli 2022 antwoordde [eiser] hier als volgt op:


“Bedankt voor de mail, het telefoongesprek en uitgebreide toelichting. Laten we maar gaan dan voor de 2 appartementen van net geen 50m2 en dan wel schuifpuien aan de voorzijde, en dan in eerste instantie zonder officiële dakterrassen aan de voorzijde. Hopelijk kunnen we dit realiseren.”




2.16.

[eisers] hebben vervolgens het ontwerp laten aanpassen.



2.17.
Op 14 november 2022 heeft de architect het aangepaste ontwerp ingediend bij de commissie. De commissie zag naar aanleiding daarvan geen reden tot herziening van haar advies. Het (interne) adviesmemo van de commissie luidt – voor zover van belang – als volgt:



“Het gepresenteerde plan kan ook in de aangepaste vorm niet overtuigen in het oproepen van een harmonieus beeld met de voorgevel en de zijgevels. De opbouw is daarvoor te dominant aanwezig, zal prominent in het zicht liggen vanaf het [locatie] en een negatief visueel effect hebben op de beleving van de beschermde en cultuurhistorische waardevolle bebouwing van de noordwestelijke gevelwand van het [locatie] . De commissie is nog steeds van mening dat een opbouw in de vorm van een architectonische verbijzondering mogelijk moet zijn maar deze moet dan kwalitatief hoogwaardig worden vormgegeven en in massa en vormentaal ondergeschikt zijn aan de voorgevel van het monument en de flankerende bebouwing.”




De tekst van het advies is per e-mail van 30 november 2022 naar de architect verzonden.




2.18.
Naar aanleiding van het negatieve advies van de commissie is er opnieuw overleg gevoerd tussen de heer [persoon 1] en de architect, onder andere tijdens een telefoongesprek op 8 februari 2023. De inhoud daarvan heeft de heer [persoon 1] neergelegd in een e-mail aan de architect van later die dag. Deze luidt als volgt:



“Het is een bijzondere zaak het komt eigenlijk nooit voor dat een advies van een omgevingscommissie zodanig aangepast wordt zo laat in de besluitvorming.


Het is zoals jij ook aangaf voornamelijk n.a.v. de zienswijze van de heemkundekring.





Er is nu een soort van impasse ontstaan, ik kan niet vergunnen, maar ook eigenlijk niet weigeren.


Hierdoor weet jouw opdrachtgever niet waar hij aan toe is en jij dus ook niet.





Na overleg met de omgevingscommissie en met juridische zaken zie ik eigenlijk 2 opties:

1. Jouw aanvrager trekt de aanvraag in omdat hij er klaar mee is. Ik zal dan geen leges in rekening brengen.
2. We gaan voor een laatste poging. Er zal dan nog een aanpassing moeten komen, deze kunnen we vooraf bespreken met stedenbouw en de omgevingscommissie. Let op als dit tot een vergunning komt is de kans groot dat de heemkundekring als nog beroep instelt en door gaat tot de raad van state.




Los van welke optie ook kun je altijd de gemeente aansprakelijk stellen voor geleden schade, of daadwerkelijk schade vergoed kan/gaat worden is door mij vooraf niet in te schatten.”





2.19.
Per e-mail van 3 maart 2023 schreef de heer [persoon 1] het volgende aan de architect:



“ [naam 1] en [naam 2] hebben met elkaar overlegt om te bekijken hoe we dit nu het beste in het vat kunnen gieten.


Enerzijds om jou niet de hele tijd met werk op te zadelen waar niemand feitelijk iets aan heeft.


Anderzijds hoe ze dit kunnen laten landen bij de voltallige commissie.





Het blijft lastig te bepalen wat er eerst moet gebeuren omdat het één nu eenmaal invloed gaat hebben op het ander.





Idee nu is:


Ik plan iets in met jou, [naam 1] , collega van Ruimte en een bestemmingsplantoetser.−> nog zonder de voltallige commissie en zonder jouw opdrachtgever.


Samen bekijken we wat er mogelijk is op het dak en evt. wat voor alternatieven er zijn.


Op die manier heb jij alle mogelijkheden duidelijk en kan je die meenemen naar jouw opdrachtgever.


Als hij het plan op die wijze zou willen voortzetten dan zorgen [naam 2] en [naam 1] voor bespreken in de voltallige commissie.





Wat daar de uitkomst van gaat worden is natuurlijk nooit te voorspellen, maar afhankelijk van het plan kunnen we dat misschien wel redelijk inschatten.”





2.20.
Op 21 maart 2023 vond er een overleg plaats, waarbij de architect en de heer [persoon 1] , een beleidsmedewerker stedelijke ontwikkeling en een stedenbouwkundige namens de gemeente aanwezig waren. Tijdens dat overleg zijn de verschillende mogelijkheden besproken, waaronder de mogelijkheid van extra bebouwing aan de achterzijde van het pand. Naar aanleiding van dit overleg hebben [eisers] een gebiedsanalyse en vier nieuwe ontwerpen laten maken. Deze variantenstudie is door de architect op 15 juni 2023 ingediend bij de gemeente.



2.21.
Per e-mail van 8 september 2023 bericht de heer [persoon 1] de architect – voor zover van belang – als volgt:



“Jouw concepten zijn allereerst besproken in de omgevingscommissie. Met het idee als we er daar uitkomen dan komen we er stedenbouwkundig waarschijnlijk ook wel uit.


De commissie heeft door jouw concepten een goed beeld gekregen, maar wel het beeld dat een opbouw op deze locatie het nooit zal worden.





Het officiële advies:


In eerste instantie is de commissie ervan uitgegaan dat een lantaarnachtig object als opbouw zoals werd voorgesteld mogelijk zou moeten zijn. De gemeente had eerder aangegeven dat dit stedenbouwkundig bespreekbaar was.


Naar aanleiding van de ingediende bezwaren over de effecten van de opbouw op het monument en de direct omgeving heeft de commissie dat advies heroverwogen en bijgesteld, nog steeds in de veronderstelling dat een opbouw maar dan bescheidener in omvang en vormentaal en verder terugliggend van de voorgevel ten opzichte van het eerste voorstel hier een realistische mogelijkheid zou zijn. De architect is verzocht verschillende scenario’s voor een opbouw uit te werken.





In een uitgebreide en zorgvuldige analyse heeft de architect met vier varianten aangegeven hoe een opbouw gemaakt zou kunnen worden en vraagt de commissie of een van deze varianten bespreekbaar is.





De commissie complimenteert de architect voor de grondige aanpak en analyse van de kwaliteiten van de omgeving en van het pand zelf.


De analyse maakt echter duidelijk dat er op deze plek eigenlijk geen overtuigend ruimtelijk scenario denkbaar is voor het maken van een opbouw waarbij zowel de bijzondere karakteristiek van de gevelwand als de monumentwaarde van de voorgevel op een harmonieuze wijze intact kunnen blijven.


De commissie is zich bewust van de spagaat. Zonder extra programma kan het pand niet gerestaureerd worden. Alleen met een extra bouwlaag kan dit unieke pand opgeknapt worden, maar dat heeft invloed op de uitstraling van het pand.


(…).


Hoe ondergeschikt een opbouw ook wordt voorgesteld: het gedegen onderzoek van de architect toont aan dat elke opbouw het karakter van dit bijzondere monument onaanvaardbaar zal aantasten.





Het advies zal dan dus “voldoet niet” moeten worden.


(…)


Hoe nu verder:


(…)


Ik zie 3 opties op dit moment:

1. Het bouwplan aanpassen naar een verbouwing zonder opbouw.
2. De lopende aanvraag intrekken, ik zal dan zorgen dat er geen leges in rekening gebracht worden.
3. Met dit advies kan ik de aanvraag weigeren, je hebt dan een besluit waartegen bezwaar openstaat.”




2.22.
Op 26 september 2023 vond er opnieuw een overleg plaats, waarbij [eiser] , de architect en de heer [persoon 1] aanwezig waren. De uitkomst daarvan heeft de heer [persoon 1] neergelegd in een e-mail aan de architect (met een kopie aan [eiser] ) van 27 september 2023. Deze e-mail luidt – voor zover van belang – als volgt:



“De keuze valt op nummer 3 intrekken, maar wel dat er ook direct een vooradvies wordt aangevraagd voor een nieuw plan met een invulling aan de achterzijde.


Dit vooradvies is ook zonder dat daarvoor leges gerekend worden. Ik zal de bestemmingsplantoets snel op (laten) pakken zodat het verzoek ook snel bij [naam 3] komt te liggen. Zo hebben we snel duidelijk wat de (on)mogelijkheden zijn aan de achterzijde van dit pand.





Het eventueel aansprakelijk stellen van de gemeente voor bepaalde gemaakte kosten is een geheel apart traject.


Het staat jou, [eiser] , vrij dit in te dienen wanneer je wilt. Dit heeft geen invloed op het nieuwe adviesverzoek.”





2.23.
Op 3 oktober 2023 heeft de architect een nieuw ontwerp voor een ontwikkeling zonder opbouw als adviesverzoek ingediend bij de gemeente. Op 30 november 2023 is ten aanzien van dat ontwerp een positief ‘antwoord adviesverzoek’ afgegeven. [eisers] hebben daarop voor dit ontwerp een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Ten tijde van het wijzen van dit vonnis is deze aanvraag nog in behandeling bij de gemeente.



2.24.
Bij brief van 17 januari 2024 hebben [eisers] de gemeente formeel aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan door – zo schrijven [eisers] – “de handelwijze van de Gemeente met het terugdraaien van het genomen Collegebesluit en de grillige dwalingen van de omgevingscommissie in het voor- en natraject”. [eisers] hebben de gemeente verzocht uiterlijk 1 februari 2024 aan te geven of zij de aansprakelijkheid accepteert en de schade vergoedt.



2.25.
De gemeente heeft de aansprakelijkheidsstelling doorgestuurd naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar Melior Verzekeringen (hierna: de verzekeraar).



2.26.

Bij brief van 29 mei 2024 heeft de verzekeraar zich op het standpunt gesteld dat de
gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld en de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Ook in de latere correspondentie tussen (de advocaat van) [eisers] en de verzekeraar heeft de verzekeraar dit standpunt gehandhaafd.






3Het geschil


3.1.


[eisers] vorderen, samengevat:
I. een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig tegenover [eisers]
heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade,
II. een veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding van € 91.918,79, vermeerderd met rente en de kosten van deze procedure.




3.2.

[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de gemeente onzorgvuldig tegenover hen heeft gehandeld door onjuiste en/of onvolledige inlichtingen te verstrekken over de mogelijkheid tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van het pand naar een appartementencomplex, waarbij een extra bouwlaag zou worden toegevoegd. [eisers] stellen dat zij door de gemeente op het verkeerde been zijn gezet en daardoor schade hebben geleden. Zo hebben zij nodeloos kosten gemaakt voor het telkens doorvoeren van de voorgestelde wijzigingen, hebben zij twee keer het vergunningstraject doorlopen en zijn zij huuropbrengsten misgelopen. De schade wordt vooralsnog begroot op € 91.918,79. [eisers] stellen dat de gemeente voor vergoeding van die schade aansprakelijk is.



3.3.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.



3.4.
Waar nodig gaat de rechtbank hierna nader in op de stellingen van partijen.





4De beoordeling



Heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld?




4.1.
De kern van dit geschil is of de gemeente onrechtmatig tegenover [eisers] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eisers] gestelde schade. Daarvoor biedt artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het toetsingskader. Dit betekent dat sprake moet zijn van een onrechtmatige daad die aan de gemeente kan worden toegerekend, bestaande uit een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Daarnaast moet er sprake zijn van schade die door de onrechtmatige daad is veroorzaakt (causaal verband).Het is aan [eisers] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en – bij voldoende betwisting – te bewijzen dat aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan.



4.2.

[eisers] doen een beroep op strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. Zij voeren in dat kader aan dat de gemeente (herhaalde malen) heeft aangeven dat de opbouw “mogelijk” en “te legitimeren” zou zijn, terwijl dat – achteraf – niet juist blijkt te zijn. In plaats van de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren dan wel het advies te herzien, heeft de gemeente en/of de commissie hen bovendien de mogelijkheid gegeven om het ontwerp aan te passen op specifieke onderdelen en hebben partijen daarover afspraken gemaakt. De onjuiste en/of onvolledige inlichtingen die aan hen zijn verstrekt en de toezeggingen die aan hen zijn gedaan ná de zienswijzen en de daarop tussen partijen gemaakte afspraken, hebben bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de opbouw op basis van de wet- en regelgeving mogelijk is, hetzij in gewijzigde vorm, en dat zij de gevraagde omgevingsvergunning – ondanks de zienswijzen – alsnog zouden krijgen. [eisers] menen dat naast de schending van de zorgplicht ook de schending van het (bestuursrechtelijke) vertrouwensbeginsel moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.



4.3.

[eisers] hebben, kortom, aangevoerd dat de gemeente op twee manieren onrechtmatig heeft gehandeld; (1) door schending van de zorgplicht, meer in het bijzonder het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en (2) door schending van het (bestuursrechtelijk) vertrouwensbeginsel.



Onjuiste en/of onvolledige inlichtingen





4.4.

[eisers] beroepen zich ten eerste op het Van Zoggel-arrest van de Hoge Raad. In dat arrest gaat het om de vraag of een gemeente naar aanleiding van een verzoek van een belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan die belanghebbende over de mogelijkheden die haar regelgeving die belanghebbende biedt en of de gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de belanghebbende. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van het verzoek en wat de gemeente daarover heeft moeten begrijpen en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en wat de belanghebbende daarover heeft moeten begrijpen. Pas als de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen tegenover de belanghebbende onrechtmatig is en dat de gemeente tegenover de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.



4.5.
Aan de stelling dat de gemeente onjuiste en/of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt leggen [eisers] in het bijzonder de onder 2.4, 2.6, 2.13, 2.17 en 2.18 genoemde schriftelijke berichten/documenten ten grondslag. Het betreft hier:


het antwoord adviesverzoek van 31 augustus 2020;


het ontwerpbesluit van 8 december 2021;


de e-mail van de heer [persoon 2] aan de architect van 19 juli 2022;


de e-mail van 30 november 2022 aan de architect met de tekst van de (interne) adviesmemo van de commissie; en


de e-mail van de heer [persoon 1] aan de architect van 8 februari 2023.





4.6.
De gemeente betwist dat het leerstuk van onjuiste inlichtingen hier van toepassing is. Volgens de gemeente zijn er geen onjuiste of onvolledige inlichtingen door of namens de gemeente verstrekt, maar is de commissie na ingediende zienswijzen tot een andere weging van belangen gekomen. De advisering van de commissie is volgens de gemeente niet vatbaar voor een toets op feitelijke juistheid. De uitlatingen hadden ook geen betrekking op de juridische (on)mogelijkheid van het realiseren van een dakopbouw binnen de geldende wet- of regelgeving, maar op de vraag hoe de commissie de betrokken belangen woog.



4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan [eisers] stellen, is de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake is van onjuiste en/of onvolledige inlichtingen van de gemeente als bedoeld in het Van Zoggel-arrest. Uit de berichten/documenten waarnaar [eisers] verwijzen, kan niet worden afgeleid dat de gemeente een concreet antwoord geeft op een feitelijke vraag van [eisers] , zoals de vraag of het realiseren van de opbouw binnen de wet- en regelgeving mogelijk is. Met uitzondering van de e-mail van de heer [persoon 1] aan de architect van 8 februari 2023, wordt in de berichten/documenten het (voorlopig) standpunt van de commissie weergegeven. Dit betreft niet meer dan een inschatting van de commissie of het (op dat moment) voorgelegde (gewijzigde) ontwerp met de extra bouwlaag is te verenigen met het belang van monumentenzorg. Dat betreft een subjectieve waardering, niet gebaseerd op feiten en daarop is – zo stelt de gemeente terecht – het leerstuk van onjuiste inlichtingen niet van toepassing. Voor wat betreft de e-mail van 8 februari 2023, waarin de gemeente schrijft: “(…) ik kan niet vergunnen, maar ook eigenlijk niet weigeren”, geldt dat de gemeente ter zitting heeft toegelicht hoe zij dit heeft bedoeld. De gemeente heeft verklaard dat het advies van de commissie op dat moment nog steeds positief is over de mogelijkheid van het toevoegen van een extra bouwlaag aan het pand, maar dat niet eerder tot vergunning kan worden overgegaan voordat het ontwerp op dat punt is aangepast en is voorzien van een nieuw advies. Dit is geen onjuiste en/of onvolledige inlichting.



Schending van het vertrouwensbeginsel





4.8.

[eisers] doen ten tweede een beroep op schending van het (bestuursrechtelijke) vertrouwensbeginsel. De gemeente is daaraan op grond van artikel 3:14 BW ook in het civiele recht gebonden. Bij de beoordeling moeten drie stappen worden doorlopen, te weten (1) de vraag of de verweten uitlating of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging en (2) of die toezegging aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigd worden beantwoord moeten (3) de betrokken belangen worden afgewogen; de naleving van de wet, algemene belangen en belangen van derden kunnen zwaarder wegen dan het belang bij het honoreren van gewekt vertrouwen. Is dat het geval, dan kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade te vergoeden die is geleden doordat is afgegaan op de toezegging.



4.9.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een toezegging door de gemeente in de hiervoor bedoelde zin. Zoals [eisers] zelf terecht aanvoeren kan aan het positieve ontwerpbesluit geen toezegging worden ontleend. Het gaat [eisers] dus om gestelde toezeggingen van de gemeente en de commissie van na de ingediende zienswijzen. In het bijzonder hecht [eisers] waarde aan de e-mailwisseling tussen de architect en [persoon 2] (secretaris commissie) van 19 juli 2022 (zie 2.12 en 2.13). Daaruit zou volgen dat gezamenlijk is afgesproken het ontwerp op vier punten aan te passen om het te laten voldoen en te kunnen legitimeren. In zijn e-mail van 19 juli 2022 (10:22 uur) gaf [persoon 2] aan dat de commissie het in beginsel eens is met de zienswijzen, maar met een aanpassing op genoemde punten het ontwerp wel te legitimeren acht. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze e-mailwisseling geen allesomvattende toezegging kan worden afgeleid op basis waarvan [eisers] mocht vertrouwen dat zij na aanpassing van het ontwerp zonder meer een omgevingsvergunning zouden verkrijgen voor een extra bouwlaag op het pand. De uitlating van [persoon 2] moet namelijk in de context gezien worden van de overige correspondentie met de gemeente en de commissie. Zo heeft [persoon 1] (gemeente) in zijn e-mail van 29 juni 2022 aan de architect uitdrukkelijk te kennen gegeven dat wijzigingen moeten worden besproken met de indieners van de zienswijzen en met de wethouder en moeten worden voorzien van een nieuw advies van de commissie. Deze voorbehouden van de gemeente waren bij [eisers] dus bekend. Daarnaast heeft [persoon 2] (commissie) op 19 juli 2022 (11:20 uur) nóg een e-mail gestuurd aan de architect, waarin hij aangaf dat het voor de commissie een heus dilemma is ‘tussen liever geen opbouw en een toevoeging accepteren die verder zo terughoudend en rustig mogelijk wordt vormgegeven’ en het aanpassingsvoorstel binnen dat dilemma als ‘nog net verdedigbaar’ wordt gezien. Tot slot gaf [persoon 2] aan dat het verder aan [eisers] en de architect/ontwerpers was. Gelet op deze voorzichtige woordkeuze leest de rechtbank hierin geen toezegging dat er hoe dan ook een positief advies zou volgen voor een extra bouwlaag, maar dat dit afhankelijk zou zijn van de verdere vormgeving door de architect/ontwerpers. In het licht hiervan en de eerdere voorbehouden van de gemeente is de rechtbank van oordeel dat [eisers] de uitlatingen in de berichten van ná de zienswijzen redelijkerwijs niet mocht opvatten als een harde toezegging dat de omgevingsvergunning voor een opbouw na de voorgestelde aanpassing van het ontwerp daadwerkelijk zou worden verleend. Dit geldt zeker nu [eisers] beschikken over de nodige kennis en ervaring op het gebied van vastgoed en vergunningstrajecten en werden bijgestaan door een deskundig architect. Kortom, [eisers] wisten of behoorden te weten dat de commissie pas na verdere vormgeving een definitief advies zou uitbrengen en konden er gezien het voorgaande niet zonder meer van uit gaan dat dit advies positief zou zijn.



4.10.
De uitlatingen waarnaar [eisers] verwijzen kwalificeren dus niet als een ondubbelzinnige toezegging dat aan [eisers] een omgevingsvergunning verleend zou worden op basis van een ontwerp met een extra bouwlaag. Daarmee is niet voldaan aan het eerste vereiste voor een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het beroep op dit beginsel slaagt om die reden al niet. Of uitlatingen van de secretaris van de commissie juridisch aan de gemeente kunnen worden toegerekend, kan daarbij in het midden blijven.



Conclusie





4.11.

De rechtbank concludeert op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dat [eisers] aan de inlichtingen van de gemeente niet het vertrouwen mocht ontlenen dat zij de gevraagde omgevingsvergunning zouden krijgen. Niet is komen vast te staan dat de gemeente haar zorgplicht heeft geschonden en/of in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Ook is niet gesteld of gebleken dat de gemeente anderszins onrechtmatig tegenover [eisers] heeft gehandeld. Aan de vereisten van artikel 6:162 BW is daarom niet voldaan. Dit betekent dat de vorderingen van [eisers] als ongegrond moeten worden afgewezen.


Proceskosten





4.12.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gemeente worden begroot op:









- griffierecht


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.764,00











4.13.
De verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt als niet weersproken toegewezen.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,



5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.




HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel).


ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 (Amsterdamse dakopbouw)