Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8677

2026-09-08 Bestuursrecht BRE 26/941
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Verzet
Zaaknummer
BRE 26/941
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.920 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 26/941 V



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2026 op het verzet van



[opposante]
, uit [plaats] , opposante,


tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 april 2026 in het geding tussen



opposante



en




de Raad van Bestuur van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO), verweerder.




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 april 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposante kennis te nemen.



1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 20 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Verzoek voorlopige voorziening en aanhangig beroep


4. Verweerder heeft op 7 november 2025 besloten om de dochter van opposante als leerling te verwijderen van het [de school] (hierna: de school). Het bezwaar van opposante tegen dit besluit is op 24 november 2025 door de school ongegrond verklaard.


4.1.
Op 2 februari 2026 heeft opposante bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 24 november 2025 aangemerkt als het bestreden besluit.



4.2.
Op 5 februari 2026 heeft de griffier namens de voorzieningenrechter schriftelijk aan opposante kenbaar gemaakt dat het besluit van 24 november 2025 een beslissing op bezwaar betreft en dat zij naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook een beroepschrift moet indienen. Op 12 februari 2026 heeft opposante het beroep bij de rechtbank ingediend (welk beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 26/941). In haar beroepschrift verwijst zij naar het zaaknummer (BRE 26/749) van het eerder ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en daarin vraagt zij de rechtbank om vast te stellen dat de uitschrijving door de school onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Ook heeft opposante het over het optreden van de leerplichtambtenaar en geeft zij aan dat ze het niet eens is met de brief van 28 januari 2026. Deze brief heeft opposante meegestuurd met haar beroepschrift en betreft een mededeling van het Regionaal bureau leren West-Brabant dat opposante niet is verschenen op een gemaakte afspraak.



4.3.
De voorzieningenrechter heeft zich in de uitspraak van 13 maart 2026 met zaaknummer BRE 26/749 onbevoegd verklaard.



4.4.
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich in de uitspraak van 20 april 2026 kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de school een bijzondere school is als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 en daarom geen bestuursorgaan kan zijn in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb.



De gronden van het verzet


5. Opposante voert tegen de uitspraak aan dat door zich onbevoegd te verklaren de rechtbank de aard van het geschil onjuist heeft beoordeeld. Zij stelt dat het geschil niet ziet op de rechtmatigheid van de verwijdering door de school, maar op het handelen en nalaten van de leerplichtambtenaar van de gemeente Roosendaal. In de uitspraak van 20 april 2026 is er geen inhoudelijke reactie gegeven op de vraag in hoeverre er afstemming heeft plaatsgevonden tussen de leerplichtambtenaar en de school en de invloed hiervan op de besluitvorming. Het geschil betreft het handelen en nalaten van een bestuursorgaan en valt daarmee binnen de bevoegdheid van de bestuursrechter, aldus opposante.



Slaagt het verzet?


6. De verzetrechter is van oordeel dat de rechtbank er terecht vanuit is gegaan dat het beroepschrift was gericht tegen het besluit van 24 november 2025 (inzake de verwijdering). Daarbij is van belang dat het beroepschrift is ingediend als reactie op de brief van de griffier van 5 februari 2026, gelet op het moment van indiening en de verwijzing naar het betreffende zaaknummer. Opposante heeft daarbij niet weersproken dat het besluit van 24 november 2025 zou moeten worden aangemerkt als het bestreden besluit, en heeft bovendien (onder andere) een afschrift van dat besluit meegezonden. Voor zover opposante ook bedoeld heeft om op te komen tegen het handelen of nalaten van de leerplichtambtenaar – nog daargelaten of dat een besluit is waartegen bij de bestuursrechter kan worden opgekomen – betreft dat een andere kwestie dan de onderhavige en doet dat daarmee niet af aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is om het beroep tegen het besluit van 24 november 2025 (inzake de verwijdering) inhoudelijk te behandelen. Het verzet slaagt dus niet.




Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 april 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 8 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


ECLI:NL:RBZWB:2026:3453.


Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


ECLI:NL:RBZWB:2026:1778.