Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8666

2026-05-06 Civiel recht; Arbeidsrecht 11717286 CV 25-1806 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-06
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11717286 CV 25-1806 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/305; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1463; AR-Updates.nl 2026-1463

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vordering werkgever tot betaling boete wegens overtreden concurrentie-/relatiebeding. Werknemer vordert vernietiging van het beding. Beding is rechtsgeldig overeengekomen. Relatiebeding is niet overtreden want werknemer heeft geen werkzaamheden voor een relatie verricht, zoals in het beding staat. Concurrentiebeding is in beginsel wel overtreden want werknemer is – 13 dagen voor het aflopen van de duur van het beding – in dienst getreden bij een concurrent. Niet staat vast dat het bedrijfsdebiet van werkgever wordt aangetast. Afweging wederzijdse belangen van partijen valt in het voordeel van werknemer uit. De kantonrechter vernietigt het concurrentiebeding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.183 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Bergen op Zoom



Zaaknummer: 11717286 \ CV EXPL 25-1806




Vonnis van 6 mei 2026




in de zaak van





[werkgever] B.V.,
te [plaats 1] ,

eiseres in conventie,


verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. T. van Liempd,



tegen





[werknemer]
,
te [plaats 2] ,

gedaagde in conventie,


eiser in reconventie,

hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verwijzingsvonnis van 14 mei 2025 met de daarin genoemde processtukken;
- het tussenvonnis van 9 juli 2025;
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[werknemer] , geboren op [datum] 1971, is met ingang van 9 november 2020 voor onbepaalde tijd bij [werkgever] in dienst getreden in de functie van inkoper.



2.2.

In de tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst staat een concurrentie- en relatiebeding met boetes opgenomen. Dit beding luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“10.2 Het is werknemer verboden zonder schriftelijke toestemming van werkgever zowel tijdens het bestaan van deze overeenkomst als ook gedurende 12 maanden na beëindiging van het dienstverband in loondienst werkzaam te zijn bij een gelijk, gelijksoortig of aanverwant bedrijf aan het bedrijf van werkgever. (…)




10.3

Het is werknemer tevens verboden zowel tijdens het bestaan van deze overeenkomst als ook gedurende een tijdvak van 12 maanden na beëindiging van het dienstverband voor de relaties (zowel aan de inkoop als verkoop kant) van werkgever, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, werkzaamheden te verrichten ofwel deze relaties te bewegen, direct of indirect, de relatie met werkgever te beëindigen, ofwel de naam van werkgever bij bedoelde relaties in diskrediet te brengen.”




2.3.

[werkgever] is een bedrijf dat is gespecialiseerd in ontwikkeling, productie en verkoop van buitenmeubelen.



2.4.
Op 7 september 2023 is [werknemer] op non-actief gesteld.



2.5.
Tijdens een gesprek op 12 september 2023 heeft [werkgever] [werknemer] medegedeeld de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen op grond van een dringende reden. Dit is diezelfde dag per brief bevestigd.



2.6.

[werknemer] is in 2024, voor afloop van de termijn van het concurrentie- en relatiebeding met [werkgever] , in dienst getreden bij [bedrijf]. [bedrijf] legt zich toe op het ontwikkelen, importeren en exporteren van meubelcollecties voor een terras-, evenement- of tuinsetting.



2.7.

[werkgever] heeft [werknemer] per brief van 23 september 2024 gesommeerd om haar een bedrag van € 135.000,00 te betalen wegens overtreding van het concurrentie- en relatiebeding.



2.8.
De gemachtigde van [werknemer] heeft daar op 26 september 2024 per brief op gereageerd. [werknemer] betwist dat er sprake is van een overtreding van het concurrentie- en relatiebeding.





3Het geschil



in conventie




3.1.


[werkgever] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. een verklaring voor recht dat [werknemer] het beding heeft overtreden van 1 augustus 2024 t/m 13 september 2024;
II. [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 135.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024;
III. [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 27.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024;

subsidiair

IV. een verklaring voor recht dat [werknemer] het beding heeft overtreden van 1 september 2024 t/m 13 september 2024;
V. [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 57.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 september 2024;
VI. [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 27.500,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024;

meer subsidiair

VII. een verklaring voor recht dat [werknemer] onrechtmatig jegens [werkgever] heeft gehandeld. De schade is begroot op € 57.500,00;

zowel primair als (meer) subsidiair

VIII. [werknemer] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.400,00;
IX. [werknemer] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.




3.2.

[werkgever] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [werknemer] heeft het concurrentie- en/of relatiebeding overtreden door in dienst te treden bij [bedrijf] en door contact op te nemen met een relatie van [werkgever] . [werknemer] is daarom een contractuele boete verschuldigd van € 25.000,00 per overtreding en € 2.500,00 per dag dat de overtreding voortduurt. Primair vordert [werkgever] deze bedragen over de periode van 1 augustus 2024 tot 14 september 2024 en subsidiair over de periode van 1 september 2024 tot 14 september 2024. Meer subsidiair stelt [werkgever] zich op het standpunt dat [werknemer] zich met zijn handelswijze schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige concurrentie.



3.3.

[werknemer] voert allereerst aan dat hij pas op 1 september 2024, en dus niet op 1 augustus 2024, bij [bedrijf] in dienst is getreden. [werknemer] betwist daarnaast dat hij het concurrentie- en/of relatiebeding heeft overtreden. [werkgever] en [bedrijf] zijn geen gelijksoortige bedrijven nu [werkgever] zich meer richt op retail en groothandel en [bedrijf] op horeca en events. Daarnaast is het beding te ruim en zodanig onduidelijk geformuleerd dat [werkgever] daar geen beroep op kan doen. Het beding dient dan ook te worden vernietigd.



in reconventie





3.4.


[werknemer] vordert – samengevat – in reconventie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. vernietiging van het concurrentie-/relatiebeding;

subsidiair

II. matiging van de reikwijdte van het non-concurrentiebeding in die zin dat de werking wordt beperkt tot 11 maanden;

zowel primair als subsidiair

III. de boete bij overtreding te matigen tot nihil;
IV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,- bruto per maand;
V. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.




3.5.

[werknemer] stelt dat het concurrentie-/relatiebeding vernietigd dient te worden, omdat het beding onduidelijk is en een ontoelaatbaar ruim bereik heeft en omdat in een belangenafweging de belangen van [werknemer] dienen te prevaleren. Indien het beding niet wordt vernietigd doet [werknemer] een beroep op matiging (tot nihil) van de boetes aangezien deze niet in verhouding staan tot het belang dat [werkgever] stelt te hebben. Indien het oordeel is dat [werknemer] is gehouden aan enige beperking dan vordert hij een schadevergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW van € 2.000,00 per maand omdat het [werknemer] beperkt in het uitvoeren van zijn functie.



3.6.

[werkgever] voert aan dat er een rechtsgeldig concurrentie- en relatiebeding is overeengekomen, dat [bedrijf] onder het toepassingsbereik daarvan valt en [werkgever] belang heeft bij naleving van het concurrentiebeding. De duur van 12 maanden is niet onredelijk en heeft [werknemer] uitdrukkelijk aanvaard door ondertekening van de arbeidsovereenkomst.



in conventie en in reconventie





3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie




4.1.
Kort gezegd vordert [werkgever] nakoming en [werknemer] vernietiging van het relatie- en concurrentiebeding. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.



4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het concurrentie- en relatiebeding rechtsgeldig is overeengekomen. Aan de formele vereisten (het schriftelijkheidsvereiste en de meerderjarigheidseis) is voldaan. Ook staat niet ter discussie dat [werknemer] voor afloop van de overeengekomen termijn bij [bedrijf] in dienst is getreden.



relatiebeding





4.3.
De kantonrechter is ten aanzien van het relatiebeding van oordeel dat [werknemer] geen overtreding heeft begaan door het contact met Artie Garden. De kantonrechter volgt het standpunt van [werknemer] dat hij geen werkzaamheden voor deze relatie heeft verricht, maar enkel namens [bedrijf] contact met deze relatie heeft gehad. Nu in het relatiebeding specifiek staat opgenomen dat het moet gaan om het verrichten van werkzaamheden voor een relatie, is het relatiebeding niet overtreden. De daarop gebaseerde vordering tot betaling van de boete zal dus worden afgewezen.



concurrentiebeding





4.4.
Ten aanzien van het concurrentiebeding ligt dat naar het oordeel van de kantonrechter anders. [bedrijf] is een concurrent van [werkgever] nu beide bedrijven werkzaam zijn in de tuinmeubelbranche. De advocaat van [werknemer] heeft in zijn brief van 26 september 2024 ook aangegeven dat [bedrijf] ‘wellicht concurrent is’ van [werkgever] . Daarnaast verricht [werknemer] vergelijkbare werkzaamheden bij [bedrijf] als dat hij bij [werkgever] heeft verricht. Dit blijkt ook uit hetgeen [werknemer] naar voren heeft gebracht. [werknemer] voert namelijk aan dat hij na het dienstverband bij [werkgever] eerst bij een bedrijf in de logistiek in dienst is getreden maar dat hij liever terug wilde naar de tuinmeubelbranche. Daarmee staat vast dat [werknemer] het concurrentiebeding in beginsel heeft overtreden.



4.5.
Voor wat betreft de datum van overtreding van het concurrentiebeding gaat de kantonrechter uit van 1 september 2024. De kantonrechter overweegt hierbij dat de omstandigheid dat er een gesprek is geweest en dat [werknemer] op LinkedIn melding heeft gemaakt – zoals [werkgever] heeft gesteld – onvoldoende is om uit te gaan van een andere ingangsdatum dan die in de arbeidsovereenkomst staat.



vernietigbaarheid





4.6.
De volgende vraag die voorligt is of het concurrentiebeding vernietigbaar is, zoals [werknemer] stelt.



4.7.
Vooropgesteld wordt dat het ‘simpelweg’ overeenkomen van een concurrentiebeding niet voldoende is om overtreding daarvan te kunnen sanctioneren met een boete. De wetgever heeft blijk gegeven oog te hebben voor de beperkte mogelijkheden die een werknemer heeft om op het moment van het aangaan van een concurrentiebeding zijn belangen juist in te schatten. Daarom kan de rechter een concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 BW geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. [werknemer] doet daar een beroep op.



4.8.
Een werknemer heeft in beginsel het (grondwettelijk vastgelegde) recht om vrij te kunnen kiezen waar en welke arbeid hij wenst te verrichten. Daartegenover is het belang van een werkgever gelegen in de bescherming van haar bedrijfsdebiet. Hierbij kan worden gedacht aan de bescherming van afzetmogelijkheden van een bedrijf op grond van goodwill, bijzondere kennis en inzichten (knowhow) en zakelijke relaties. Van zo’n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de betrokken werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is, of bijvoorbeeld doordat de werknemer zo intensief samenwerkt met bepaalde klanten van de oude werkgever dat deze klanten overstappen naar diens nieuwe werkgever. In dat kader dient een belangenafweging te worden gemaakt van alle belangen van beide partijen.



4.9.

[werkgever] stelt dat [werknemer] als inkoper veel inzichten kreeg in de inkoopprijzen van de producten en belangrijke relaties van [werkgever] in het inkooptraject. Deze vertrouwelijke informatie zou de concurrent onevenredig voordeel bieden. [werknemer] voert daartegen aan dat hij die prijzen niet (meer) uit zijn hoofd kent en hij daar bij [bedrijf] ook geen baat bij zou hebben aangezien voor elk bedrijf een eigen meubelcollectie wordt gemaakt en je op basis van die collectie prijsafspraken maakt met de leverancier. [bedrijf] kan dus bijvoorbeeld niet dezelfde meubelcollectie inkopen als [werkgever] . [werknemer] stelt verder dat hij de kennis die hij heeft over inkoop niet specifiek bij [werkgever] heeft opgedaan maar al tijdens zijn jarenlange dienstverbanden bij voorgaande werkgevers. [werknemer] stelt dat hij daardoor al een netwerk had opgebouwd. De kantonrechter is van oordeel dat daardoor niet vast staat dat het bedrijfsdebiet van [werkgever] wordt aangetast doordat [werknemer] bij [bedrijf] in dienst is getreden.



4.10.
Alles overziend valt de afweging van de wederzijdse belangen van partijen in het voordeel van [werknemer] uit. Daarbij speelt ook mee dat [werknemer] al enige tijd niet meer bij [werkgever] werkt en hij pas kort, te weten 13 dagen, voor het einde van de looptijd van het concurrentiebeding bij [bedrijf] in dienst is getreden. Conform de vordering van [werknemer] in reconventie vernietigt de kantonrechter het concurrentiebeding in zijn geheel en wel met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2024.



4.11.
Dat betekent dat de vorderingen van [werkgever] in conventie met betrekking tot het relatie- en concurrentiebeding worden afgewezen.



4.12.
Nu het door [werknemer] in reconventie primair gevorderde wordt toegewezen komt de kantonrechter niet toe aan het subsidiair gevorderde of de overige hoofdvorderingen.



proceskosten





4.13.

[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [werknemer] worden vastgesteld op:









- salaris gemachtigde


€


2.020,00


(2 punten × € 1.010,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.164,00











4.14.

[werkgever] moet daarnaast ook de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [werknemer] in reconventie worden tot dit vonnis vastgesteld op € 505,00 (1 x 0,5 punt á € 1.010,00).





5De beslissing


De kantonrechter:




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen van [werkgever] af;



5.2.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



in reconventie





5.3.
vernietigt het concurrentiebeding met ingang van 1 september 2024;



5.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 505,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



in conventie en in reconventie





5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.




ECLI:NL:GHARL:2024:7036