Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8554

2026-09-04 Bestuursrecht BRE 25/5744
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/5744
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag Wajong (artikel 4:6 Awb)

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.326 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/5744 Wajong


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. E. Turk),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
(UWV; kantoor Breda), verweerder.


Samenvatting


1. Het UWV heeft in het verleden geweigerd om aan eiser een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om, na een nieuwe aanvraag van eiser, terug te komen op dat besluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht (opnieuw) heeft geweigerd een Wajong-uitkering te verstrekken.


1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op de eerdere wegering een Wajong-uitkering toe te kennen aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.


Feiten en omstandigheden


2. Bij besluit van 27 november 2017 is aan eiser een indicatie banenafspraak toegekend.



2.1.
Eiser heeft in maart 2019 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wajong. Hij is bekend met een Autismespectrumstoornis (ASS), ADHD en een gegeneraliseerde angststoornis. Met het besluit van 11 juli 2019 is de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet over voldoende werknemersvaardigheden beschikte maar die mogelijk nog wel kon ontwikkelen. Met de beslissing op bezwaar van 31 januari 2020 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, omdat eiser beschikt over arbeidsvermogen. Bij uitspraak van 8 oktober 2020 heeft de rechtbank bevestigd dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Eiser heeft tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep ingesteld.


2.2.
Op 4 augustus 2022 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Met het besluit van 23 november 2022 heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 11 juli 2019. Er is wel nieuwe informatie aangeleverd, maar deze geeft geen aanleiding tot wijziging van de eerder genomen beslissing. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.



2.3.
Op 16 april 2024 heeft eiser een derde aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Met het besluit van 4 september 2024 (primair besluit) heeft het UWV aan eiser laten weten dat zij bij het besluit van 11 juli 2019 blijven. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



2.4.
Met de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij de afwijzing van het verzoek gebleven.




Procesverloop


3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.1
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.2
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner en de gemachtigde van eiser. Het UWV heeft zich afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Wettelijk kader


4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.



Grondslag van het bestreden besluit


5. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) ten grondslag.


5.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en was aanwezig tijdens de hoorzitting. Evenals de primaire verzekeringsarts is de verzekeringsarts b&b van mening dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten en omstandigheden op grond waarvan op de eerdere Wajongbeoordeling(en) terug dient te worden gekomen. De informatie in de brief van [gz-psycholoog] en in de rapportage van [verzekeringsarts] (Stichting SAP) ziet niet op de 18e verjaardag ( [datum] 2012) of de vijf jaar daarna (tot [datum] 2017). De aandoeningen die aanwezig waren op de 18e verjaardag waren bekend en beperkingen in arbeid zijn aangenomen. Nu er geen nieuwe feiten zijn die op deze periode zien, is niet aannemelijk dat de eerdere beslissing, de weigering van een Wajong-uitkering, onjuist is. In oktober 2020 is in de uitspraak op beroep bevestigd dat eiser arbeidsvermogen heeft en ook dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de PTSS-klachten al eerder dan in 2022 aanwezig waren.




Standpunt eiser


6. Eiser heeft zich in zijn brief van 23 december 2025 op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet berust op zorgvuldig onderzoek en niet deugdelijk is gemotiveerd. Hij heeft niet alleen verzocht om voor het verleden terug te komen op de beslissing dat er geen recht bestaat op een Wajong-uitkering, maar ook voor de toekomst (de duuraanspraak). Het UWV heeft ten onrechte nagelaten dit te onderzoeken. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar om een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de aanvrager tegen te werpen.


Vervolgens heeft eiser bij brief van 15 juli 2026 aangevoerd dat de beslissing op bezwaar van 31 januari 2020 evident onjuist is. Uit de latere rapportages blijkt volgens eiser een nadere duiding van zijn problematiek en beperkingen rond zijn 18e jaar en de vijf jaar daarna. De medische informatie geeft nieuwe inzichten in de ernst en gevolgen van bestaande beperkingen. Eiser beschikt namelijk niet over werknemersvaardigheden, de veronderstelde ontwikkelmogelijkheden zijn niet gerealiseerd en het ontbreken van arbeidsvermogen is daarmee duurzaam.
Voor zover wordt aangenomen dat het besluit van 11 juli 2019 en de beslissing op bezwaar van 31 januari 2020 juist waren, dan blijkt uit de ontwikkeling nadien dat alsnog sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Het UWV dient dan in het kader van de duuraanspraak de aanspraak op een Wajong-uitkering voor de toekomst te beoordelen.




Standpunt UWV in reactie op het beroep van eiser


7. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden worden genoemd en er dus geen aanleiding is om het in het bestreden besluit ingenomen standpunt te wijzigen. Ten overvloede geeft het UWV aan dat alleen naar de duuraanspraak moet worden gekeken als blijkt dat het besluit van 11 juli 2019 onjuist was en daarvan is geen sprake.



Overwegingen rechtbank


8. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).



8.1.
Het UWV heeft op het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 11 juli 2019 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 11 juli 2019 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.


8.2.
De rechtbank maakt uit eisers stukken en zijn toelichting ter zitting op dat de procedures over zijn recht op een Wajong-uitkering en de uitkomsten daarvan hem zwaar vallen. Hij heeft meerdere pogingen gedaan om een betere toekomst voor zichzelf te realiseren, wat steeds niet is gelukt. De rechtbank acht deze inspanningen van eiser bewonderenswaardig. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank zijn beroep op een Wajong-uitkering aan de wet moet toetsen en dat de lat voor recht daarop erg hoog ligt en de regels streng zijn.



Terugkomen van het eerdere besluit





Is er sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?

9. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht.




9.1.
Eiser heeft bij de herhaalde aanvraag van 16 april 2024 een brief van 4 september 2023 van [gz-psycholoog] en een rapportage van 8 februari 2024 van [verzekeringsarts] (Stichting SAP) overgelegd.



9.2.
De rechtbank stelt vast dat de ingediende stukken nieuwe informatie bevatten. Het UWV heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat deze informatie niet ziet op eisers medische omstandigheden rond zijn 18e jaar en de vijf jaar daarna ( [datum] 2012 tot [datum] 2017; de periode in geding), omdat deze informatie betrekking heeft op een periode van ruim na de voor de beoordeling relevante periode. [gz-psycholoog] omschrijft namelijk de aanmelding voor behandeling van eiser op 9 januari 2023 en de bevindingen en evaluatie na een jaar behandelen. Als uit de brief van [gz-psycholoog] al zou blijken dat eiser op dat moment niet beschikt over arbeidsvermogen, dan betekent dat nog niet dat hij rond zijn 18e jaar en de vijf jaar daarna niet (langer) over arbeidsvermogen beschikte. [verzekeringsarts] heeft namens de gemeente gerapporteerd of het mogelijk is voor eiser om te voldoen aan de arbeidsverplichting in het kader van de Participatiewet. Dat hij hiertoe niet in staat is, betekent niet dat eiser rond zijn 18e jaar en de vijf jaar daarna niet (langer) over arbeidsvermogen beschikte in het kader van de Wajong. Het toetsingskader in de Participatiewet is anders dan in de Wet Wajong. [verzekeringsarts] heeft dit desgevraagd ook bevestigd aan de primaire verzekeringsarts in deze zaak (zie de rapportage van 3 september 2024, pagina 8). Dat [verzekeringsarts] in zijn rapportage termen gebruikt die ook bij de Wajong worden gebruikt, is mogelijk verwarrend, maar maakt het toetsingskader niet anders.De rechtbank is van oordeel dat het UWV het verzoek van eiser om terug te komen op het eerdere besluit van 11 juli 2019 heeft mogen afwijzen vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die zien op de periode in geding.



Evident onredelijk

10. De rechtbank kan aan de hand van wat eisende partij heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om met terugwerkende kracht terug te komen van een eerdere beslissing evident onredelijk is. Bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is.




10.1.

Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de rapportages van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen ten tijde van de beoordeling van de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering onjuist en onvolledig zijn. Met wat hij heeft aangevoerd wil eiser in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van de oorspronkelijke besluiten. Daarvoor is in deze procedure geen plaats omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gemeld. Tegen het besluit van 11 juli 2019 is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft de weigering van de Wajong-uitkering in stand gelaten. De discussie over die besluiten is daarmee beëindigd. Eiser had wat hij in de huidige procedure in beroep heeft aangevoerd ook in de vorige procedure in hoger beroep naar voren kunnen brengen. Dat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld, is een keuze die voor zijn rekening en risico komt. Het voorgaande neemt niet weg dat in het geval dat het besluit van 11 juli 2029 onmiskenbaar onjuist was, de weigering om terug te komen op dat besluit evident onredelijk kan zijn. Wat eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank echter geen aanleiding om te oordelen dat het niet terugkomen van het eerdere besluit van 11 juli 2019 als evident onredelijk is te beschouwen. In de procedure van de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering tot en met de beroepsprocedure was voldoende informatie beschikbaar over de (medische) situatie van eiser rond zijn 18e jaar en de vijf jaar daarna. De verzekeringsartsen hebben deze informatie meegenomen in hun beoordeling en een gemotiveerd standpunt ingenomen over het arbeidsvermogen van eiser. De stelling van eiser dat de ernst van zijn situatie toen onvoldoende is onderkend, mede gelet op wat nu bekend is over zijn functioneren, kan niet geconcludeerd worden dat toen sprake was van een onmiskenbaar onjuiste beoordeling van zijn arbeidsvermogen.

Duuraanspraak (terugkomen van het eerdere besluit voor de toekomst)

11. De gronden van eiser geven (ook) geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 11 juli 2019 onjuist was, indien alle nu beschikbare informatie wordt meegenomen, ongeacht of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de overgelegde medische informatie blijkt namelijk niet dat achteraf sprake is geweest van een onjuiste medische beoordeling ten aanzien van de situatie op de 18e verjaardag van eiser en de vijf jaar daarna. Andere (medische) stukken zijn niet overgelegd. Bij gebreke daarvan is de uitgebreide betwisting in de brief van 15 juli 2026 van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2020 gedane weging van verschillende factoren, in dit kader niet voldoende. Het UWV was daarom niet gehouden om nader onderzoek te doen. Dit betekent dat eiser voor zijn verzoek om een Wajong-uitkering voor de toekomst te ontvangen (vanaf het moment van de aanvraag van 16 april 2024) geen baat heeft bij de rechtspraak over de zogenoemde duuraanspraak. Daartoe is immers vereist dat het oorspronkelijke besluit onjuist was, wat in deze zaak niet het geval is.





Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 4 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader





Algemene wet bestuursrecht




Artikel 4:6



Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.


Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.





Wajong




Artikel 1a:1, eerste lid
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:



op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;


na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.




Artikel 1a:1, tweede lid
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.




Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten




Artikel 1a, eerste lid
Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.




ECLI:NL:RBZWB:2020:4912


ECLI:NL:CRVB:2022:1991


ECLI:NL:CRVB:2024:2232


ECLI:NL:CRVB:2024:148


ECLI:NL:CRVB:2024:118 en ECLI:NL:CRVB:2023:1363 en ECLI:NL:CRVB:2025:1796


ECLI:NL:CRVB:2025:1443 en ECLI:NL:CRVB:2022:1106