Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8553
2026-09-04
Bestuursrecht
BRE 26/1097
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BRE 26/1097
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:8070 Rechtbank Limburg 06-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.934 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1097
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 15 mei 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [persoon] , een (ex-)werknemer van eiseres.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld gelijktijdig met de zaken met de zaaknummers BRE 26/297 en BRE 26/310. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres kantoorgenoot mr. J.P.M. van Zijl in de plaats van mr. A.M. Wuisman en namens het UWV [gemachtigde] , mr. drs. R.S. Spanjer en mr. M.J. Kooistra.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep gegrond?
3. Het beroep is gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 21 oktober 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 24 oktober 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Het UWV legt in het verweerschrift van 16 maart 2026 en in een aanvulling daarop van 17 augustus 2026 onder meer uit dat er een groot tekort aan verzekeringsartsen is om alle (her)beoordelingen en bezwaarzaken (tijdig) uit te voeren. Hierdoor is de beslistermijn overschreden. Wegens de al bestaande grote achterstanden en het oplopen hiervan, heeft het UWV besloten een prioritering aan te houden, die in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is afgesproken. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de Wajong en Aanvragen Beoordeling Arbeidsvermogen (ABA). Ook geeft het UWV prioriteit aan eindewachttijdbeoordelingen in het kader van de WIA, met als doel dat eind 2026 niet langer dan zes maanden op een beslissing hoeft te worden gewacht. Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat de prioritering als gevolg heeft dat de Wajong-zaken een minimale wachttijd hebben. Een bijkomend gevolg is echter dat de herbeoordelingen op het moment niet kunnen worden opgepakt. Die worden alleen opgepakt als het een schrijnende situatie betreft. Het UWV heeft ter zitting verzocht om de rechtbank Limburg te volgen in de opgelegde beslistermijnen van 52 weken.
4.2.
Eiseres verzoekt om het UWV een beslistermijn van twee weken op te leggen. et gaatHet gaat erom welke termijn nodig is voor zorgvuldige besluitvorming. Daarbij hoeft, gezien de wetsgeschiedenis, geen rekening te worden gehouden met eventuele (structurele) problemen bij het bestuursorgaan.
4.3.
Tot nu toe was de lijn van de rechtbank dat het UWV vier maanden de tijd kreeg om alsnog te beslissen op een aanvraag of bezwaar, gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV. De rechtbank heeft besloten om deze lijn te herzien op basis van de huidige stand van zaken. De nieuwe lijn zal gelden voor alle uitspraken die na deze uitspraken worden gedaan in beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit door het UWV.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mag een nadere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn. In het overzicht dat het UWV de rechtbank op 17 augustus 2026 heeft toegestuurd en ter zitting heeft toegelicht blijkt dat er momenteel per zaaksoort verschillende doorlooptijden zijn. Daarom zal de rechtbank een onderscheid maken per zaaksoort. Tevens is ter zitting besproken dat er verschillende doorlooptijden zijn per districtskantoor. Het UWV kon desgevraagd geen landelijke gemiddelden geven. Naar het oordeel van de rechtbank moet het UWV als landelijk opererend bestuursorgaan zelf sturing kunnen geven aan de processen bij de verschillende kantoren, zodat wezenlijke verschillen in afdoeningstermijn worden voorkomen. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om een verschil aan te houden voor de verschillende kantoren.
Wajong
4.5.
Ter zitting is gebleken dat het UWV de mogelijkheid heeft om binnen de beslistermijn een besluit af te geven in Wajong-zaken. Voor Wajong-zaken neemt de rechtbank dan ook geen bijzondere situatie aan en zal zij aansluiten bij het wettelijk uitgangspunt. Dit betekent dat de rechtbank in beroepen die zien op het niet op tijd beslissen in Wajong-zaken een nadere beslistermijn zal opleggen van twee weken na verzending van de uitspraak.
Overige zaaksoorten
4.6.
Wel neemt de rechtbank een bijzondere situatie aan voor de overige zaaksoorten waarin het UWV wegens het tekort aan verzekeringsartsen de beslistermijn niet haalt.
WIA-eindewachttijdbeoordelingen
4.6.1.
Gezien het streven van het UWV naar een beslistermijn van zes maanden eind 2026 en de kamerbrief van 23 juni 2026 waarin staat dat de wachttijd eind 2026 nog niet in het hele land zal zijn beperkt tot zes maanden, zal de rechtbank in dergelijke zaken bij het bepalen van de beslistermijn uitgaan van een totale beslistermijn van zeven maanden, gerekend vanaf de dag na ontvangst van de aanvraag.
Ziektewet-beoordelingen
4.6.2.
Deze beslistermijn geldt ook voor besluiten op grond van de Ziektewet (ZW), rekening houdend met het tijdelijke karakter van de ZW-uitkering.
Herbeoordelingen
4.6.3.
Wat betreft herbeoordelingen acht de rechtbank het onacceptabel dat het UWV deze op dit moment niet oppakt en het UWV ook geen inzicht heeft in en geeft in een thans of op enige termijn haalbare beslistermijn. Uit het oogpunt van rechtsbescherming stelt de rechtbank zelf een nadere beslistermijn voor deze besluiten. De rechtbank acht het redelijk dat het UWV voor herbeoordelingen een totale beslistermijn krijgt van zestien maanden vanaf de dag na ontvangst van de aanvraag.
4.6.4.
De rechtbank kiest er bij voorgaande zaaksoorten voor om te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, omdat de door het UWV gemelde doorlooptijden daarvan ook uitgaan en om geen ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid te creëren tussen diegenen die na afloop van de wettelijke beslistermijn direct beroep instellen bij de rechtbank tegen het niet op tijd beslissen en diegenen die rekening houden met de problemen bij het UWV en pas later beroep instellen.
Besluiten op bezwaar
4.6.5.
Gezien de door het UWV genoemde doorlooptijden, hanteert de rechtbank voor besluiten op bezwaar een termijn van twaalf maanden, ingaand vanaf de dag na het einde van de bezwaartermijn, dan wel, indien het bezwaarschrift na het einde van de bezwaartermijn wordt ontvangen, vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift.
4.7.
Als voornoemde termijnen ten tijde van de uitspraak al zijn verstreken, sluit de rechtbank aan bij het wettelijk uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.
4.8.
Bijzondere feiten of omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de hiervoor genoemde termijnen af te wijken. Het is aan partijen om bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Toepassing op deze beroepszaak
5. Eiseres heeft op 15 mei 2025 een verzoek tot herbeoordeling ingediend. Het UWV heeft het verzoek op 16 mei 2025 ontvangen. De rechtbank stelt vast dat op 16 september 2026 zestien maanden verstreken zullen zijn sinds ontvangst van de aanvraag. Omdat deze datum binnen twee weken na de datum van deze uitspraak ligt, zal de rechtbank bepalen dat het UWV binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op het verzoek om herbeoordeling bekend moet maken. De rechtbank ziet in dit geval geen bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding geven om hiervan af te wijken.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
6. Eiseres heeft ter zitting verzocht om een hogere dwangsom op te leggen wegens weigerachtigheid van het UWV om een besluit af te geven. Het UWV heeft tijdens de zitting verzocht om geen rechterlijke dwangsom op te leggen. Het UWV meent namelijk dat hiermee geen snelle besluitvorming kan worden afgedwongen.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van weigerachtigheid van het UWV om een besluit af te geven. Er is geen sprake van onwil, maar van onvermogen. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van eiseres om een hogere dwangsom op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van het UWV om af te zien van het opleggen van een dwangsom. Conform het landelijke dwangsombeleid bepaalt de rechtbank dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 6.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). In afwijking van de wegingsfactor 0,5 die normaliter in dit soort zaken wordt gehanteerd, wordt in dit geval een wegingsfactor van 1 aangehouden omdat partijen zich konden uitlaten over verschillende rechtsvragen. Verder zijn er geen kosten gebleken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op om binnen twee weken na de dag van de verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 4 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBLIM:2026:8070.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 26 448, nr. 897, blz 2.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1097
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.M. Wuisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 15 mei 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [persoon] , een (ex-)werknemer van eiseres.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld gelijktijdig met de zaken met de zaaknummers BRE 26/297 en BRE 26/310. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres kantoorgenoot mr. J.P.M. van Zijl in de plaats van mr. A.M. Wuisman en namens het UWV [gemachtigde] , mr. drs. R.S. Spanjer en mr. M.J. Kooistra.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep gegrond?
3. Het beroep is gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 21 oktober 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 24 oktober 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Het UWV legt in het verweerschrift van 16 maart 2026 en in een aanvulling daarop van 17 augustus 2026 onder meer uit dat er een groot tekort aan verzekeringsartsen is om alle (her)beoordelingen en bezwaarzaken (tijdig) uit te voeren. Hierdoor is de beslistermijn overschreden. Wegens de al bestaande grote achterstanden en het oplopen hiervan, heeft het UWV besloten een prioritering aan te houden, die in overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is afgesproken. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de Wajong en Aanvragen Beoordeling Arbeidsvermogen (ABA). Ook geeft het UWV prioriteit aan eindewachttijdbeoordelingen in het kader van de WIA, met als doel dat eind 2026 niet langer dan zes maanden op een beslissing hoeft te worden gewacht. Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat de prioritering als gevolg heeft dat de Wajong-zaken een minimale wachttijd hebben. Een bijkomend gevolg is echter dat de herbeoordelingen op het moment niet kunnen worden opgepakt. Die worden alleen opgepakt als het een schrijnende situatie betreft. Het UWV heeft ter zitting verzocht om de rechtbank Limburg te volgen in de opgelegde beslistermijnen van 52 weken.
4.2.
Eiseres verzoekt om het UWV een beslistermijn van twee weken op te leggen. et gaatHet gaat erom welke termijn nodig is voor zorgvuldige besluitvorming. Daarbij hoeft, gezien de wetsgeschiedenis, geen rekening te worden gehouden met eventuele (structurele) problemen bij het bestuursorgaan.
4.3.
Tot nu toe was de lijn van de rechtbank dat het UWV vier maanden de tijd kreeg om alsnog te beslissen op een aanvraag of bezwaar, gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV. De rechtbank heeft besloten om deze lijn te herzien op basis van de huidige stand van zaken. De nieuwe lijn zal gelden voor alle uitspraken die na deze uitspraken worden gedaan in beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit door het UWV.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mag een nadere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn. In het overzicht dat het UWV de rechtbank op 17 augustus 2026 heeft toegestuurd en ter zitting heeft toegelicht blijkt dat er momenteel per zaaksoort verschillende doorlooptijden zijn. Daarom zal de rechtbank een onderscheid maken per zaaksoort. Tevens is ter zitting besproken dat er verschillende doorlooptijden zijn per districtskantoor. Het UWV kon desgevraagd geen landelijke gemiddelden geven. Naar het oordeel van de rechtbank moet het UWV als landelijk opererend bestuursorgaan zelf sturing kunnen geven aan de processen bij de verschillende kantoren, zodat wezenlijke verschillen in afdoeningstermijn worden voorkomen. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om een verschil aan te houden voor de verschillende kantoren.
Wajong
4.5.
Ter zitting is gebleken dat het UWV de mogelijkheid heeft om binnen de beslistermijn een besluit af te geven in Wajong-zaken. Voor Wajong-zaken neemt de rechtbank dan ook geen bijzondere situatie aan en zal zij aansluiten bij het wettelijk uitgangspunt. Dit betekent dat de rechtbank in beroepen die zien op het niet op tijd beslissen in Wajong-zaken een nadere beslistermijn zal opleggen van twee weken na verzending van de uitspraak.
Overige zaaksoorten
4.6.
Wel neemt de rechtbank een bijzondere situatie aan voor de overige zaaksoorten waarin het UWV wegens het tekort aan verzekeringsartsen de beslistermijn niet haalt.
WIA-eindewachttijdbeoordelingen
4.6.1.
Gezien het streven van het UWV naar een beslistermijn van zes maanden eind 2026 en de kamerbrief van 23 juni 2026 waarin staat dat de wachttijd eind 2026 nog niet in het hele land zal zijn beperkt tot zes maanden, zal de rechtbank in dergelijke zaken bij het bepalen van de beslistermijn uitgaan van een totale beslistermijn van zeven maanden, gerekend vanaf de dag na ontvangst van de aanvraag.
Ziektewet-beoordelingen
4.6.2.
Deze beslistermijn geldt ook voor besluiten op grond van de Ziektewet (ZW), rekening houdend met het tijdelijke karakter van de ZW-uitkering.
Herbeoordelingen
4.6.3.
Wat betreft herbeoordelingen acht de rechtbank het onacceptabel dat het UWV deze op dit moment niet oppakt en het UWV ook geen inzicht heeft in en geeft in een thans of op enige termijn haalbare beslistermijn. Uit het oogpunt van rechtsbescherming stelt de rechtbank zelf een nadere beslistermijn voor deze besluiten. De rechtbank acht het redelijk dat het UWV voor herbeoordelingen een totale beslistermijn krijgt van zestien maanden vanaf de dag na ontvangst van de aanvraag.
4.6.4.
De rechtbank kiest er bij voorgaande zaaksoorten voor om te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, omdat de door het UWV gemelde doorlooptijden daarvan ook uitgaan en om geen ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid te creëren tussen diegenen die na afloop van de wettelijke beslistermijn direct beroep instellen bij de rechtbank tegen het niet op tijd beslissen en diegenen die rekening houden met de problemen bij het UWV en pas later beroep instellen.
Besluiten op bezwaar
4.6.5.
Gezien de door het UWV genoemde doorlooptijden, hanteert de rechtbank voor besluiten op bezwaar een termijn van twaalf maanden, ingaand vanaf de dag na het einde van de bezwaartermijn, dan wel, indien het bezwaarschrift na het einde van de bezwaartermijn wordt ontvangen, vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift.
4.7.
Als voornoemde termijnen ten tijde van de uitspraak al zijn verstreken, sluit de rechtbank aan bij het wettelijk uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.
4.8.
Bijzondere feiten of omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de hiervoor genoemde termijnen af te wijken. Het is aan partijen om bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Toepassing op deze beroepszaak
5. Eiseres heeft op 15 mei 2025 een verzoek tot herbeoordeling ingediend. Het UWV heeft het verzoek op 16 mei 2025 ontvangen. De rechtbank stelt vast dat op 16 september 2026 zestien maanden verstreken zullen zijn sinds ontvangst van de aanvraag. Omdat deze datum binnen twee weken na de datum van deze uitspraak ligt, zal de rechtbank bepalen dat het UWV binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op het verzoek om herbeoordeling bekend moet maken. De rechtbank ziet in dit geval geen bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding geven om hiervan af te wijken.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
6. Eiseres heeft ter zitting verzocht om een hogere dwangsom op te leggen wegens weigerachtigheid van het UWV om een besluit af te geven. Het UWV heeft tijdens de zitting verzocht om geen rechterlijke dwangsom op te leggen. Het UWV meent namelijk dat hiermee geen snelle besluitvorming kan worden afgedwongen.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van weigerachtigheid van het UWV om een besluit af te geven. Er is geen sprake van onwil, maar van onvermogen. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van eiseres om een hogere dwangsom op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van het UWV om af te zien van het opleggen van een dwangsom. Conform het landelijke dwangsombeleid bepaalt de rechtbank dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 6.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). In afwijking van de wegingsfactor 0,5 die normaliter in dit soort zaken wordt gehanteerd, wordt in dit geval een wegingsfactor van 1 aangehouden omdat partijen zich konden uitlaten over verschillende rechtsvragen. Verder zijn er geen kosten gebleken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op om binnen twee weken na de dag van de verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. M. Breeman, leden, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 4 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBLIM:2026:8070.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 26 448, nr. 897, blz 2.