Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8547

2026-09-03 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4540
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4540
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.559 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/4540


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg , de heffingsambtenaar.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 september 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 26 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Feiten


2. Op 23 augustus 2025 omstreeks 16:02 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] , stil op een parkeerplek aan de [straat] in [plaats] ( [zone] , [aanmeldcode] ).



2.1.
Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat geen parkeerbelasting is voldaan.



2.2.
Naar aanleiding van de in 2.1 genoemde constatering, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 52,43, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 3,50 en € 48,93 aan kosten van de naheffingsaanslag.




Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan haar is opgelegd.



3.1.
Belanghebbende vindt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan haar is opgelegd. Zij stelt dat geen sprake was van parkeren. De auto stond volgens haar slechts tijdelijk stil terwijl zij probeerde een parkeeractie te starten. Toen dit via de Q-park-app niet lukte, heeft zij het zonenummer opgezocht en vervolgens de EasyPark-app geraadpleegd. In die app zag zij dat ter plaatste alleen met een dagkaart kon worden geparkeerd. Omdat belanghebbende slechts korte tijd wilde parkeren, heeft zij daarop besloten de parkeeractie niet te voltooien en is zij weggereden naar een andere parkeerplek. Van 16:17 uur tot 17:17 uur heeft zij in [parkeerzone] parkeerbelasting voldaan. De heffingsambtenaar heeft deze gang van zaken, behalve de bedoeling om maar kort te parkeren, niet betwist.



3.2.
Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Tilburg (de Verordening) is parkeren op overeenkomstige wijze omschreven.



3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van de controle sprake van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de Verordening. De auto van belanghebbende stond gedurende een aangesloten periode stil op een parkeerplek aan de [straat] . Niet in geschil is dat van onmiddellijk in- of uitstappen of laden of lossen geen sprake was. Met welke bedoeling belanghebbende haar auto daar heeft neergezet, is voor de kwalificatie als parkeren verder niet van belang.



3.4.
Artikel 6, eerste lid, van de Verordening bepaalt dan dat de belasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. Als uitgangspunt is belanghebbende dus belasting verschuldigd voor het parkeren aan de [straat] ten tijde van het controlemoment.



3.5.
Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat aan de belastingplichtige na de aanvang van het parkeren een redelijke termijn moet worden gegund voor het voldoen van de parkeerbelasting. Gedurende die tijd is dan geen parkeerbelasting verschuldigd. In het betoog van belanghebbende ligt in wezen besloten dat zij zich op die regel beroept, omdat zij nog met handelingen bezig was om aan de betalingsplicht te voldoen toen zij besloot weg te rijden. Belanghebbende heeft de betaling echter niet voltooid. Zij besloot daarvan af te zien toen zij ontdekte dat er plaatse alleen met een dagkaart kon worden geparkeerd. Daarmee doet zich een andere situatie voor dan waarin de aan een parkeerde gegunde tijd daadwerkelijk wordt gebruikt om aan de betalingsplicht te voldoen. De redelijke termijn is niet bedoeld om een parkeerder na het parkeren nog de gelegenheid te geven te beslissen of hij de ter plaatse geldende parkeerbelasting wil voldoen, voor zover de daarvoor relevante voorwaarden vooraf kenbaar waren. Het dagkaartregime was in dit geval vóór het parkeren kenbaar. Op alle toegangswegen tot [zone] , waaronder het begin van de [straat] , was bebording aanwezig waarop was aangegeven dat alleen met een dagticket kon worden geparkeerd. Dat belanghebbende de bebording niet heeft gezien en het dagkaartregime pas tijdens de betalingshandelingen heeft ontdekt, komt voor haar rekening en risico. Zij kan zich daarom niet met succes op de hiervoor genoemde regel beroepen.



3.6.
Voor zover belanghebbende zich nog beroept op overmacht vanwege technische problemen met de parkeerapps, slaagt dit beroep niet. De gestelde problemen met de parkeerapps hebben er niet toe geleid dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet kon voldoen. Belanghebbende heeft uiteindelijk zelf besloten geen betaling te doen maar elders te parkeren. Van overmacht is naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen sprake.



3.7.
Het voorgaande betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.



3.8.
Belanghebbende doet voor dat geval een beroep op het evenredigheidsbeginsel en vraagt om coulance. De rechtbank begrijpt dat de naheffingsaanslag voor haar, gelet op de door haar geschetste gang van zaken, als onredelijk kan voelen. Het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting is echter een geboden bevoegdheid, waarbij uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de parkeerbelasting en de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten verschuldigd worden. Het is de rechtbank daarom (in beginsel) niet toegestaan om de wettelijke verplichting tot het opleggen van een naheffingsaanslag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen of onvoldoende rekening heeft gehouden. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet. De rechtbank kan de naheffingsaanslag ook niet uit coulance verminderen of vernietigen.



3.9.
Ook wat belanghebbende heeft aangevoerd over de controle met een scanauto en het verlies van de menselijke maat leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de controle is uitgevoerd met behulp van een scanauto, neemt niet weg dat haar individuele situatie in bezwaar en beroep kan worden beoordeeld. Dat is in deze procedure ook gebeurd.



3.10.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Dat andere gemeenten volgens belanghebbende in vergelijkbare gevallen wel coulance toepassing, verplicht de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg niet om hetzelfde beleid te voeren. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de heffingsambtenaar binnen de gemeente Tilburg in vergelijkbare gevallen anders handelt.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.












griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Vgl. Hoge Raad 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535.