Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8546

2026-09-03 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4537
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4537
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.453 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/4537


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 augustus 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 26 augustus 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Feiten


2. Op 21 mei 2025 omstreeks 18:51 uur stond de auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] , stil op een parkeerplek aan de [laan] in [plaats] .



2.1.
Tijdens een controle door een scanauto op voormelde datum en tijd is geconstateerd dat geen parkeerbelasting is voldaan.



2.2.
Naar aanleiding van de in 2.1 genoemde constatering, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 52,80, bestaande uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 1,80 en € 51,00 aan kosten van de naheffingsaanslag.



2.3.
Aan belanghebbende is een aanmaning tot betaling van de naheffingsaanslag uitgevaardigd. Daarbij zijn aanmaningskosten van € 9 in rekening gebracht.




Beoordeling door de rechtbank



Naheffingsaanslag parkeerbelasting

3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.



3.1.
Belanghebbende stelt dat geen sprake was van parkeren. Hij voert aan dat de auto slechts zeer kort heeft stilgestaan terwijl hij een bestelling ophaalde bij een cafetaria aan de overzijde van de straat. Zijn vrouw is gedurende die tijd in de auto blijven zitten. Volgens belanghebbende was daarom sprake van het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Dat de motor niet draaide, komt volgens hem doordat het een elektrische auto betreft.



3.2.
Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Breda (de Verordening) is parkeren op overeenkomstige wijze omschreven.



3.3.
Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het doen of laten stilstaan van een voertuig nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de op dit punt gelijkluidende Verordening, moet worden beoordeeld of de gedurende het stilstaan van het voertuig te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.



3.4.
De heffingsambtenaar heeft scanfoto’s overgelegd waaruit blijkt dat de auto van belanghebbende ten tijde van de controle stilstond op een parkeerplek aan de [laan] in [plaats] . Dit stilstaan valt als uitgangspunt onder de hiervoor weergegeven definitie van parkeren. Dat de auto slechts zeer kort heeft stilgestaan en de vrouw van belanghebbende in de auto is blijven zitten, maakt dat niet anders. Het door belanghebbende genoemde ophalen van een bestelling bij een cafetaria kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden aangemerkt als onmiddellijk laden of lossen van goederen. Een dergelijke bestelling is in de regel naar haar aard niet van een zodanige omvang of gewicht dat deze niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto kon worden opgehaald. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is ook niet gebleken dat dat in dit geval anders was. Belanghebbende was daarom voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Het staat vast dat belanghebbende de parkeerbelasting niet heeft voldaan. De naheffingsaanslag is dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.



Aanmaningskosten




3.5.
Belanghebbende komt ook op tegen aanmaningskosten van € 9. Hij stelt dat hij de oorspronkelijke naheffingsaanslag niet heeft ontvangen en daarom ten onrechte aanmaningskosten aan hem in rekening zijn gebracht.



3.6.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende al in zijn bezwaarschrift is opgekomen tegen de aanmaningskosten. Voor zover de rechtbank uit de stukken kan opmaken, heeft de heffingsambtenaar met dit deel van het bezwaarschrift niets gedaan. De heffingsambtenaar was ook niet bevoegd om op het bezwaar tegen de aanmaningskosten te beslissen. Die bevoegdheid rust bij de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda. De heffingsambtenaar had het bezwaarschrift daarom in zoverre op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht moeten doorzenden aan de invorderingsambtenaar. Uit de stukken blijkt niet dat dit is gebeurd of dat de invorderingsambtenaar inmiddels op het bezwaar tegen de aanmaningskosten heeft beslist. Omdat daarmee geen uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar voorligt, kan de rechtbank de aanmaningskosten in deze procedure niet inhoudelijk beoordelen. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank zal doende wat de heffingsambtenaar had behoren te doen een afschrift van het bezwaarschrift van belanghebbende doorzenden aan de invorderingsambtenaar, zodat deze het alsnog in behandeling kan nemen.




Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de aanmaningskosten. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft en de rechtbank geen oordeel kan geven over de aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten.



4.1.
Omdat het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep voor zover het zich richt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond;


verklaart zich voor zover het beroep zich richt tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk;


gelast de griffier van de rechtbank een afschrift van het verweerschrift van de heffingsambtenaar toe te zenden aan de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda, zodat deze het daarbij gevoegde bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte aanmaningskosten in behandeling kan nemen.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.












griffier


rechter







De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90.