Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8532
Inhoudsindicatie
Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk, omdat er alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan en is beslist op de kostenvergoeding. Aangezien wel terecht beroep niet tijdig beslissen is ingesteld, heeft belanghebbende wel recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht heeft besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur het bezwaar gegrond moeten verklaren, omdat de inspecteur gedurende de bezwaarfase is tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende. Hoewel de beslissing van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet juist is, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij wijziging van de beslissing. Het beroep is daarom ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6006 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-09-2025
- ECLI:NL:HR:2019:1574 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2020:1152 Raad van State 29-04-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.622 tekens)
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6564
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Spanje), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar met dagtekening 18 december 2023 en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot een onjuist bedrag heeft vastgesteld.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen. De inspecteur is met bericht van verhindering niet verschenen.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2022 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.26.01 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen met dagtekening 18 december 2023 bezwaar gemaakt, ontvangen door de inspecteur op 22 december 2023.
2.1.
Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 30 oktober 2024, ontvangen op 8 november 2024, in gebreke gesteld en op 7 januari 2025 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/36.
2.2.
De rechtbank heeft de inspecteur in de beroepsprocedure BRE 25/36 bij brieven van 8 januari 2025 en 30 januari 2025 verzocht om het verweerschrift en daarbij behorende stukken in te dienen. De inspecteur heeft hierop niet gereageerd.
2.3.
Op 14 januari 2025 heeft de inspecteur een dwangsombeschikking genomen en de maximale dwangsom van € 1.442 aan belanghebbende toegekend. Daarin is opgenomen dat de behandelend inspecteur de uitspraak op bezwaar op zeer korte termijn (binnen 4 weken) zal verzenden.
2.4.
Op 24 januari 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.800 (de verminderingsbeschikking).
2.5.
De rechtbank heeft op 8 september 2025 het beroep wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en de inspecteur opgedragen binnen twee weken alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Zij beschikte op dat moment niet over de dwangsombeschikking en de verminderingsbeschikking.
2.6.
Belanghebbende is op 6 oktober 2025 in verzet gekomen tegen de uitspraak van 8 september 2025 omdat geen proceskostenvergoeding is toegekend. Bij brief van 21 november 2025 – naar aanleiding van een uitnodiging voor de behandeling van het verzet op zitting – heeft de inspecteur gereageerd: “Op 8 januari 2025 is de kennisgeving van uw rechtbank ontvangen van het door (gemachtigde van) belanghebbende ingestelde beroep (…). Naar aanleiding van de kennisgeving is de behandeling van zowel het bezwaar als de IGS opgepakt. Hierbij is onvoldoende afgestemd wie de communicatie richting uw rechtbank voor zijn rekening zou nemen, met als gevolg dat er geen communicatie richting uw rechtbank heeft plaatsgevonden. Hiervoor mijn excuses. (...). Op het bezwaarschrift is beslist middels een verminderingsbeschikking met dagtekening 24 januari 2025 (bijlage 2). Tevens is een kostenvergoeding toegekend vanwege beroepsmatige bijstand in de bezwaarfase (bijlage 3). Hiermee is volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar.”
2.7.
Belanghebbende heeft op 17 december 2025 opnieuw beroep ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar nog steeds niet heeft beslist op het bezwaar met dagtekening 18 december 2023. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 25/6564. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een verminderingsbeschikking geen uitspraak op bezwaar is. De verminderingsbeschikking is bovendien naar belanghebbende gestuurd, terwijl belanghebbende zich heeft laten vertegenwoordigen door gemachtigde. De toegekende kostenvergoeding heeft zowel belanghebbende als gemachtigde niet eerder bereikt en de kostenvergoeding is tot een onjuist bedrag vastgesteld.
2.8.
Op 10 juli 2026 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en een nader stuk ingediend, waarin staat:
“Als ik gemachtigde goed begrijp, meent hij dat de verminderingsbeschikking van
24 januari 2025 (…) géén uitspraak op bezwaar is. Op dit punt ben ik het gezien de jurisprudentie eens met gemachtigde. Ik heb dan ook alsnog formeel uitspraak op bezwaar gedaan waarin ik belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaar wegens het ontbreken van een procesbelang (…).”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 10 juli 2026 is ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond?
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
4.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 18 december 2023, ontvangen door de inspecteur op 22 december 2023, bezwaar gemaakt. De inspecteur moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.
Belanghebbende heeft de inspecteur op 8 november 2024 in gebreke gesteld en op 17 december 2025 (nogmaals) beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de enkele schriftelijke kennisgeving van de vermindering van de belastingaanslag, nadat daartegen bezwaar is gemaakt, nog niet meebrengt dat uitspraak op bezwaar is gedaan, ook niet indien met die vermindering volledig aan het bezwaar wordt tegemoetgekomen.Partijen zijn het erover eens dat niet met de verminderingsbeschikking, maar pas op 10 juli 2026 uitspraak op bezwaar is gedaan en daarmee is beslist op de kostenvergoeding. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan en is beslist op de kostenvergoeding, ontvalt het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Aangezien wel terecht beroep niet tijdig beslissen is ingesteld, heeft belanghebbende wel recht op een proceskostenvergoeding.
Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit ontvankelijk en gegrond?
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De inspecteur heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang, omdat reeds volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar over de aanslag IB/PVV 2022. De inspecteur stelt dat:
de aanslag is verminderd als gevolg van de vermindering d.d. 24 januari 2025;
een proceskostenvergoeding van 1 punt – abusievelijk tegen het tarief van 2024 (€ 624) in plaats van 2025 – op 23 januari 2025 is uitbetaald;
€ 23 aan proceskostenvergoeding als gevolg van het verkeerd gehanteerde tarief op 7 juli 2026 is uitbetaald.
Er is een kostenvergoeding van in totaal € 647 uitbetaald.
5.1.
Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat de aanslag in de bezwaarfase tot het juiste bedrag is vastgesteld en dat inmiddels het juiste bedrag aan kostenvergoeding is toegekend. Ook de dwangsom van € 1.442 is betaald. Het enige wat volgens hem niet juist is aan de uitspraak op bezwaar, is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
5.2.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht heeft besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur het bezwaar gegrond moeten verklaren, omdat de inspecteur gedurende de bezwaarfase is tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende. Dat was immers ook de reden voor het toekennen van de kostenvergoeding.
5.3.
Hoewel de beslissing van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet juist is, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij de wijziging van de beslissing. Een gegrondverklaring van het bezwaar zou immers tot dezelfde feitelijke uitkomst leiden, namelijk vermindering van de aanslag en toekenning van een kostenvergoeding met de constatering dat aan beide al uitvoering was gegeven. De inspecteur heeft dus materieel gezien hetzelfde gehandeld als bij een gegrond bezwaar. Het beroep is daarom ongegrond.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over de dwangsom
6. Belanghebbende heeft ook gronden aangevoerd over de dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan de uitspraak van 8 september 2025 heeft verbonden. Belanghebbende kan bij de belastingrechter niet procederen over de hoogte en tenuitvoerlegging van deze dwangsom en zal zich daarvoor tot de burgerlijk rechter moeten wenden.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 10 juli 2026 is ongegrond.
7.1.
Omdat de inspecteur op 10 juli 2026 alsnog heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende, is daarmee tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende dat is ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een besluit. Om die reden moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907, omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen en het beroepschrift alleen zag op de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 18 december 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 10 juli 2026 ongegrond;
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de hoogte en tenuitvoerlegging van de dwangsom ex artikel 8:55d, tweede lid van de Awb;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 907 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6006
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.
Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1574.
Dit staat in artikel 6:20 van de Awb.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.
2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 0,5 (licht).