Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8527

2026-09-02 Civiel recht 12053214 CV EXPL 26-240
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12053214 CV EXPL 26-240
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Betaling eigen risico

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.921 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummer: 12053214 \ CV EXPL 26-240




Vonnis van 2 september 2026




in de zaak van




NEDERLANDS SLAAP INSTITUUT B.V.,
te Bilthoven,
eisende partij,
hierna te noemen: NSI,
gemachtigde: B.E.J. Caminada,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de akte van NSI- de akte van [gedaagde] .




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2Het geschil


2.1.
NSI vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 321,20, vermeerderd met rente en kosten. NSI legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij [gedaagde] van medische dienstverlening heeft voorzien, waarvoor zij een factuur heeft verzonden van € 1.699,82. In de bijlage bij de factuur staat onder meer vermeld dat NSI geen contract heeft met de zorgverzekeraar van [gedaagde] en dat zij de factuur daarom niet rechtstreeks bij zijn verzekeraar kan declareren. Ook staat op de bijlage vermeld dat de uiteindelijke kosten voor [gedaagde] nooit hoger zijn dan het bedrag dat aan eigen risico betaald moet worden en dat [gedaagde] de factuur moet indienen bij zijn verzekeraar. De verzekeraar zal vervolgens een specificatie aan [gedaagde] sturen waarop te zien is welk bedrag zij vergoeden en welk bedrag door [gedaagde] zelf als wettelijk of vrijwillig eigen risico voldaan zal moeten worden, en [gedaagde] moet die specificatie scannen en mailen aan NSI. [gedaagde] heeft uiteindelijk wel de factuur ingediend bij zijn verzekeraar en uit de specificatie volgt dat er een bedrag van € 257,02 aan eigen risico op de vergoeding is ingehouden. NSI stelt dat dit bedrag voor rekening van [gedaagde] komt en vordert betaling van dit bedrag. Tegen het verweer van [gedaagde] brengt NSI in dat het eigen risico op grond van de Zorgverzekeringswet een wettelijk verplichte eigen bijdrage van de verzekerde is en voor rekening en risico van [gedaagde] is. Onvrede over de behandeling ontslaat gedaagde niet van deze betalingsverplichting. Op het verweer van [gedaagde] dat de vordering al is voldaan voert NSI aan dat een bedrag van € 549,34 na de eerste roldatum is gedaan door [gedaagde] . [gedaagde] dient daarom ook nog de proceskosten waaronder het griffierecht aan NSI te voldoen.



2.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van NSI, met veroordeling van NSI in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat hij uitstel van de rechtbank had gekregen en vervolgens het bedrag heeft overgemaakt. NSI heeft verzuimd de vordering uit de dagvaarding aan te passen. [gedaagde] stelt verder dat sprake is van een wanprestatie van NSI nu het apparaat niet afdoende werkte.



2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






3De beoordeling


3.1.
In beginsel heeft te gelden dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de uit de (geneeskundige behandelings-)overeenkomst voortvloeiende verbintenis en daarmee dus gehouden is om de factuur die ziet op de door NSI verrichte dienstverlening te voldoen. Dat zijn verzekeraar hem daar een deel van vergoedt, doet daar geen afbreuk aan. Voor zover [gedaagde] een beroep doet op wanprestatie, althans niet deugdelijke nakoming door NSI, nu zijn slaapprobleem niet is opgelost, gaat dit niet op. NSI is op grond van de overeenkomst verplicht om medische diensten te verlenen die bestaan uit het onderzoeken van [gedaagde] om zijn gezondheidstoestand vast te stellen. Dit betreft een inspanningsverplichting (slaaponderzoek doen) en geen resultaatsverplichting (slaapprobleem oplossen). Door onder andere een slaaponderzoek te verrichten heeft NSI aan die inspanningsverplichting voldaan. Er is niet gesteld of gebleken dat dit onderzoek niet goed zou zijn verricht.



3.2.
NSI vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. NSI heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. NSI heeft daarom recht op een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten.



3.3.
De gevorderde opeisbare rente berekend tot aan de dagvaarding is niet betwist en daardoor ligt het bedrag van € 15,78 ook voor toewijzing gereed.



3.4.
NSI vorderde bij dagvaarding betaling van € 321,20 aan hoofdsom, incassokosten en wettelijke rente en had aangegeven dat door betaling van een bedrag van € 549,34 uiterlijk 48 uur voor de eerste roldatum deze procedure voorkomen zou kunnen worden. Niet in geschil is dat [gedaagde] een bedrag van € 549,34 aan NSI heeft voldaan op 5 februari 2026. Correcte toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW leidt gelet op voorgaande tot de conclusie dat de verschenen wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de hoofdsom inmiddels aan NSI zijn voldaan. Nu NSI heeft nagelaten om haar vordering te verminderen, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.



3.5.
Met betrekking tot de proceskosten geldt dat op grond van de wet de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten. Nu [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom niet had betaald terwijl hij daartoe wel verplicht was, is hij terecht gedagvaard en komen deze kosten in beginsel voor zijn rekening. Dit kan anders zijn als hij rauwelijks – dus zonder eerdere aankondiging – is gedagvaard. Gelet op de overgelegde aanmaningen van NSI is daarvan geen sprake. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat het door de rechtbank aan hem verleende uitstel betekende dat nog geen griffierecht verschuldigd zou zijn. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt. Op de eerste roldatum is weliswaar uitstel verleend aan [gedaagde] , maar dit betreft het uitstel om zijn antwoord in te dienen. Het griffierecht is verschuldigd geworden op 14 januari 2026, de dag van de rolzitting. Voorgaande heeft tot gevolg dat [gedaagde] terecht is gedagvaard en veroordeeld dient te worden in de proceskosten. Bij de begroting van het salaris van de gemachtigde gaat de kantonrechter voor de dagvaarding uit van een salaris van € 87,00. Ten aanzien van de genomen akte wordt een half punt aan het lagere tarief van € 43,00 toegekend nu het op de weg van NSI had gelegen om haar vordering te verminderen met het reeds betaalde bedrag. De proceskosten van NSI worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


146,14







- griffierecht


€


139,00







- salaris gemachtigde


€


108,5


(1 punt × € 87,00 + 0,5 punt x € 43,00)




- nakosten


€


21,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


415,14











3.6.

[gedaagde] heeft reeds een bedrag van € 228,14 (€ 549,34 - € 321,20) aan proceskosten aan NSI voldaan. Daarmee resteert een bedrag van € 187,00.






4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 187,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.