Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8525
2026-09-02
Civiel recht
12248995 CV EXPL 26-1927 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgverzekering, betalingsregeling na dagvaarden overeengekomen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.660 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12248995 \ CV EXPL 26-1927
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.C. van 't Hek.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de akte van FBTO- de akte van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
FBTO vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.243,94, inclusief rente en kosten.
2.2.
FBTO legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat op grond waarvan [gedaagde] gehouden is om premie te betalen. [gedaagde] heeft meerdere termijnen niet voldaan, waardoor een achterstand in de premiebetaling is ontstaan. FBTO vordert betaling hiervan te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Op het verweer van [gedaagde] voert FBTO aan dat de betalingsregeling pas na het uitbrengen van de dagvaarding is overeengekomen. Een van de voorwaarden van de betalingsregeling is dat de rechtszaak door zou gaan. FBTO voert aan dat zij vonnis wil verkrijgen als waarborg voor het geval [gedaagde] de betalingsregeling niet nakomt. [gedaagde] is al eerder een betalingsregeling niet nagekomen. FBTO heeft er geen bezwaar tegen als de betalingsregeling wordt overgenomen in het vonnis.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van FBTO, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van FBTO, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van FBTO in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat een betalingsregeling is overeengekomen waardoor een vonnis onnodig is. Dat een betalingsregeling is overeengekomen is volgens [gedaagde] reden om FBTO niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Voor zover dat niet mogelijk is, vordert [gedaagde] dat de betalingsafspraken van 26 mei 2026 in het vonnis worden opgenomen.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3De beoordeling
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] aanvankelijk een bedrag van € 1.080,00 aan premies onbetaald heeft gelaten. Dit bedrag is [gedaagde] in beginsel nog aan FBTO verschuldigd.
3.2.
Voor zover het verweer van [gedaagde] dat een betalingsregeling is overeengekomen moet worden opgevat als een betwisting van de opeisbaarheid van de premies, heeft te gelden dat dit niet opgaat. De betalingsregeling is overeengekomen onder de voorwaarde: ‘De gestarte rechtszaak gaat door. Wanneer de rechter uitspraak heeft gedaan sturen wij u een bijgewerkt overzicht van de betalingsachterstand.’ Gelet op deze voorwaarde doet de overeengekomen betalingsregeling niets af aan de opeisbaarheid van de vordering van FBTO. Dit maakt dat de hoofdsom van € 1.080,00 wordt toegewezen.
3.3.
FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] is op grond van eenzelfde rechtsverhouding termijnbetalingen aan FBTO verschuldigd. FBTO heeft [gedaagde] voor meerdere termijnbetalingen, waarvan er ten minste één minder dan € 266,67 bedroeg, aanmaningen gestuurd. FBTO heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. FBTO heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Daarom zal een bedrag van € 145,20 worden toegewezen
3.4.
De rente van € 18,74 tot en met 28 april 2026 wordt toegewezen, omdat FBTO genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Dit heeft tot gevolg dat de wettelijke rente over € 1080,00 vanaf 28 april 2026 wordt toegewezen en niet, zoals gevorderd, vanaf 16 april 2026.
3.5.
[gedaagde] heeft verzocht om de betalingsregeling op te nemen in het vonnis. Aangezien FBTO daar geen bezwaar tegen heeft, wordt de betalingsregeling opgenomen in de beslissing.
3.6.
De kantonrechter begrijpt uit het antwoord van [gedaagde] dat hij stelt dat onderhavige procedure onnodig was nu een betalingsregeling van € 25,00 per maand is getroffen. FBTO heeft daar tegenin gebracht dat de betalingsregeling is getroffen na het uitbrengen van de dagvaarding. Met betrekking tot de proceskosten geldt dat op grond van de wet de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten. Nu [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom niet had betaald, is hij terecht gedagvaard en komen deze kosten in beginsel voor zijn rekening. Dit kan anders zijn als hij rauwelijks – dus zonder eerdere aankondiging – is gedagvaard, maar dat is hier niet het geval. Weliswaar zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, maar deze is tot stand gekomen na het betekenen van de dagvaarding onder voorwaarde dat de procedure zou worden voortgezet, waardoor de kantonrechter [gedaagde] niet volgt in zijn stelling dat de procedure onnodig is doorgezet. FBTO heeft in de dagvaarding duidelijk uiteengezet dat de volledige vordering voor de eerste zittingsdatum voldaan diende te worden, bij gebreke waarvan de procedure zal worden doorgezet.
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Bij de begroting van het salaris van de gemachtigde is geen punt toebedeeld aan de akte van FBTO nu deze akte geen bijzondere inhoud bevat. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
144,00
(1 punt × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
719,77
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 1.243,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.080,00, met ingang van 28 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
staat [gedaagde] toe om het bedrag onder 4.1 aan FBTO te betalen in maandelijkse termijnen van € 25,00,
4.3.
bepaalt dat zolang [gedaagde] de betalingsregeling nakomt FBTO dit vonnis niet ten uitvoer zal leggen,
4.4.
bepaalt dat het verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar zal zijn wanneer [gedaagde] de betalingsregeling niet nakomt,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 719,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12248995 \ CV EXPL 26-1927
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.C. van 't Hek.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de akte van FBTO- de akte van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
FBTO vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.243,94, inclusief rente en kosten.
2.2.
FBTO legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat op grond waarvan [gedaagde] gehouden is om premie te betalen. [gedaagde] heeft meerdere termijnen niet voldaan, waardoor een achterstand in de premiebetaling is ontstaan. FBTO vordert betaling hiervan te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Op het verweer van [gedaagde] voert FBTO aan dat de betalingsregeling pas na het uitbrengen van de dagvaarding is overeengekomen. Een van de voorwaarden van de betalingsregeling is dat de rechtszaak door zou gaan. FBTO voert aan dat zij vonnis wil verkrijgen als waarborg voor het geval [gedaagde] de betalingsregeling niet nakomt. [gedaagde] is al eerder een betalingsregeling niet nagekomen. FBTO heeft er geen bezwaar tegen als de betalingsregeling wordt overgenomen in het vonnis.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van FBTO, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van FBTO, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van FBTO in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat een betalingsregeling is overeengekomen waardoor een vonnis onnodig is. Dat een betalingsregeling is overeengekomen is volgens [gedaagde] reden om FBTO niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Voor zover dat niet mogelijk is, vordert [gedaagde] dat de betalingsafspraken van 26 mei 2026 in het vonnis worden opgenomen.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3De beoordeling
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] aanvankelijk een bedrag van € 1.080,00 aan premies onbetaald heeft gelaten. Dit bedrag is [gedaagde] in beginsel nog aan FBTO verschuldigd.
3.2.
Voor zover het verweer van [gedaagde] dat een betalingsregeling is overeengekomen moet worden opgevat als een betwisting van de opeisbaarheid van de premies, heeft te gelden dat dit niet opgaat. De betalingsregeling is overeengekomen onder de voorwaarde: ‘De gestarte rechtszaak gaat door. Wanneer de rechter uitspraak heeft gedaan sturen wij u een bijgewerkt overzicht van de betalingsachterstand.’ Gelet op deze voorwaarde doet de overeengekomen betalingsregeling niets af aan de opeisbaarheid van de vordering van FBTO. Dit maakt dat de hoofdsom van € 1.080,00 wordt toegewezen.
3.3.
FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] is op grond van eenzelfde rechtsverhouding termijnbetalingen aan FBTO verschuldigd. FBTO heeft [gedaagde] voor meerdere termijnbetalingen, waarvan er ten minste één minder dan € 266,67 bedroeg, aanmaningen gestuurd. FBTO heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. FBTO heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Daarom zal een bedrag van € 145,20 worden toegewezen
3.4.
De rente van € 18,74 tot en met 28 april 2026 wordt toegewezen, omdat FBTO genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Dit heeft tot gevolg dat de wettelijke rente over € 1080,00 vanaf 28 april 2026 wordt toegewezen en niet, zoals gevorderd, vanaf 16 april 2026.
3.5.
[gedaagde] heeft verzocht om de betalingsregeling op te nemen in het vonnis. Aangezien FBTO daar geen bezwaar tegen heeft, wordt de betalingsregeling opgenomen in de beslissing.
3.6.
De kantonrechter begrijpt uit het antwoord van [gedaagde] dat hij stelt dat onderhavige procedure onnodig was nu een betalingsregeling van € 25,00 per maand is getroffen. FBTO heeft daar tegenin gebracht dat de betalingsregeling is getroffen na het uitbrengen van de dagvaarding. Met betrekking tot de proceskosten geldt dat op grond van de wet de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten. Nu [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding de hoofdsom niet had betaald, is hij terecht gedagvaard en komen deze kosten in beginsel voor zijn rekening. Dit kan anders zijn als hij rauwelijks – dus zonder eerdere aankondiging – is gedagvaard, maar dat is hier niet het geval. Weliswaar zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, maar deze is tot stand gekomen na het betekenen van de dagvaarding onder voorwaarde dat de procedure zou worden voortgezet, waardoor de kantonrechter [gedaagde] niet volgt in zijn stelling dat de procedure onnodig is doorgezet. FBTO heeft in de dagvaarding duidelijk uiteengezet dat de volledige vordering voor de eerste zittingsdatum voldaan diende te worden, bij gebreke waarvan de procedure zal worden doorgezet.
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Bij de begroting van het salaris van de gemachtigde is geen punt toebedeeld aan de akte van FBTO nu deze akte geen bijzondere inhoud bevat. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
144,00
(1 punt × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
719,77
4De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 1.243,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.080,00, met ingang van 28 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
staat [gedaagde] toe om het bedrag onder 4.1 aan FBTO te betalen in maandelijkse termijnen van € 25,00,
4.3.
bepaalt dat zolang [gedaagde] de betalingsregeling nakomt FBTO dit vonnis niet ten uitvoer zal leggen,
4.4.
bepaalt dat het verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar zal zijn wanneer [gedaagde] de betalingsregeling niet nakomt,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 719,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.