Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8512
2026-08-06
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/449070 / KG ZA 26-309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot ontruiming winkelpand toegewezen. Verweer van gedaagde dat primair sprake is van overname van de huurovereenkomst door indeplaatsstelling, subsidiair dat sprake is van onderhuur en meer subsidiiar dat de gebruiksovereenkomst niet mag worden opgezegd afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2215 Hoge Raad 29-11-1996
- ECLI:NL:HR:1993:ZC0976 Hoge Raad 28-05-1993
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.631 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/449070 / KG ZA 26-309
Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEELSTROOM B.V.,
te Etten-Leur ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Geelstroom,
advocaat: mr. J.A. Vermeeren,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [B.V.] ,
advocaat: mr. O. Lenselink.
1De zaak in het kort
1.1.
Geelstroom vordert in conventie ontruiming van het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] en betaling van een gebruiksvergoeding door [B.V.] . Geelstroom stelt het winkelpand nog steeds te huren en dat [B.V.] daarin zonder recht of titel verblijft. [B.V.] betwist de vorderingen en beroept zich primair op overname van de huurovereenkomst door indeplaatsstelling, subsidiair onderhuur en meer subsidiair een gebruiksovereenkomst die niet zomaar kan worden opgezegd. In voorwaardelijke reconventie stelt [B.V.] vorderingen in met betrekking tot indeplaatsstelling.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen in conventie toe omdat [B.V.] geen grond heeft om in het gehuurde te verblijven. In reconventie wijst de voorzieningenrechter de vorderingen af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
2
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2026 met producties 0 tot en met 8;
- de akte van [B.V.] met een voorwaardelijke eis in reconventie;
- de door [B.V.] overgelegde producties 1 tot en met 14;- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026;- de pleitnota van [B.V.] .
3De feiten
3.1.
Sinds augustus 2024 exploiteert [persoon 1] met zijn eenmanszaak een parfumeriewinkel in [plaats 3] onder de handelsnaam [B.V.] .
3.2.
Op 17 oktober 2023 heeft [persoon 1] de besloten vennootschap Geelstroom B.V. (hierna: Geelstroom) opgericht. [persoon 1] is indirect bestuurder en aandeelhouder van Geelstroom.
3.3.
Op 23 augustus 2024 heeft Geelstroom een huurovereenkomst gesloten met de heer [persoon 2] voor het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde of het winkelpand) ter exploitatie van een parfumeriewinkel.
3.4.
In september 2025 heeft [persoon 1] de heer [persoon 3] gesproken over een samenwerking. In het kader van de samenwerking hebben zij op 7 oktober 2025 de besloten vennootschap [B.V.] opgericht. [persoon 1] heeft 49% van de aandelen en [persoon 3] heeft 49% van de aandelen in [B.V.] . [persoon 3] is bestuurder van [B.V.] .
3.5.
[persoon 1] en [persoon 3] hadden de bedoeling om met [B.V.] de parfumeriewinkel in het gehuurde te exploiteren. Zij hebben toen ook gesproken over een door [persoon 3] te betalen bedrag van € 10.000,00 aan Geelstroom.
3.6.
[B.V.] heeft het gehuurde omstreeks oktober 2025 in gebruik genomen als parfumeriewinkel en de bedoeling van [persoon 1] en [persoon 3] was dat [B.V.] als huurder in de plaats van Geelstroom zou gaan huren.
3.7.
De beheerder van [persoon 2] (Dreef5 Vastgoedbeheer) heeft omstreeks 19 december 2025 een concept “Allonge I in de plaatsstellingsovereenkomst” aan Geelstroom toegezonden waarin (onder meer) is vermeld dat Geelstroom garant blijft staan voor nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst (productie 5 Geelstroom).
3.8.
In de periode november 2025 tot en met maart 2026 heeft [B.V.] facturen voor de huur van het winkelpand ontvangen en die betaald. Vanaf april 2026 worden de facturen van de huur weer aan Geelstroom gestuurd en door Geelstroom betaald.
3.9.
Begin februari 2026 is de samenwerking tussen partijen feitelijk beëindigd.
3.10.
Op 23 februari 2026 heeft [persoon 3] de sloten van het winkelpand laten vervangen en daarvan geen sleutel aan Geelstroom verstrekt. Geelstroom heeft daardoor geen toegang meer tot het gehuurde.
3.11.
Bij brief van 26 februari 2026 heeft de eerdere advocaat van Geelstroom aan [B.V.] medegedeeld:“(…)In oktober 2025 is tussen betrokkenen gesproken over een samenwerking via de nieuwe vennootschap [B.V.] (hierna: [B.V.] ) waarvan u samen met [persoon 1] aandeelhouder bent. In dat kader is beoogd de exploitatie van de winkel vanuit [B.V.] voor te zetten, mits een vergoeding van € 10.000,00 zou worden voldaan aan Geelstroom. Na betaling zou in dat geval een formele indeplaatstelling plaatsvinden, mits de verhuurder zou meewerken. In afwachting van betaling van de vergoeding en de formele indeplaatsstelling heeft Geelstroom [B.V.] toegestaan het winkelpand feitelijk en voorlopig te gebruiken ten behoeve van de exploitatie van de winkel. (…)
De samenwerkingsverhouding die aan het gebruik van het winkelpand ten grondslag lag, is als gevolg van ernstige verstoringen thans feitelijk beëindigd. De vergoeding van € 10.000,00 aan Geelstroom bleef uit, het loon van [persoon 1] (die werd aangesteld als werknemer in de functie van storemanager van [B.V.] ) werd nimmer betaald, er volgende geen indeplaatsstelling én u heeft op 23 februari jl. eigenhandig, zonder toestemming, de sloten van de winkel laten vervangen. Geelstroom is daarmee de facto de toegang tot haar eigen gehuurde bedrijfsruimte ontzegd. Dit handelen is onrechtmatig jegens Geelstroom en kan niet worden geduld.
(…) Geelstroom zegt hierbij het gebruik van het winkelpand door [B.V.] op, met onmiddellijke ingang dan wel met inachtneming van een termijn van veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief. Ik sommeer u hierbij namens cliënte om binnen 48 uur na dagtekening van deze brief de sleutels van alle thans geplaatste sloten aan mijn kantoor te verstrekken (…) en een afspraak in te plannen voor het ontruimen van de winkel.”
3.12.
Partijen hebben geprobeerd om afspraken te maken over beëindiging van de samenwerking, maar daarover geen overeenstemming bereikt. [B.V.] heeft het gehuurde nog steeds in gebruik en Geelstroom heeft daartoe geen toegang.
4Het geschil
In conventie
4.1.
Geelstroom vordert – na vermindering van eis ter zitting – dat [B.V.] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
1. om het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] , uiterlijk binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis volledig te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van Geelstroom te stellen, onder afgifte van alle sleutels, onder de uitdrukkelijke verplichting om het winkelpand bij ontruiming:
zonder schade op te leveren,
alle in het winkelpand aanwezige en aan Geelstroom, althans [persoon 1] toebehorende apparatuur, waaronder in ieder geval begrepen een iPad, ladder, monitor en labelprinter, in het winkelpand achter te laten,
de aanwezige alarmsystemen en camera-installaties intact en onbeschadigd achter te laten,
een en ander op straffe van een dwangsom;
2. om bij wijze van voorschot aan Geelstroom te betalen een vergoeding voor gebruik van het winkelpand in de periode van april 2026 tot en met de datum van daadwerkelijke ontruiming van € 1.562,72 per maand, zijnde de maanden dat Geelstroom de huur heeft betaald terwijl haar het gebruik door [B.V.] is ontzegd;
3. in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Geelstroom legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Geelstroom is nog steeds huurder van het winkelpand op grond van de met [persoon 2] gesloten huurovereenkomst. [B.V.] handelt onrechtmatig door het gehuurde zonder recht of titel in gebruik te hebben na opzegging van het gebruik. [B.V.] maakt inbreuk op het huurrecht van Geelstroom en verschaft Geelstroom ten onrechte geen toegang tot het gehuurde ondanks het terugvragen van de sleutels. [B.V.] is vanaf april 2026 een gebruiksvergoeding verschuldigd ter hoogte van de door Geelstroom betaalde huur omdat dit de schade is die Geelstroom tenminste lijdt door het onrechtmatige gebruik. Geelstroom heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat Geelstroom geen beschikking heeft over het door haar gehuurde winkelpand en gehinderd wordt om bedrijfsactiviteiten voort te zetten.
4.3.
[B.V.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Geelstroom.
4.4.
[B.V.] voert als verweer het volgende aan. De afspraak is gemaakt dat [persoon 3] een bedrag van € 10.000,00 zou betalen/investeren om alle contracten, waaronder ook de huur, over te nemen. Op 10 november 2025 had [persoon 3] al € 15.912,47 betaald/geïnvesteerd in [B.V.] , zodat aan deze afspraak volgens [B.V.] is voldaan. Er is sprake van een indeplaatsstelling omdat alle partijen het er over eens waren dat [B.V.] als huurder in de plaats zou worden gesteld van Geelstroom en [persoon 2] heeft daar uitvoering aan gegeven door het versturen van facturen en het opmaken van de akte tot indeplaatsstelling. Indien geoordeeld wordt dat geen sprake is van indeplaatsstelling dan heeft [B.V.] het winkelpand in onderhuur gekregen. Het was de bedoeling van partijen dat [B.V.] zich in het winkelpand zou vestigen en dat daar een vergoeding voor verschuldigd zou zijn aan Geelstroom. Voor zover geoordeeld wordt dat geen sprake is van onderhuur, dan is sprake van toegestaan gebruik voor langere tijd dat niet zomaar beëindigd kan worden. Geelstroom heeft het altijd goed gevonden dat [B.V.] in het gehuurde een winkel zou exploiteren. Bij toewijzing van de vordering tot ontruiming verzoekt [B.V.] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat het instellen van hoger beroep dan nog zinvol is en subsidiair verzoekt zij een ontruimingstermijn van zes maanden te gunnen. Oplegging van een dwangsom is niet nodig omdat [B.V.] gevolg zal geven aan een toegewezen ontruiming. Voor zover [B.V.] de gevorderde maandelijkse vergoeding verschuldigd is, beroept [B.V.] zich op verrekening met de door Geelstroom na 1 oktober 2025 via het pinapparaat toegeëigende betalingen. Betwist wordt dat Geelstroom een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen tot ontruiming en teruggave van goederen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
4.6.
[B.V.] vordert voorwaardelijk, als in conventie wordt geoordeeld dat [B.V.] geen rechten heeft ten aanzien van het winkelpand, dat:
Primair
Geelstroom wordt veroordeeld om binnen twee weken na de dag van het te wijzen vonnis de indeplaatsstellingsovereenkomst die door Geelstroom is overgelegd als productie 5 te ondertekenen en te sturen aan [B.V.] ;
[B.V.] wordt gemachtigd, indien Geelstroom niet binnen de onder 1 genoemde termijn de onder 1 genoemde indeplaatsstellingsovereenkomst heeft getekend, om mede namens Geelstroom deze indeplaatsstellingsovereenkomst te tekenen;
voor het geval [persoon 2] niet of niet langer bereid is om de op 19 december 2025 gedateerde indeplaatsstellingsovereenkomst te ondertekenen of geoordeeld wordt dat Geelstroom zich niet meer garant hoeft te stellen, dat [B.V.] wordt gemachtigd om (mede) namens Geelstroom een indeplaatsstellingsovereenkomst te sluiten met [persoon 2] onder voor [persoon 2] conveniërende voorwaarden die strekken tot zekerheid dat de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst worden nagekomen, zonder dat Geelstroom zich garant stelt of anderszins nog verplichtingen heeft jegens [persoon 2] uit hoofde van de huurovereenkomst d.d. 23 augustus 2024;
Subsidiair
4. [B.V.] wordt gemachtigd om binnen twee maanden na de dag van het te wijzen vonnis namens Geelstroom een procedure tot indeplaatsstelling te entameren jegens verhuurder [persoon 2] , waarbij wordt gevorderd dat [B.V.] als (opvolgend) huurder in de plaats treedt van Geelstroom zo nodig onder het door [B.V.] en/of haar bestuurder stellen van voldoende waarborgen voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering;
Meer subsidiair
5. Geelstroom wordt veroordeeld om binnen één maand na het te wijzen vonnis een procedure tot indeplaatsstelling te entameren jegens verhuurder [persoon 2] , waarbij wordt gevorderd dat [B.V.] als (opvolgend) huurder in de plaats treedt van Geelstroom, zo nodig onder het door [B.V.] en/of haar bestuurder stellen van voldoende waarborgen voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
6. Geelstroom wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom als zij niet voldoet aan één van de veroordelingen onder 1 en 5;
7. Geelstroom wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.7.
[B.V.] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Als geoordeeld wordt dat er geen geldige indeplaatsstelling is dan heeft [B.V.] er recht en belang bij dat daartoe alsnog wordt overgegaan, zodat zij in het winkelpand kan blijven.
4.8.
Geelstroom voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [B.V.] .
4.9.
Geelstroom voert als verweer het volgende aan. [B.V.] heeft geen gronden genoemd bij de vorderingen, hetgeen in strijd is met de goede procesorde en de vorderingen moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten. Er is inhoudelijk ook geen grond om de vorderingen van [B.V.] toe te wijzen. Er was namelijk nog helemaal geen overeenstemming tussen alle partijen over indeplaatsstelling.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie
Toetsingskader
5.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Geelstroom heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [B.V.] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Vordering tot ontruiming
5.2.
Het spoedeisend belang van Geelstroom bij de vordering tot ontruiming vloeit voort uit de aard ervan. Geelstroom stelt namelijk dat [B.V.] zonder recht of titel in het winkelpand verblijft. Het verweer van [B.V.] dat Geelstroom in februari 2026 al stelde dat zij zonder recht of titel in het winkelpand verbleef en er dus enige tijd is gewacht met het instellen van het kort geding, doet niet af aan het spoedeisend belang.
Indeplaatsstelling?
5.3.
[B.V.] beroept zich primair op indeplaatsstelling die volgens haar zou hebben plaatsgevonden waardoor zij huurder van het winkelpand is geworden. [B.V.] stelt dat er overeenstemming was over indeplaatsstelling, daar uitvoering aan is gegeven door het voorstel van de verhuurder tot indeplaatsstelling en het gedurende vijf maanden sturen van facturen voor de huur aan [B.V.] .
5.4.
Geelstroom betwist dat er sprake is van indeplaatsstelling omdat er geen overeenstemming over is tussen partijen en de indeplaatsstelling ook niet schriftelijk is vastgelegd. Geelstroom stelt dat er een intentie was tot indeplaatsstelling van [B.V.] als huurder, maar dat die afhankelijk was van veel omstandigheden en het daartoe niet is gekomen.
5.5.
Indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:307 BW is een bijzondere vorm van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW. Contractsoverneming is een driepartijenovereenkomst waarbij een partij de rechtsverhouding tot de wederpartij aan een derde overdraagt. Op grond van artikel 6:159 Burgerlijk Wetboek (BW) is daarvoor een schriftelijke akte tussen de overdrager en overnemer vereist en medewerking van de wederpartij. De schriftelijke akte tussen huurder en opvolgend huurder is een constitutief vereiste voor contractsovername en nu deze ontbreekt is Geelstroom huurder gebleven.
5.6.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure indeplaatsstelling van [B.V.] als opvolgend huurder van Geelstroom komt vast te staan.
Onderhuur?
5.7.
Subsidiair beroept [B.V.] zich op onderhuur van het winkelpand. Voor het aannemen van onderhuur is vereist dat [B.V.] met Geelstroom een huurovereenkomst heeft, dat Geelstroom het gebruik van het winkelpand verschaft en dat [B.V.] hiertegenover een tegenprestatie verricht (artikel 7:201 lid 1 BW). [B.V.] voert wel aan dat Geelstroom betaling van huur verlangde, maar van huurbetaling door [B.V.] aan Geelstroom is geen sprake (geweest). [B.V.] heeft juist gedurende vijf maanden huur betaald aan verhuurder [persoon 2] . Omdat niet gebleken is van een tegenprestatie van [B.V.] aan Geelstroom voor gebruik van het winkelpand kan voorshands niet van onderhuur worden uitgegaan. Het subsidiaire beroep op onderhuur slaagt daarom niet.
Gebruiksovereenkomst?
5.8.
Meer subsidiair beroept [B.V.] zich op een gebruiksovereenkomst voor langere tijd die niet zomaar kan worden opgezegd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een gebruiksovereenkomst voor bepaalde duur zijn overeengekomen of tot het bereiken van een bepaald doel (artikel 7A:1787 BW). Hierdoor moet voorshands uitgegaan worden van een gebruiksovereenkomst voor onbepaalde tijd. Een dergelijke gebruiksovereenkomst mag in beginsel worden opgezegd waarbij omstandigheden kunnen meebrengen dat een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen. Geelstroom heeft de gebruiksovereenkomst aan [B.V.] opgezegd bij brief van 26 februari 2026 “met onmiddellijke ingang dan wel met inachtneming van een termijn van veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief”. Het verweer van [B.V.] dat partijen na de brief nog onderhandeld hebben over een regeling, doet niet af aan de werking van de opzegging. De voorzieningenrechter gaat er voorshands vanuit dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat gelet op het tijdsverloop er voldoende tijd is gegeven aan [B.V.] om alternatieve winkelruimte te zoeken en dat de gebruiksovereenkomst als beëindigd wordt beschouwd.
5.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat [B.V.] zonder recht of titel in het winkelpand verblijft waardoor de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht het mede gelet op het verweer van [B.V.] redelijk om de ontruimingstermijn vast te stellen op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Goederen van Geelstroom/ [persoon 1] achterlaten?
5.10.
Geelstroom vordert dat [B.V.] bij de ontruiming de iPad, ladder, monitor en labelprinter alsmede de alarmsystemen en de camera-installaties achterlaat omdat deze aan Geelstroom of [persoon 1] toebehoren.
5.11.
[B.V.] betwist dat Geelstroom een spoedeisend belang heeft bij afgifte van de gevorderde goederen, maar aan dit verweer gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het achterlaten van goederen die niet aan [B.V.] toebehoren, hoort bij de wijze van oplevering waarbij Geelstroom een spoedeisend belang heeft. Verder is de proceseconomie ermee gebaat dat hierop gelijktijdig wordt beslist.
5.12.
Voor wat betreft de monitor heeft [B.V.] aangevoerd dat deze defect is gegaan en door [B.V.] is vervangen. Gelet hierop is [B.V.] niet in staat de monitor van Geelstroom terug te geven, zodat de gevorderde achterlating van de monitor zal worden afgewezen. Voor achterlating van de door [B.V.] aangeschafte monitor die geen eigendom is van Geelstroom bestaat namelijk geen grond. Ten aanzien van de iPad, ladder en labelprinter heeft [B.V.] erkend dat die er nog steeds zijn, zodat de vordering tot achterlating van die zaken zal worden toegewezen. Ook heeft [B.V.] erkend dat er een door Geelstroom geplaatst alarmsysteem en camerasysteem in het gehuurde aanwezig is, ten aanzien waarvan [B.V.] ook zal worden veroordeeld om die achter te laten. Het camerasysteem dat [B.V.] zelf heeft laten aanleggen in het gehuurde, hoeft zij vanzelfsprekend niet achter te laten.
Dwangsom
5.13.
De door Geelstroom gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Geelstroom heeft met de toegewezen ontruiming al een titel om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan. Daarbij komt dat Geelstroom dient te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Omdat een dergelijke onderbouwing ontbreekt, zal de gevorderde dwangsom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Gebruiksvergoeding
5.14.
De door Geelstroom gevorderde gebruiksvergoeding vanaf 1 april 2026 betreft betaling van een geldsom. Bij een dergelijke vordering heeft de rechter volgens vaste rechtspraak niet alleen te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.15.
[B.V.] beroept zich op verrekening met een vordering op Geelstroom van € 15.173,30. Volgens [B.V.] heeft Geelstroom dit bedrag onrechtmatig toegeëigend door betalingen te blijven ontvangen na 1 oktober 2025 via het pinapparaat in de winkel en het pinapparaat niet eerder aan te sluiten op de bankrekening van [B.V.] .
5.16.
Geelstroom betwist dat [B.V.] een tegenvordering op haar heeft. Geelstroom voert aan dat er ook door hem investeringen zijn gedaan in [B.V.] en hij geen inkomsten heeft ontvangen uit [B.V.] .
5.17.
Partijen hebben in het kader van de beëindiging van de samenwerking via [B.V.] over en weer gesteld dat zij bedragen van elkaar tegoed hebben. Die stellingen hebben zij verder niet nader onderbouwd in deze procedure, terwijl ieder inzicht in de administratie van [B.V.] ontbreekt. Een onderbouwd spoedeisend belang bij de betaling van een voorschot op de schade die Geelstroom heeft geleden als gevolg van het feit dat zij toegang tot het gehuurde had is niet gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is nader onderzoek nodig naar de bedragen die partijen – al dan niet als aandeelhouders van [B.V.] – over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. Dit kort geding leent zich daar niet voor. De vordering tot betaling van een voorschot op de schade wordt derhalve afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.18. Omdat [B.V.] verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die een veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Daarbij dient de kans van slagen van het aangewende – of aan te wenden – rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven (vgl. HR 29 november 1996,ECLI:NL:HR:1996:ZC2215). Daarnaast staan mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de weg, maar moeten (slechts) worden meegewogen (HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976).
5.19.
Met inachtneming van de voornoemde maatstaven is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van Geelstroom als rechtmatige huurder bij spoedige ontruiming van het winkelpand zwaarder weegt dan het belang van [B.V.] bij een verder verblijf in het winkelpand totdat in hoger beroep over het onderhavige geschil is geoordeeld. Dit betekent dat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis zal worden toegewezen.
Proceskosten
5.20.
[B.V.] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Geelstroom worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,66
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
2.067,66
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
5.22.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat [B.V.] geen recht heeft om in het winkelpand te verblijven en daarmee de voorwaarde waaronder [B.V.] haar vorderingen instelt is vervuld, wordt aan de beoordeling hiervan toegekomen.
Geen strijd met de goede procesorde
5.23.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het beroep van Geelstroom om de reconventionele vorderingen buiten beschouwing te laten. Hoewel in artikel 6.2 van het Landelijke procesreglement is bepaald dat de eis en de gronden voor de mondelinge behandeling moeten worden toegestuurd, geldt dat Geelstroom hierdoor in deze zaak niet in haar belangen is geschaad. [B.V.] heeft de vorderingen ter zitting namelijk verduidelijkt en Geelstroom heeft voldoende gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Primair: tekening indeplaatsstellingsovereenkomst
5.24
[B.V.] vordert dat Geelstroom de indeplaatsstellingsovereenkomst van 19 december 2025 tekent, dan wel dat zij wordt gemachtigd om namens Geelstroom te tekenen of wordt gemachtigd om (mede) namens Geelstroom een nieuwe indeplaatsstellings-overeenkomst te sluiten met [persoon 2] .
5.25
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt een wettelijke grondslag voor (gedwongen) ondertekening door Geelstroom. Ook een machtiging om namens Geelstroom de indeplaatsstellingsovereenkomst van 19 december 2025 te tekenen mist een wettelijke basis. Als een huurder zoals Geelstroom niet wil tekenen is dat een uiting van zijn wil. Die kan niet zomaar vervangen worden door een machtiging. Voor zover [B.V.] een beroep doet op artikel 3:300 BW geldt dat dit artikel ziet op vervanging van een rechtshandeling wanneer de verplichting tot die rechtshandeling reeds vaststaat. Dat laatste is juist in geschil tussen partijen. Ook de vordering om (mede) namens Geelstroom een nieuwe indeplaatsstellingsovereenkomst met [persoon 2] te sluiten heeft geen wettelijke basis.
5.26
Gelet op het vorenstaande wordt de primaire vordering afgewezen.
Subsidiair: voeren van een indeplaatsstellingsprocedure ex 7:307 BW namens Geelstroom
5.27
[B.V.] heeft deze vordering niet nader onderbouwd. Een grondslag voor deze vordering is niet gesteld. Deze vordering wordt om die reden afgewezen.
Meer subsidiair: veroordeling van Geelstroom om indeplaatsstellingsprocedure ex 7:307 BW te starten tegen [persoon 2] als verhuurder
5.28
Afgezien van het feit dat ook de grondslag voor deze vordering ontbreekt probeert [B.V.] als opvolgend huurder met deze vordering het wettelijke systeem van 7:307 BW te omzeilen. In dat systeem is het vorderingsrecht jegens de verhuurder expliciet voorbehouden aan de huurder. Bij gebrek aan grondslag zal deze vordering worden afgewezen.
Proceskosten
5.29
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Vanwege de verwevenheid van de vorderingen met de vorderingen in conventie, zal de voorzieningenrechter de helft van het liquidatietarief toekennen. De proceskosten van Geelstroom worden begroot op:
- salaris advocaat
€
588,50
(€ 1.177,00 / 2)
Totaal
€
588,50
In conventie en reconventie
5.30
Zowel in conventie als reconventie krijgt Geelstroom (grotendeels) gelijk. Dat betekent dat [B.V.] ook de nakosten van in totaal € 296,00 moet betalen aan Geelstroom.
5.31
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
6.1.
veroordeelt [B.V.] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] volledig te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van Geelstroom te stellen, onder afgifte van alle sleutels, onder de uitdrukkelijke verplichting om het winkelpand bij ontruiming:
zonder schade op te leveren,
alle in het winkelpand aanwezige en aan Geelstroom toebehorende apparatuur, zoals een iPad, ladder en labelprinter in het winkelpand achter te laten,
het door Geelstroom geplaatste alarmsysteem en de camera-installatie intact en onbeschadigd achter te laten,
6.2.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van € 2.067,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af,
6.6.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van € 588,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In conventie en in reconventie
6.7.
veroordeelt [B.V.] in de nakosten, aan de zijde van Geelstroom tot dit vonnis vastgesteld op € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien [B.V.] hier niet tijdig aan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/449070 / KG ZA 26-309
Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEELSTROOM B.V.,
te Etten-Leur ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Geelstroom,
advocaat: mr. J.A. Vermeeren,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V.],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [B.V.] ,
advocaat: mr. O. Lenselink.
1De zaak in het kort
1.1.
Geelstroom vordert in conventie ontruiming van het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] en betaling van een gebruiksvergoeding door [B.V.] . Geelstroom stelt het winkelpand nog steeds te huren en dat [B.V.] daarin zonder recht of titel verblijft. [B.V.] betwist de vorderingen en beroept zich primair op overname van de huurovereenkomst door indeplaatsstelling, subsidiair onderhuur en meer subsidiair een gebruiksovereenkomst die niet zomaar kan worden opgezegd. In voorwaardelijke reconventie stelt [B.V.] vorderingen in met betrekking tot indeplaatsstelling.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen in conventie toe omdat [B.V.] geen grond heeft om in het gehuurde te verblijven. In reconventie wijst de voorzieningenrechter de vorderingen af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
2
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2026 met producties 0 tot en met 8;
- de akte van [B.V.] met een voorwaardelijke eis in reconventie;
- de door [B.V.] overgelegde producties 1 tot en met 14;- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026;- de pleitnota van [B.V.] .
3De feiten
3.1.
Sinds augustus 2024 exploiteert [persoon 1] met zijn eenmanszaak een parfumeriewinkel in [plaats 3] onder de handelsnaam [B.V.] .
3.2.
Op 17 oktober 2023 heeft [persoon 1] de besloten vennootschap Geelstroom B.V. (hierna: Geelstroom) opgericht. [persoon 1] is indirect bestuurder en aandeelhouder van Geelstroom.
3.3.
Op 23 augustus 2024 heeft Geelstroom een huurovereenkomst gesloten met de heer [persoon 2] voor het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde of het winkelpand) ter exploitatie van een parfumeriewinkel.
3.4.
In september 2025 heeft [persoon 1] de heer [persoon 3] gesproken over een samenwerking. In het kader van de samenwerking hebben zij op 7 oktober 2025 de besloten vennootschap [B.V.] opgericht. [persoon 1] heeft 49% van de aandelen en [persoon 3] heeft 49% van de aandelen in [B.V.] . [persoon 3] is bestuurder van [B.V.] .
3.5.
[persoon 1] en [persoon 3] hadden de bedoeling om met [B.V.] de parfumeriewinkel in het gehuurde te exploiteren. Zij hebben toen ook gesproken over een door [persoon 3] te betalen bedrag van € 10.000,00 aan Geelstroom.
3.6.
[B.V.] heeft het gehuurde omstreeks oktober 2025 in gebruik genomen als parfumeriewinkel en de bedoeling van [persoon 1] en [persoon 3] was dat [B.V.] als huurder in de plaats van Geelstroom zou gaan huren.
3.7.
De beheerder van [persoon 2] (Dreef5 Vastgoedbeheer) heeft omstreeks 19 december 2025 een concept “Allonge I in de plaatsstellingsovereenkomst” aan Geelstroom toegezonden waarin (onder meer) is vermeld dat Geelstroom garant blijft staan voor nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst (productie 5 Geelstroom).
3.8.
In de periode november 2025 tot en met maart 2026 heeft [B.V.] facturen voor de huur van het winkelpand ontvangen en die betaald. Vanaf april 2026 worden de facturen van de huur weer aan Geelstroom gestuurd en door Geelstroom betaald.
3.9.
Begin februari 2026 is de samenwerking tussen partijen feitelijk beëindigd.
3.10.
Op 23 februari 2026 heeft [persoon 3] de sloten van het winkelpand laten vervangen en daarvan geen sleutel aan Geelstroom verstrekt. Geelstroom heeft daardoor geen toegang meer tot het gehuurde.
3.11.
Bij brief van 26 februari 2026 heeft de eerdere advocaat van Geelstroom aan [B.V.] medegedeeld:“(…)In oktober 2025 is tussen betrokkenen gesproken over een samenwerking via de nieuwe vennootschap [B.V.] (hierna: [B.V.] ) waarvan u samen met [persoon 1] aandeelhouder bent. In dat kader is beoogd de exploitatie van de winkel vanuit [B.V.] voor te zetten, mits een vergoeding van € 10.000,00 zou worden voldaan aan Geelstroom. Na betaling zou in dat geval een formele indeplaatstelling plaatsvinden, mits de verhuurder zou meewerken. In afwachting van betaling van de vergoeding en de formele indeplaatsstelling heeft Geelstroom [B.V.] toegestaan het winkelpand feitelijk en voorlopig te gebruiken ten behoeve van de exploitatie van de winkel. (…)
De samenwerkingsverhouding die aan het gebruik van het winkelpand ten grondslag lag, is als gevolg van ernstige verstoringen thans feitelijk beëindigd. De vergoeding van € 10.000,00 aan Geelstroom bleef uit, het loon van [persoon 1] (die werd aangesteld als werknemer in de functie van storemanager van [B.V.] ) werd nimmer betaald, er volgende geen indeplaatsstelling én u heeft op 23 februari jl. eigenhandig, zonder toestemming, de sloten van de winkel laten vervangen. Geelstroom is daarmee de facto de toegang tot haar eigen gehuurde bedrijfsruimte ontzegd. Dit handelen is onrechtmatig jegens Geelstroom en kan niet worden geduld.
(…) Geelstroom zegt hierbij het gebruik van het winkelpand door [B.V.] op, met onmiddellijke ingang dan wel met inachtneming van een termijn van veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief. Ik sommeer u hierbij namens cliënte om binnen 48 uur na dagtekening van deze brief de sleutels van alle thans geplaatste sloten aan mijn kantoor te verstrekken (…) en een afspraak in te plannen voor het ontruimen van de winkel.”
3.12.
Partijen hebben geprobeerd om afspraken te maken over beëindiging van de samenwerking, maar daarover geen overeenstemming bereikt. [B.V.] heeft het gehuurde nog steeds in gebruik en Geelstroom heeft daartoe geen toegang.
4Het geschil
In conventie
4.1.
Geelstroom vordert – na vermindering van eis ter zitting – dat [B.V.] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
1. om het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] , uiterlijk binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis volledig te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van Geelstroom te stellen, onder afgifte van alle sleutels, onder de uitdrukkelijke verplichting om het winkelpand bij ontruiming:
zonder schade op te leveren,
alle in het winkelpand aanwezige en aan Geelstroom, althans [persoon 1] toebehorende apparatuur, waaronder in ieder geval begrepen een iPad, ladder, monitor en labelprinter, in het winkelpand achter te laten,
de aanwezige alarmsystemen en camera-installaties intact en onbeschadigd achter te laten,
een en ander op straffe van een dwangsom;
2. om bij wijze van voorschot aan Geelstroom te betalen een vergoeding voor gebruik van het winkelpand in de periode van april 2026 tot en met de datum van daadwerkelijke ontruiming van € 1.562,72 per maand, zijnde de maanden dat Geelstroom de huur heeft betaald terwijl haar het gebruik door [B.V.] is ontzegd;
3. in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Geelstroom legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Geelstroom is nog steeds huurder van het winkelpand op grond van de met [persoon 2] gesloten huurovereenkomst. [B.V.] handelt onrechtmatig door het gehuurde zonder recht of titel in gebruik te hebben na opzegging van het gebruik. [B.V.] maakt inbreuk op het huurrecht van Geelstroom en verschaft Geelstroom ten onrechte geen toegang tot het gehuurde ondanks het terugvragen van de sleutels. [B.V.] is vanaf april 2026 een gebruiksvergoeding verschuldigd ter hoogte van de door Geelstroom betaalde huur omdat dit de schade is die Geelstroom tenminste lijdt door het onrechtmatige gebruik. Geelstroom heeft een spoedeisend belang bij de vorderingen omdat Geelstroom geen beschikking heeft over het door haar gehuurde winkelpand en gehinderd wordt om bedrijfsactiviteiten voort te zetten.
4.3.
[B.V.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Geelstroom.
4.4.
[B.V.] voert als verweer het volgende aan. De afspraak is gemaakt dat [persoon 3] een bedrag van € 10.000,00 zou betalen/investeren om alle contracten, waaronder ook de huur, over te nemen. Op 10 november 2025 had [persoon 3] al € 15.912,47 betaald/geïnvesteerd in [B.V.] , zodat aan deze afspraak volgens [B.V.] is voldaan. Er is sprake van een indeplaatsstelling omdat alle partijen het er over eens waren dat [B.V.] als huurder in de plaats zou worden gesteld van Geelstroom en [persoon 2] heeft daar uitvoering aan gegeven door het versturen van facturen en het opmaken van de akte tot indeplaatsstelling. Indien geoordeeld wordt dat geen sprake is van indeplaatsstelling dan heeft [B.V.] het winkelpand in onderhuur gekregen. Het was de bedoeling van partijen dat [B.V.] zich in het winkelpand zou vestigen en dat daar een vergoeding voor verschuldigd zou zijn aan Geelstroom. Voor zover geoordeeld wordt dat geen sprake is van onderhuur, dan is sprake van toegestaan gebruik voor langere tijd dat niet zomaar beëindigd kan worden. Geelstroom heeft het altijd goed gevonden dat [B.V.] in het gehuurde een winkel zou exploiteren. Bij toewijzing van de vordering tot ontruiming verzoekt [B.V.] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat het instellen van hoger beroep dan nog zinvol is en subsidiair verzoekt zij een ontruimingstermijn van zes maanden te gunnen. Oplegging van een dwangsom is niet nodig omdat [B.V.] gevolg zal geven aan een toegewezen ontruiming. Voor zover [B.V.] de gevorderde maandelijkse vergoeding verschuldigd is, beroept [B.V.] zich op verrekening met de door Geelstroom na 1 oktober 2025 via het pinapparaat toegeëigende betalingen. Betwist wordt dat Geelstroom een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen tot ontruiming en teruggave van goederen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
4.6.
[B.V.] vordert voorwaardelijk, als in conventie wordt geoordeeld dat [B.V.] geen rechten heeft ten aanzien van het winkelpand, dat:
Primair
Geelstroom wordt veroordeeld om binnen twee weken na de dag van het te wijzen vonnis de indeplaatsstellingsovereenkomst die door Geelstroom is overgelegd als productie 5 te ondertekenen en te sturen aan [B.V.] ;
[B.V.] wordt gemachtigd, indien Geelstroom niet binnen de onder 1 genoemde termijn de onder 1 genoemde indeplaatsstellingsovereenkomst heeft getekend, om mede namens Geelstroom deze indeplaatsstellingsovereenkomst te tekenen;
voor het geval [persoon 2] niet of niet langer bereid is om de op 19 december 2025 gedateerde indeplaatsstellingsovereenkomst te ondertekenen of geoordeeld wordt dat Geelstroom zich niet meer garant hoeft te stellen, dat [B.V.] wordt gemachtigd om (mede) namens Geelstroom een indeplaatsstellingsovereenkomst te sluiten met [persoon 2] onder voor [persoon 2] conveniërende voorwaarden die strekken tot zekerheid dat de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst worden nagekomen, zonder dat Geelstroom zich garant stelt of anderszins nog verplichtingen heeft jegens [persoon 2] uit hoofde van de huurovereenkomst d.d. 23 augustus 2024;
Subsidiair
4. [B.V.] wordt gemachtigd om binnen twee maanden na de dag van het te wijzen vonnis namens Geelstroom een procedure tot indeplaatsstelling te entameren jegens verhuurder [persoon 2] , waarbij wordt gevorderd dat [B.V.] als (opvolgend) huurder in de plaats treedt van Geelstroom zo nodig onder het door [B.V.] en/of haar bestuurder stellen van voldoende waarborgen voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering;
Meer subsidiair
5. Geelstroom wordt veroordeeld om binnen één maand na het te wijzen vonnis een procedure tot indeplaatsstelling te entameren jegens verhuurder [persoon 2] , waarbij wordt gevorderd dat [B.V.] als (opvolgend) huurder in de plaats treedt van Geelstroom, zo nodig onder het door [B.V.] en/of haar bestuurder stellen van voldoende waarborgen voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en een behoorlijke bedrijfsvoering;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
6. Geelstroom wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom als zij niet voldoet aan één van de veroordelingen onder 1 en 5;
7. Geelstroom wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.7.
[B.V.] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Als geoordeeld wordt dat er geen geldige indeplaatsstelling is dan heeft [B.V.] er recht en belang bij dat daartoe alsnog wordt overgegaan, zodat zij in het winkelpand kan blijven.
4.8.
Geelstroom voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [B.V.] .
4.9.
Geelstroom voert als verweer het volgende aan. [B.V.] heeft geen gronden genoemd bij de vorderingen, hetgeen in strijd is met de goede procesorde en de vorderingen moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten. Er is inhoudelijk ook geen grond om de vorderingen van [B.V.] toe te wijzen. Er was namelijk nog helemaal geen overeenstemming tussen alle partijen over indeplaatsstelling.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
In conventie
Toetsingskader
5.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Geelstroom heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [B.V.] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Vordering tot ontruiming
5.2.
Het spoedeisend belang van Geelstroom bij de vordering tot ontruiming vloeit voort uit de aard ervan. Geelstroom stelt namelijk dat [B.V.] zonder recht of titel in het winkelpand verblijft. Het verweer van [B.V.] dat Geelstroom in februari 2026 al stelde dat zij zonder recht of titel in het winkelpand verbleef en er dus enige tijd is gewacht met het instellen van het kort geding, doet niet af aan het spoedeisend belang.
Indeplaatsstelling?
5.3.
[B.V.] beroept zich primair op indeplaatsstelling die volgens haar zou hebben plaatsgevonden waardoor zij huurder van het winkelpand is geworden. [B.V.] stelt dat er overeenstemming was over indeplaatsstelling, daar uitvoering aan is gegeven door het voorstel van de verhuurder tot indeplaatsstelling en het gedurende vijf maanden sturen van facturen voor de huur aan [B.V.] .
5.4.
Geelstroom betwist dat er sprake is van indeplaatsstelling omdat er geen overeenstemming over is tussen partijen en de indeplaatsstelling ook niet schriftelijk is vastgelegd. Geelstroom stelt dat er een intentie was tot indeplaatsstelling van [B.V.] als huurder, maar dat die afhankelijk was van veel omstandigheden en het daartoe niet is gekomen.
5.5.
Indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:307 BW is een bijzondere vorm van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW. Contractsoverneming is een driepartijenovereenkomst waarbij een partij de rechtsverhouding tot de wederpartij aan een derde overdraagt. Op grond van artikel 6:159 Burgerlijk Wetboek (BW) is daarvoor een schriftelijke akte tussen de overdrager en overnemer vereist en medewerking van de wederpartij. De schriftelijke akte tussen huurder en opvolgend huurder is een constitutief vereiste voor contractsovername en nu deze ontbreekt is Geelstroom huurder gebleven.
5.6.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure indeplaatsstelling van [B.V.] als opvolgend huurder van Geelstroom komt vast te staan.
Onderhuur?
5.7.
Subsidiair beroept [B.V.] zich op onderhuur van het winkelpand. Voor het aannemen van onderhuur is vereist dat [B.V.] met Geelstroom een huurovereenkomst heeft, dat Geelstroom het gebruik van het winkelpand verschaft en dat [B.V.] hiertegenover een tegenprestatie verricht (artikel 7:201 lid 1 BW). [B.V.] voert wel aan dat Geelstroom betaling van huur verlangde, maar van huurbetaling door [B.V.] aan Geelstroom is geen sprake (geweest). [B.V.] heeft juist gedurende vijf maanden huur betaald aan verhuurder [persoon 2] . Omdat niet gebleken is van een tegenprestatie van [B.V.] aan Geelstroom voor gebruik van het winkelpand kan voorshands niet van onderhuur worden uitgegaan. Het subsidiaire beroep op onderhuur slaagt daarom niet.
Gebruiksovereenkomst?
5.8.
Meer subsidiair beroept [B.V.] zich op een gebruiksovereenkomst voor langere tijd die niet zomaar kan worden opgezegd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een gebruiksovereenkomst voor bepaalde duur zijn overeengekomen of tot het bereiken van een bepaald doel (artikel 7A:1787 BW). Hierdoor moet voorshands uitgegaan worden van een gebruiksovereenkomst voor onbepaalde tijd. Een dergelijke gebruiksovereenkomst mag in beginsel worden opgezegd waarbij omstandigheden kunnen meebrengen dat een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen. Geelstroom heeft de gebruiksovereenkomst aan [B.V.] opgezegd bij brief van 26 februari 2026 “met onmiddellijke ingang dan wel met inachtneming van een termijn van veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief”. Het verweer van [B.V.] dat partijen na de brief nog onderhandeld hebben over een regeling, doet niet af aan de werking van de opzegging. De voorzieningenrechter gaat er voorshands vanuit dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat gelet op het tijdsverloop er voldoende tijd is gegeven aan [B.V.] om alternatieve winkelruimte te zoeken en dat de gebruiksovereenkomst als beëindigd wordt beschouwd.
5.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat [B.V.] zonder recht of titel in het winkelpand verblijft waardoor de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht het mede gelet op het verweer van [B.V.] redelijk om de ontruimingstermijn vast te stellen op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Goederen van Geelstroom/ [persoon 1] achterlaten?
5.10.
Geelstroom vordert dat [B.V.] bij de ontruiming de iPad, ladder, monitor en labelprinter alsmede de alarmsystemen en de camera-installaties achterlaat omdat deze aan Geelstroom of [persoon 1] toebehoren.
5.11.
[B.V.] betwist dat Geelstroom een spoedeisend belang heeft bij afgifte van de gevorderde goederen, maar aan dit verweer gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het achterlaten van goederen die niet aan [B.V.] toebehoren, hoort bij de wijze van oplevering waarbij Geelstroom een spoedeisend belang heeft. Verder is de proceseconomie ermee gebaat dat hierop gelijktijdig wordt beslist.
5.12.
Voor wat betreft de monitor heeft [B.V.] aangevoerd dat deze defect is gegaan en door [B.V.] is vervangen. Gelet hierop is [B.V.] niet in staat de monitor van Geelstroom terug te geven, zodat de gevorderde achterlating van de monitor zal worden afgewezen. Voor achterlating van de door [B.V.] aangeschafte monitor die geen eigendom is van Geelstroom bestaat namelijk geen grond. Ten aanzien van de iPad, ladder en labelprinter heeft [B.V.] erkend dat die er nog steeds zijn, zodat de vordering tot achterlating van die zaken zal worden toegewezen. Ook heeft [B.V.] erkend dat er een door Geelstroom geplaatst alarmsysteem en camerasysteem in het gehuurde aanwezig is, ten aanzien waarvan [B.V.] ook zal worden veroordeeld om die achter te laten. Het camerasysteem dat [B.V.] zelf heeft laten aanleggen in het gehuurde, hoeft zij vanzelfsprekend niet achter te laten.
Dwangsom
5.13.
De door Geelstroom gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Geelstroom heeft met de toegewezen ontruiming al een titel om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan. Daarbij komt dat Geelstroom dient te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Omdat een dergelijke onderbouwing ontbreekt, zal de gevorderde dwangsom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Gebruiksvergoeding
5.14.
De door Geelstroom gevorderde gebruiksvergoeding vanaf 1 april 2026 betreft betaling van een geldsom. Bij een dergelijke vordering heeft de rechter volgens vaste rechtspraak niet alleen te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.15.
[B.V.] beroept zich op verrekening met een vordering op Geelstroom van € 15.173,30. Volgens [B.V.] heeft Geelstroom dit bedrag onrechtmatig toegeëigend door betalingen te blijven ontvangen na 1 oktober 2025 via het pinapparaat in de winkel en het pinapparaat niet eerder aan te sluiten op de bankrekening van [B.V.] .
5.16.
Geelstroom betwist dat [B.V.] een tegenvordering op haar heeft. Geelstroom voert aan dat er ook door hem investeringen zijn gedaan in [B.V.] en hij geen inkomsten heeft ontvangen uit [B.V.] .
5.17.
Partijen hebben in het kader van de beëindiging van de samenwerking via [B.V.] over en weer gesteld dat zij bedragen van elkaar tegoed hebben. Die stellingen hebben zij verder niet nader onderbouwd in deze procedure, terwijl ieder inzicht in de administratie van [B.V.] ontbreekt. Een onderbouwd spoedeisend belang bij de betaling van een voorschot op de schade die Geelstroom heeft geleden als gevolg van het feit dat zij toegang tot het gehuurde had is niet gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is nader onderzoek nodig naar de bedragen die partijen – al dan niet als aandeelhouders van [B.V.] – over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. Dit kort geding leent zich daar niet voor. De vordering tot betaling van een voorschot op de schade wordt derhalve afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.18. Omdat [B.V.] verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die een veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Daarbij dient de kans van slagen van het aangewende – of aan te wenden – rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven (vgl. HR 29 november 1996,ECLI:NL:HR:1996:ZC2215). Daarnaast staan mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de weg, maar moeten (slechts) worden meegewogen (HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976).
5.19.
Met inachtneming van de voornoemde maatstaven is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van Geelstroom als rechtmatige huurder bij spoedige ontruiming van het winkelpand zwaarder weegt dan het belang van [B.V.] bij een verder verblijf in het winkelpand totdat in hoger beroep over het onderhavige geschil is geoordeeld. Dit betekent dat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis zal worden toegewezen.
Proceskosten
5.20.
[B.V.] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Geelstroom worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,66
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
2.067,66
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
5.22.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat [B.V.] geen recht heeft om in het winkelpand te verblijven en daarmee de voorwaarde waaronder [B.V.] haar vorderingen instelt is vervuld, wordt aan de beoordeling hiervan toegekomen.
Geen strijd met de goede procesorde
5.23.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het beroep van Geelstroom om de reconventionele vorderingen buiten beschouwing te laten. Hoewel in artikel 6.2 van het Landelijke procesreglement is bepaald dat de eis en de gronden voor de mondelinge behandeling moeten worden toegestuurd, geldt dat Geelstroom hierdoor in deze zaak niet in haar belangen is geschaad. [B.V.] heeft de vorderingen ter zitting namelijk verduidelijkt en Geelstroom heeft voldoende gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Primair: tekening indeplaatsstellingsovereenkomst
5.24
[B.V.] vordert dat Geelstroom de indeplaatsstellingsovereenkomst van 19 december 2025 tekent, dan wel dat zij wordt gemachtigd om namens Geelstroom te tekenen of wordt gemachtigd om (mede) namens Geelstroom een nieuwe indeplaatsstellings-overeenkomst te sluiten met [persoon 2] .
5.25
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt een wettelijke grondslag voor (gedwongen) ondertekening door Geelstroom. Ook een machtiging om namens Geelstroom de indeplaatsstellingsovereenkomst van 19 december 2025 te tekenen mist een wettelijke basis. Als een huurder zoals Geelstroom niet wil tekenen is dat een uiting van zijn wil. Die kan niet zomaar vervangen worden door een machtiging. Voor zover [B.V.] een beroep doet op artikel 3:300 BW geldt dat dit artikel ziet op vervanging van een rechtshandeling wanneer de verplichting tot die rechtshandeling reeds vaststaat. Dat laatste is juist in geschil tussen partijen. Ook de vordering om (mede) namens Geelstroom een nieuwe indeplaatsstellingsovereenkomst met [persoon 2] te sluiten heeft geen wettelijke basis.
5.26
Gelet op het vorenstaande wordt de primaire vordering afgewezen.
Subsidiair: voeren van een indeplaatsstellingsprocedure ex 7:307 BW namens Geelstroom
5.27
[B.V.] heeft deze vordering niet nader onderbouwd. Een grondslag voor deze vordering is niet gesteld. Deze vordering wordt om die reden afgewezen.
Meer subsidiair: veroordeling van Geelstroom om indeplaatsstellingsprocedure ex 7:307 BW te starten tegen [persoon 2] als verhuurder
5.28
Afgezien van het feit dat ook de grondslag voor deze vordering ontbreekt probeert [B.V.] als opvolgend huurder met deze vordering het wettelijke systeem van 7:307 BW te omzeilen. In dat systeem is het vorderingsrecht jegens de verhuurder expliciet voorbehouden aan de huurder. Bij gebrek aan grondslag zal deze vordering worden afgewezen.
Proceskosten
5.29
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Vanwege de verwevenheid van de vorderingen met de vorderingen in conventie, zal de voorzieningenrechter de helft van het liquidatietarief toekennen. De proceskosten van Geelstroom worden begroot op:
- salaris advocaat
€
588,50
(€ 1.177,00 / 2)
Totaal
€
588,50
In conventie en reconventie
5.30
Zowel in conventie als reconventie krijgt Geelstroom (grotendeels) gelijk. Dat betekent dat [B.V.] ook de nakosten van in totaal € 296,00 moet betalen aan Geelstroom.
5.31
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
6.1.
veroordeelt [B.V.] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het winkelpand aan [adres] te [plaats 2] volledig te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschikking van Geelstroom te stellen, onder afgifte van alle sleutels, onder de uitdrukkelijke verplichting om het winkelpand bij ontruiming:
zonder schade op te leveren,
alle in het winkelpand aanwezige en aan Geelstroom toebehorende apparatuur, zoals een iPad, ladder en labelprinter in het winkelpand achter te laten,
het door Geelstroom geplaatste alarmsysteem en de camera-installatie intact en onbeschadigd achter te laten,
6.2.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van € 2.067,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af,
6.6.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van € 588,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In conventie en in reconventie
6.7.
veroordeelt [B.V.] in de nakosten, aan de zijde van Geelstroom tot dit vonnis vastgesteld op € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien [B.V.] hier niet tijdig aan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.