Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8509

2026-09-04 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/4234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-04
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/4234
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting, ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.350 tekens)
vRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/4234


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema verbonden aan Bezwaartegenverkeersboetes.nl),


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 juli 2025.



1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.



1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 31 juli 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.





Feiten


2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 22 januari 2025 omstreeks 11.35 uur geparkeerd aan de [straat] te [plaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is door middel van een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.



2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 53,70 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,70 en € 51 aan kosten van de naheffingsaanslag.


2.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. Omdat de naheffingsaanslag volgens de heffingsambtenaar niet wordt herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid, is het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.





Beoordeling door de rechtbank


3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



3.1.
De rechtbank is van oordeel dat terecht geen kostenvergoeding in bezwaar is toegekend omdat geen sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Heeft de heffingsambtenaar het verzoek tot proceskostenvergoeding in bezwaar terecht afgewezen?





3.2.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat in geschil is of de heffingsambtenaar terecht geen proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend, zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid.



3.3.
Belanghebbende voert aan dat in dit geval sprake is van een dergelijke onrechtmatigheid. De onrechtmatigheid die aan de heffingsambtenaar is te wijten, is daarin gelegen dat de heffingsambtenaar ten tijde van de controle niet heeft opgemerkt dat de door belanghebbende verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende heeft hiertoe in de bezwaarfase een betalingsbewijs overgelegd. Derhalve bestond voor de heffingsambtenaar geen aanleiding om een naheffingsaanslag op te leggen, aldus belanghebbende.



3.4.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet is herroepen vanwege een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Nu belanghebbende het voertuig met zijn parkeerapp in de verkeerde zone heeft aangemeld, kon tijdens de controle niet worden vastgesteld dat belanghebbende parkeerbelasting had betaald, aldus de heffingsambtenaar.



3.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om voor de juiste parkeerzone parkeerbelasting te voldoen. Dat de parkeerapp van belanghebbende een andere parkeerzone aangaf, komt niet voor rekening en risico van de heffingsambtenaar maar voor die van belanghebbende. De parkeerder heeft volgens vaste rechtspraak een onderzoeksplicht voorafgaand aan het parkeren. Het lag op de weg van belanghebbende om te controleren of de parkeeractie werd gestart voor de juiste zone waarin belanghebbende zich bevond. Dit geldt ook wanneer een zone automatisch door een parkeerapp wordt ingevuld. Het feit dat er al dan niet veel verschillende zones in een gebied voorkomen, maakt dat niet anders. De heffingsambtenaar is niet gehouden na te gaan of een belastingplichtige wellicht per abuis parkeerbelasting voor een andere parkeerzone heeft voldaan. Van een vernietiging wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid is in dit geval dan ook geen sprake.
De omstandigheid dat de locatie waar belanghebbende heeft geparkeerd vanaf 6 februari 2025 onder het zonenummer valt waarvoor belanghebbende heeft betaald, maakt voorgaande niet anders. Immers, ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag behoorde de locatie waar belanghebbende heeft geparkeerd tot een andere zone.




3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op voorgaande, geen sprake van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat de heffingsambtenaar terecht het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft afgewezen.





Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


ECLI:NL:GHDHA:2024:407, r.o. 5.3.