Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8507
2026-09-03
Bestuursrecht
BRE 25/5942
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:8177 Rechtbank Amsterdam 18-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2010:BN0491 Raad van State 07-07-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.528 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5942 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. G. Kaya),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en de hoogte van de aan haar toegekende tegemoetkoming vanwege de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de hoogte van de O/GS tegemoetkoming.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiseres geen hogere compensatie heeft toegekend op grond van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 januari 2023 (primair besluit I) heeft de Dienst Toeslagen voor wat betreft toeslagjaar 2011 de aanvraag toegewezen en voor wat betreft de toeslagjaren 2012 en 2013 afgewezen. Met het besluit van 25 januari 2023 (primair besluit II) heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2013. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de primaire besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. F.F.M. van de Kamp namens de Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich met voorafgaande kennisgeving afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres en haar partner hebben drie kinderen.
3.1.
De partner van eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen over de toeslagjaren 2007 tot 2011. De Dienst Toeslagen heeft met verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over deze toeslagjaren verlaagd of op nihil vastgesteld. De partner van eiseres heeft zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Aan hem is een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling. Met het besluit van 19 januari 2023 is aan hem definitieve compensatie van € 35.331,- toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2011. Met het besluit van 25 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming aan de partner van eiseres toegekend van € 792,- voor de toeslagjaren 2008 en 2009. De partner van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
3.2.
Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013. De Dienst Toeslagen heeft met verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over deze toeslagjaren op nihil vastgesteld.
3.3.
Op 1 maart 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.
3.4.
Met het besluit van 20 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan eiseres een bedrag toe te kennen op basis van de Catshuisregeling.
3.5.
Met het primaire besluit I heeft de Dienst Toeslagen de definitieve compensatie voor toeslagjaar 2011 vastgesteld op € 25.639,- vanwege vooringenomen handelen. Over de toeslagjaren 2012 en 2013 bestaat geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen en omdat geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem.
Met het primaire besluit II heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming aan eiseres toegekend van € 1.654,- over toeslagjaar 2013.
3.6.
Eiseres heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Eiseres heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftenadviescommissie (Bac) op 24 oktober 2024.
3.7.
De Bac heeft geadviseerd om het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond te verklaren. In de beschouwing van 4 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen voldoende toegelicht dat uit de systemen blijkt dat eiseres voor de jaren 2007 en 2008 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Ook is gebleken dat eiseres over de jaren 2009 en 2010 geen herbeoordeling heeft aangevraagd, omdat haar toeslagpartner voor deze jaren kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Deze jaren zijn in de integrale herbeoordeling op verzoek van de toeslagpartner verwerkt. De Bac is genoodzaakt haar advies te beperken tot de jaren waarvoor eiseres de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en die bij de herbeoordeling zijn betrokken. De jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 blijven derhalve in het advies buiten beschouwing.
De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de hoorzitting verklaard akkoord te zijn met de herbeoordeling van 2011. Het bezwaar wordt op dit onderdeel derhalve als ingetrokken beschouwd.
Met betrekking tot toeslagjaar 2012 is in het informatie- en beoordelingsformulier overwogen dat in het systeem staat dat eiseres drie uren gewerkt heeft over het gehele jaar en dat de toeslagpartner een WW-uitkering heeft ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft een uitdraai overgelegd van het systeem fiscale loongegevens (FLG). Daaruit blijkt niet dat eiseres heeft gewerkt in 2012. De twee jongste kinderen van eiseres zouden in 2012 naar de middelbare school (kunnen) gaan vanwege het bereiken van de 12-jarige leeftijd. De vraag rijst waarom eiseres in dat jaar 150 uur per week per kind van een gastouder zou afnemen, terwijl de toeslagpartner een uitkering ontvangt en er conform de destijds geldende wetgeving geen recht zou bestaan op kinderopvangtoeslag (vanwege het vereiste van twee werkende ouders). Tijdens het bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die leiden tot de conclusie dat eiseres in 2012 wel recht had op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zich hierbij mogen baseren op het FLG, omdat dit systeem een essentieel element is voor de heffing van belastingen. Omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag in 2012, komt eiseres met betrekking tot dat jaar geen compensatie toe.
Met betrekking tot toeslagjaar 2013 heeft de Bac overwogen dat uit de gegevens van de Dienst Toeslagen en het dossier niet blijkt dat eiseres in 2013 heeft gewerkt en evenmin dat zij opvang heeft afgenomen. Eiseres heeft in 2015 schriftelijk verklaard geen opvang te hebben afgenomen. De Dienst Toeslagen heeft dan ook op goede gronden als uitgangspunt genomen dat eiseres over 2013 geen recht heeft gehad op kinderopvangtoeslag. Tijdens het bezwaar heeft eiseres geen feiten aannemelijk gemaakt die tot een andersluidende conclusie kunnen leiden. Aangezien eiseres over 2013 geen recht had op kinderopvangtoeslag, is geen sprake van recht op compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
De Bac heeft geadviseerd om het bezwaar tegen het primaire besluit II gegrond te verklaren, de O/GS berekening opnieuw te maken en te motiveren. Het is niet aannemelijk geworden dat eiseres werkte in 2013. Eiseres voldeed daarom niet aan de criteria om kinderopvangtoeslag te ontvangen. Eiseres heeft bovendien zelf verklaard geen opvang te hebben afgenomen over 2013. De kinderen hadden de schoolgaande leeftijd in 2013. Ook bleken de kinderen niet bekend hij de opvanginstelling. Voormelde feitencomplex kwalificeert in beginsel als een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De vraag die rijst, is of deze omstandigheid aan eiseres te wijten was. De Dienst Toeslagen heeft voldoende aangetoond dat eiseres in 2012 ook geen recht had op kinderopvangtoeslag en zij voldoende mogelijkheid zou moeten hebben gehad om te voorkomen dat zij ook in 2013 onterecht kinderopvangtoeslag zou ontvangen. De Bac ziet in het dossier enige aanknopingspunten op basis waarvan zij kan begrijpen dat de Dienst Toeslagen destijds vanwege de persoonlijke situatie van eiseres heeft besloten voor de kwalificatie “niet verder bemoeilijken”. Volgens de Wht en de toelichting daarbij van de wetgever, is het niet de bedoeling dat eiseres onder deze omstandigheden in aanmerking komt voor een herstelregeling. De Dienst Toeslagen lijkt ten onrechte een O/GS tegemoetkoming te hebben toegekend. Eiseres heeft daardoor niet te weinig, maar juist teveel ontvangen. Bij gebreke van de gevraagde motivering van de O/GS berekening door de Dienst Toeslagen wordt geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de motivering en het primaire besluit II opnieuw te beoordelen en te motiveren. De Bac adviseert de Dienst Toeslagen om de bedoeling van artikel 2.1 van de Wht en voormelde feiten en omstandigheden, en het reformatio in peius beginsel, mee te nemen in de heroverweging.
Bestreden besluit
3.8.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de primaire besluiten gebleven. De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Bac, de beschouwing van 4 december 2023 en de aanvullende beschouwing van 24 oktober 2024.
Met betrekking tot de stelling dat eiseres meer schade heeft geleden dan de vastgestelde compensatie en tegemoetkoming, heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat het (forfaitaire) compensatiebedrag met vaste schadecomponenten wordt vastgesteld op basis van het bedrag waarmee de toeslag werd verlaagd als gevolg van vooringenomenheid of hardheid. Voor zover eiseres meer schade heeft dan het forfaitaire compensatie bedrag dat zij kreeg, zoals bijvoorbeeld door de schuldsanering, kan zij een aanvraag doen voor vergoeding van haar werkelijke schade bij de CWS.
Ten aanzien van de O/GS-tegemoetkoming heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat alleen voor de verlaging/terugvordering die voortkwam uit de beschikking van 21 september 2013 opzet of grove schuld is vastgesteld. In die beschikking werd de kinderopvangtoeslag verlaagd van € 16.326,- naar € 9.524,-. Per saldo werd de toeslag dus verlaagd met
€ 6.803,-. Eiseres hoefde dit bedrag niet volledig terug te betalen, omdat er nog een bedrag van € 1.290,- verrekend kon worden met nog niet betaalde voorschotten. Eiseres moest daarom € 5.513,- daadwerkelijk terugbetalen. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30% daarvan, te weten € 1.654,-. In afwijking van het advies van de Bac heeft de Dienst Toeslagen geen reden gezien om deze tegemoetkoming niet toe te kennen. Nergens blijkt uit dat de O/GS-registratie terecht was. Er wordt voor de O/GS-tegemoetkoming niet in de Wht gesteld dat toekenning achterwege blijft in het geval van een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Beroepsgronden
4. Eiseres kan zich niet verenigen met de hoogte van de toegekende compensatie. Deze is te laag vastgesteld. Ook in het jaar 2012 en 2013 was er sprake van vooringenomenheid of hardheid. De overige jaren hadden ook beoordeeld moeten worden. Voorts is er meer schade dan de vastgestelde compensatie en tegemoetkoming. De O/GS is ook onvoldoende gemotiveerd.
In de aanvullende beroepsgronden heeft eiseres aangegeven dat het jaar 2011 niet in geschil is en buiten het beroepschrift kan blijven.
Eiseres heeft heel 2012 gewerkt en haar partner tot oktober 2012. Voorts heeft eiseres kinderopvang genoten in dat jaar. Bovendien zijn er geen andere inkomsten of een uitkering genoten in 2012. Dat het verhaal van eiseres niet overeenkomt met het systeem van de Belastingdienst kan niet anders worden verklaard dan een fout in het systeem. Ook wordt opgemerkt dat de twee jongste kinderen pas per september 2014 naar de middelbare school zijn gegaan in België. Eiseres meent dan ook dat er recht is op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012, in ieder geval tot oktober van dat jaar. Eiseres verzoekt om een herbeoordeling en toekenning van een compensatiebedrag voor het jaar 2012.
Eiseres heeft met betrekking tot toeslagjaar 2013 aangegeven dat de kinderen van januari tot en met juli naar de kinderopvang zijn gegaan. Zij denkt dat dit vanaf augustus 2013 is gestopt. Het klopt dat eiseres gedurende het jaar niet heeft gewerkt wegens psychische klachten die volgens haar toe te schrijven zijn aan de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen schijnt uit het oog verloren te hebben dat de jaren 2007 tot en met 2010 bij de toeslagpartner van eiseres zijn teruggevorderd. De situatie waarin eiseres is komen te verkeren waardoor zij niet meer in staat was om voor haar kinderen te zorgen en zij ook niet meer kan heugen wat zij heeft geschreven aan de Dienst Toeslagen heeft geen andere verklaring dan de handelwijze van de Dienst Toeslagen.
Met betrekking tot het primaire besluit II had volgens eiseres het advies van de Bac gevolgd moeten worden.
Verweerschrift
5. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift overwogen dat alhoewel eiseres betoogt dat in de toeslagjaren 2012 en 2013 sprake zou zijn van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, dit niet verder is onderbouwd.
Daarnaast is niet aannemelijk dat eiseres aanspraak kon maken op kinderopvangtoeslag in 2012. Ten eerste is niet gebleken dat eiseres en haar toeslagpartner in 2012 arbeid verrichte of gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 1.6 van de Wet Kinderopvang is dit een vereiste om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft weliswaar verklaard dat zij in 2012 heeft gewerkt maar dit is niet in overeenstemming met de gegevens die ter beschikking staan aan de Dienst Toeslagen. Bovendien is niet gebleken dat haar toeslagpartner inkomen had uit arbeid. Uit de fiscale loongegevens volgt namelijk dat hij inkomen had van het UWV. Ten tweede is niet gebleken dat eiseres in 2012 daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen. In de KOI-viewer zijn geen gegevens opgenomen en daarnaast ontbreken jaaropgaven, facturen, betaalbewijzen en contracten met kinderopvanginstellingen. De Dienst Toeslagen verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag.
Bij de verlagingen in toeslagjaar 2013 gaat het om reguliere wijzigingen. Daarnaast is het vaste jurisprudentie dat de Dienst Toeslagen mag uitgaan van een antwoordformulier dat is ingezonden door eiseres. Volledigheidshalve merkt de Dienst Toeslagen op dat de vraag of eiseres in 2013 al dan niet kinderopvang heeft afgenomen niet ter beoordeling voorligt. Aangezien is gebleken dat de Dienst Toeslagen - met de verwerking van de gegevens die
door eiseres zijn aangedragen - niet vooringenomen heeft gehandeld is verdere beoordeling niet noodzakelijk.
Eiseres heeft daarnaast nagelaten om toe te lichten waarom de (uitvoerige) motivatie in het bestreden besluit met betrekking tot de O/GS-tegemoetkoming niet zou voldoen.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht geweigerd heeft aan eiseres compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2012 en 2013 en of de Dienst Toeslagen terecht aan haar een O/GS-tegemoetkoming van € 1.654,- heeft toegekend over toeslagjaar 2013. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7.1.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist over de compensatie voor toeslagjaar 2011. Eiseres heeft aangegeven dat dit niet in geschil is. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de partner van eiseres over de jaren 2007 tot en met 2010 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en daarover compensatie op grond van de Wht heeft ontvangen. Het geschil heeft dus ook geen betrekking op deze jaren.
Toeslagjaar 2012
8. De Dienst Toeslagen heeft de stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2012 als vooringenomen handelen aangemerkt, omdat gegevens daaromtrent niet zijn bewaard en niet kon worden vastgesteld of eiseres toen voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren. De Dienst Toeslagen stelt dat eiseres echter geen recht heeft op compensatie vanwege het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van dit artikel wordt geen compensatie toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Hiervan is in ieder geval sprake als er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het betreffende jaar. “Evident geen recht” houdt in dat er in redelijkheid geen twijfel is dat een betrokkene niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht overwogen dat eiseres geen recht heeft op compensatie over toeslagslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft daartoe kunnen overwegen dat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in dat jaar, omdat zij niet of heel beperkt heeft gewerkt. Uit het destijds geldende artikel 1.6, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen volgt
-kort gezegd- dat een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft, indien de ouder in dat jaar gewerkt heeft of een in dat artikel vermelde uitkering ontving en gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Dienst Toeslagen het inkomen en vermogen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting. Deze inkomensgegeven zijn neergelegd in het FLG. Eiseres heeft gesteld dat zij destijds wel heeft gewerkt, maar heeft nagelaten dit te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens.
Toeslagjaar 2013
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen over het toeslagjaar 2013 terecht overwogen dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel en dat eiseres dus geen recht heeft op compensatie over het toeslagslagjaar 2013. De Dienst Toeslagen mocht namelijk uitgaan van het door eiseres ingevulde antwoordformulier van 20 april 2015, ontvangen op 13 mei 2015, waarop eiseres heeft verklaard: ‘Ik heb in 2013 geen kinderopvangtoeslag aangevraagd en ook niet ontvangen. Vandaar kan ik geen bewijs opsturen’. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de informatie op dit antwoordformulier op een vergissing is gebaseerd en dat haar kinderen wel opvang hebben gehad in 2013. De enkele stelling van eiseres dat aan haar verklaring geen waarde kan worden gehecht vanwege psychische problemen destijds, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het antwoordformulier heeft voor de Dienst Toeslagen ook geen aanleiding hoeven vormen om nadere vragen te stellen, omdat het formulier geen onduidelijkheid gaf en aanwijzingen ontbraken dat de informatie op het antwoordformulier onjuist zou kunnen zijn.
O/GS-tegemoetkoming toeslagjaar 2013
9. Eiseres heeft haar stelling dat de O/GS-tegemoetkoming onvoldoende is gemotiveerd enkel onderbouwd met een verwijzing naar het advies van de Bac. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet leiden tot een andere beslissing, omdat de Bac heeft overwogen dat eiseres mogelijk geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming en de Dienst Toeslagen desondanks heeft besloten de tegemoetkoming in stand te laten. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiseres geen beroepsgrond heeft gericht tegen de hoogte van de tegemoetkoming.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
(…)
Artikel 2.6
1. De Belastingdienst/Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
2. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering.
(…)
Stcrt. 2021, 14691.
Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:8177).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN0491).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5942 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. G. Kaya),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en de hoogte van de aan haar toegekende tegemoetkoming vanwege de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de hoogte van de O/GS tegemoetkoming.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiseres geen hogere compensatie heeft toegekend op grond van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 januari 2023 (primair besluit I) heeft de Dienst Toeslagen voor wat betreft toeslagjaar 2011 de aanvraag toegewezen en voor wat betreft de toeslagjaren 2012 en 2013 afgewezen. Met het besluit van 25 januari 2023 (primair besluit II) heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2013. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de primaire besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. F.F.M. van de Kamp namens de Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich met voorafgaande kennisgeving afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres en haar partner hebben drie kinderen.
3.1.
De partner van eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen over de toeslagjaren 2007 tot 2011. De Dienst Toeslagen heeft met verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over deze toeslagjaren verlaagd of op nihil vastgesteld. De partner van eiseres heeft zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Aan hem is een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling. Met het besluit van 19 januari 2023 is aan hem definitieve compensatie van € 35.331,- toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2011. Met het besluit van 25 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming aan de partner van eiseres toegekend van € 792,- voor de toeslagjaren 2008 en 2009. De partner van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
3.2.
Eiseres heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013. De Dienst Toeslagen heeft met verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over deze toeslagjaren op nihil vastgesteld.
3.3.
Op 1 maart 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.
3.4.
Met het besluit van 20 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan eiseres een bedrag toe te kennen op basis van de Catshuisregeling.
3.5.
Met het primaire besluit I heeft de Dienst Toeslagen de definitieve compensatie voor toeslagjaar 2011 vastgesteld op € 25.639,- vanwege vooringenomen handelen. Over de toeslagjaren 2012 en 2013 bestaat geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen en omdat geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem.
Met het primaire besluit II heeft de Dienst Toeslagen een O/GS-tegemoetkoming aan eiseres toegekend van € 1.654,- over toeslagjaar 2013.
3.6.
Eiseres heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Eiseres heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftenadviescommissie (Bac) op 24 oktober 2024.
3.7.
De Bac heeft geadviseerd om het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond te verklaren. In de beschouwing van 4 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen voldoende toegelicht dat uit de systemen blijkt dat eiseres voor de jaren 2007 en 2008 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Ook is gebleken dat eiseres over de jaren 2009 en 2010 geen herbeoordeling heeft aangevraagd, omdat haar toeslagpartner voor deze jaren kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Deze jaren zijn in de integrale herbeoordeling op verzoek van de toeslagpartner verwerkt. De Bac is genoodzaakt haar advies te beperken tot de jaren waarvoor eiseres de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en die bij de herbeoordeling zijn betrokken. De jaren 2007, 2008, 2009 en 2010 blijven derhalve in het advies buiten beschouwing.
De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de hoorzitting verklaard akkoord te zijn met de herbeoordeling van 2011. Het bezwaar wordt op dit onderdeel derhalve als ingetrokken beschouwd.
Met betrekking tot toeslagjaar 2012 is in het informatie- en beoordelingsformulier overwogen dat in het systeem staat dat eiseres drie uren gewerkt heeft over het gehele jaar en dat de toeslagpartner een WW-uitkering heeft ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft een uitdraai overgelegd van het systeem fiscale loongegevens (FLG). Daaruit blijkt niet dat eiseres heeft gewerkt in 2012. De twee jongste kinderen van eiseres zouden in 2012 naar de middelbare school (kunnen) gaan vanwege het bereiken van de 12-jarige leeftijd. De vraag rijst waarom eiseres in dat jaar 150 uur per week per kind van een gastouder zou afnemen, terwijl de toeslagpartner een uitkering ontvangt en er conform de destijds geldende wetgeving geen recht zou bestaan op kinderopvangtoeslag (vanwege het vereiste van twee werkende ouders). Tijdens het bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die leiden tot de conclusie dat eiseres in 2012 wel recht had op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft zich hierbij mogen baseren op het FLG, omdat dit systeem een essentieel element is voor de heffing van belastingen. Omdat sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag in 2012, komt eiseres met betrekking tot dat jaar geen compensatie toe.
Met betrekking tot toeslagjaar 2013 heeft de Bac overwogen dat uit de gegevens van de Dienst Toeslagen en het dossier niet blijkt dat eiseres in 2013 heeft gewerkt en evenmin dat zij opvang heeft afgenomen. Eiseres heeft in 2015 schriftelijk verklaard geen opvang te hebben afgenomen. De Dienst Toeslagen heeft dan ook op goede gronden als uitgangspunt genomen dat eiseres over 2013 geen recht heeft gehad op kinderopvangtoeslag. Tijdens het bezwaar heeft eiseres geen feiten aannemelijk gemaakt die tot een andersluidende conclusie kunnen leiden. Aangezien eiseres over 2013 geen recht had op kinderopvangtoeslag, is geen sprake van recht op compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
De Bac heeft geadviseerd om het bezwaar tegen het primaire besluit II gegrond te verklaren, de O/GS berekening opnieuw te maken en te motiveren. Het is niet aannemelijk geworden dat eiseres werkte in 2013. Eiseres voldeed daarom niet aan de criteria om kinderopvangtoeslag te ontvangen. Eiseres heeft bovendien zelf verklaard geen opvang te hebben afgenomen over 2013. De kinderen hadden de schoolgaande leeftijd in 2013. Ook bleken de kinderen niet bekend hij de opvanginstelling. Voormelde feitencomplex kwalificeert in beginsel als een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. De vraag die rijst, is of deze omstandigheid aan eiseres te wijten was. De Dienst Toeslagen heeft voldoende aangetoond dat eiseres in 2012 ook geen recht had op kinderopvangtoeslag en zij voldoende mogelijkheid zou moeten hebben gehad om te voorkomen dat zij ook in 2013 onterecht kinderopvangtoeslag zou ontvangen. De Bac ziet in het dossier enige aanknopingspunten op basis waarvan zij kan begrijpen dat de Dienst Toeslagen destijds vanwege de persoonlijke situatie van eiseres heeft besloten voor de kwalificatie “niet verder bemoeilijken”. Volgens de Wht en de toelichting daarbij van de wetgever, is het niet de bedoeling dat eiseres onder deze omstandigheden in aanmerking komt voor een herstelregeling. De Dienst Toeslagen lijkt ten onrechte een O/GS tegemoetkoming te hebben toegekend. Eiseres heeft daardoor niet te weinig, maar juist teveel ontvangen. Bij gebreke van de gevraagde motivering van de O/GS berekening door de Dienst Toeslagen wordt geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de motivering en het primaire besluit II opnieuw te beoordelen en te motiveren. De Bac adviseert de Dienst Toeslagen om de bedoeling van artikel 2.1 van de Wht en voormelde feiten en omstandigheden, en het reformatio in peius beginsel, mee te nemen in de heroverweging.
Bestreden besluit
3.8.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de primaire besluiten gebleven. De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit verwezen naar het advies van de Bac, de beschouwing van 4 december 2023 en de aanvullende beschouwing van 24 oktober 2024.
Met betrekking tot de stelling dat eiseres meer schade heeft geleden dan de vastgestelde compensatie en tegemoetkoming, heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat het (forfaitaire) compensatiebedrag met vaste schadecomponenten wordt vastgesteld op basis van het bedrag waarmee de toeslag werd verlaagd als gevolg van vooringenomenheid of hardheid. Voor zover eiseres meer schade heeft dan het forfaitaire compensatie bedrag dat zij kreeg, zoals bijvoorbeeld door de schuldsanering, kan zij een aanvraag doen voor vergoeding van haar werkelijke schade bij de CWS.
Ten aanzien van de O/GS-tegemoetkoming heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat alleen voor de verlaging/terugvordering die voortkwam uit de beschikking van 21 september 2013 opzet of grove schuld is vastgesteld. In die beschikking werd de kinderopvangtoeslag verlaagd van € 16.326,- naar € 9.524,-. Per saldo werd de toeslag dus verlaagd met
€ 6.803,-. Eiseres hoefde dit bedrag niet volledig terug te betalen, omdat er nog een bedrag van € 1.290,- verrekend kon worden met nog niet betaalde voorschotten. Eiseres moest daarom € 5.513,- daadwerkelijk terugbetalen. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30% daarvan, te weten € 1.654,-. In afwijking van het advies van de Bac heeft de Dienst Toeslagen geen reden gezien om deze tegemoetkoming niet toe te kennen. Nergens blijkt uit dat de O/GS-registratie terecht was. Er wordt voor de O/GS-tegemoetkoming niet in de Wht gesteld dat toekenning achterwege blijft in het geval van een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Beroepsgronden
4. Eiseres kan zich niet verenigen met de hoogte van de toegekende compensatie. Deze is te laag vastgesteld. Ook in het jaar 2012 en 2013 was er sprake van vooringenomenheid of hardheid. De overige jaren hadden ook beoordeeld moeten worden. Voorts is er meer schade dan de vastgestelde compensatie en tegemoetkoming. De O/GS is ook onvoldoende gemotiveerd.
In de aanvullende beroepsgronden heeft eiseres aangegeven dat het jaar 2011 niet in geschil is en buiten het beroepschrift kan blijven.
Eiseres heeft heel 2012 gewerkt en haar partner tot oktober 2012. Voorts heeft eiseres kinderopvang genoten in dat jaar. Bovendien zijn er geen andere inkomsten of een uitkering genoten in 2012. Dat het verhaal van eiseres niet overeenkomt met het systeem van de Belastingdienst kan niet anders worden verklaard dan een fout in het systeem. Ook wordt opgemerkt dat de twee jongste kinderen pas per september 2014 naar de middelbare school zijn gegaan in België. Eiseres meent dan ook dat er recht is op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012, in ieder geval tot oktober van dat jaar. Eiseres verzoekt om een herbeoordeling en toekenning van een compensatiebedrag voor het jaar 2012.
Eiseres heeft met betrekking tot toeslagjaar 2013 aangegeven dat de kinderen van januari tot en met juli naar de kinderopvang zijn gegaan. Zij denkt dat dit vanaf augustus 2013 is gestopt. Het klopt dat eiseres gedurende het jaar niet heeft gewerkt wegens psychische klachten die volgens haar toe te schrijven zijn aan de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen schijnt uit het oog verloren te hebben dat de jaren 2007 tot en met 2010 bij de toeslagpartner van eiseres zijn teruggevorderd. De situatie waarin eiseres is komen te verkeren waardoor zij niet meer in staat was om voor haar kinderen te zorgen en zij ook niet meer kan heugen wat zij heeft geschreven aan de Dienst Toeslagen heeft geen andere verklaring dan de handelwijze van de Dienst Toeslagen.
Met betrekking tot het primaire besluit II had volgens eiseres het advies van de Bac gevolgd moeten worden.
Verweerschrift
5. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift overwogen dat alhoewel eiseres betoogt dat in de toeslagjaren 2012 en 2013 sprake zou zijn van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, dit niet verder is onderbouwd.
Daarnaast is niet aannemelijk dat eiseres aanspraak kon maken op kinderopvangtoeslag in 2012. Ten eerste is niet gebleken dat eiseres en haar toeslagpartner in 2012 arbeid verrichte of gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 1.6 van de Wet Kinderopvang is dit een vereiste om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft weliswaar verklaard dat zij in 2012 heeft gewerkt maar dit is niet in overeenstemming met de gegevens die ter beschikking staan aan de Dienst Toeslagen. Bovendien is niet gebleken dat haar toeslagpartner inkomen had uit arbeid. Uit de fiscale loongegevens volgt namelijk dat hij inkomen had van het UWV. Ten tweede is niet gebleken dat eiseres in 2012 daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen. In de KOI-viewer zijn geen gegevens opgenomen en daarnaast ontbreken jaaropgaven, facturen, betaalbewijzen en contracten met kinderopvanginstellingen. De Dienst Toeslagen verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag.
Bij de verlagingen in toeslagjaar 2013 gaat het om reguliere wijzigingen. Daarnaast is het vaste jurisprudentie dat de Dienst Toeslagen mag uitgaan van een antwoordformulier dat is ingezonden door eiseres. Volledigheidshalve merkt de Dienst Toeslagen op dat de vraag of eiseres in 2013 al dan niet kinderopvang heeft afgenomen niet ter beoordeling voorligt. Aangezien is gebleken dat de Dienst Toeslagen - met de verwerking van de gegevens die
door eiseres zijn aangedragen - niet vooringenomen heeft gehandeld is verdere beoordeling niet noodzakelijk.
Eiseres heeft daarnaast nagelaten om toe te lichten waarom de (uitvoerige) motivatie in het bestreden besluit met betrekking tot de O/GS-tegemoetkoming niet zou voldoen.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht geweigerd heeft aan eiseres compensatie toe te kennen over de toeslagjaren 2012 en 2013 en of de Dienst Toeslagen terecht aan haar een O/GS-tegemoetkoming van € 1.654,- heeft toegekend over toeslagjaar 2013. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7.1.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist over de compensatie voor toeslagjaar 2011. Eiseres heeft aangegeven dat dit niet in geschil is. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de partner van eiseres over de jaren 2007 tot en met 2010 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en daarover compensatie op grond van de Wht heeft ontvangen. Het geschil heeft dus ook geen betrekking op deze jaren.
Toeslagjaar 2012
8. De Dienst Toeslagen heeft de stopzetting van de kinderopvangtoeslag in 2012 als vooringenomen handelen aangemerkt, omdat gegevens daaromtrent niet zijn bewaard en niet kon worden vastgesteld of eiseres toen voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren. De Dienst Toeslagen stelt dat eiseres echter geen recht heeft op compensatie vanwege het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van dit artikel wordt geen compensatie toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Hiervan is in ieder geval sprake als er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het betreffende jaar. “Evident geen recht” houdt in dat er in redelijkheid geen twijfel is dat een betrokkene niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht overwogen dat eiseres geen recht heeft op compensatie over toeslagslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft daartoe kunnen overwegen dat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in dat jaar, omdat zij niet of heel beperkt heeft gewerkt. Uit het destijds geldende artikel 1.6, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen volgt
-kort gezegd- dat een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft, indien de ouder in dat jaar gewerkt heeft of een in dat artikel vermelde uitkering ontving en gebruik maakte van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de Dienst Toeslagen het inkomen en vermogen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting. Deze inkomensgegeven zijn neergelegd in het FLG. Eiseres heeft gesteld dat zij destijds wel heeft gewerkt, maar heeft nagelaten dit te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens.
Toeslagjaar 2013
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen over het toeslagjaar 2013 terecht overwogen dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel en dat eiseres dus geen recht heeft op compensatie over het toeslagslagjaar 2013. De Dienst Toeslagen mocht namelijk uitgaan van het door eiseres ingevulde antwoordformulier van 20 april 2015, ontvangen op 13 mei 2015, waarop eiseres heeft verklaard: ‘Ik heb in 2013 geen kinderopvangtoeslag aangevraagd en ook niet ontvangen. Vandaar kan ik geen bewijs opsturen’. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de informatie op dit antwoordformulier op een vergissing is gebaseerd en dat haar kinderen wel opvang hebben gehad in 2013. De enkele stelling van eiseres dat aan haar verklaring geen waarde kan worden gehecht vanwege psychische problemen destijds, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het antwoordformulier heeft voor de Dienst Toeslagen ook geen aanleiding hoeven vormen om nadere vragen te stellen, omdat het formulier geen onduidelijkheid gaf en aanwijzingen ontbraken dat de informatie op het antwoordformulier onjuist zou kunnen zijn.
O/GS-tegemoetkoming toeslagjaar 2013
9. Eiseres heeft haar stelling dat de O/GS-tegemoetkoming onvoldoende is gemotiveerd enkel onderbouwd met een verwijzing naar het advies van de Bac. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet leiden tot een andere beslissing, omdat de Bac heeft overwogen dat eiseres mogelijk geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming en de Dienst Toeslagen desondanks heeft besloten de tegemoetkoming in stand te laten. De rechtbank stelt daarnaast vast dat eiseres geen beroepsgrond heeft gericht tegen de hoogte van de tegemoetkoming.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
(…)
Artikel 2.6
1. De Belastingdienst/Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
2. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering.
(…)
Stcrt. 2021, 14691.
Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:8177).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN0491).