Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8505
2026-09-03
Bestuursrecht
BRE 25/5500
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht - geen aanvrager kot
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2025:3256 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5970 Raad van State 10-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3031 Raad van State 27-05-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:5970 Raad van State 10-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:5610 Raad van State 19-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:5249 Raad van State 18-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.778 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5500 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder,
en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiseres geen compensatie heeft toegekend op grond van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie over toeslagjaar 2005 op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag van 2005 tot en met 2019 beoordeeld en met het besluit van 2 augustus 2023 (primair besluit) overwogen dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding over deze jaren. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. F.F.M. van de Kamp namens de Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich met voorafgaande kennisgeving afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 9 september 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [datum 1] 1994 en [datum 2] 1997.
3.1.
Met het besluit van 15 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan eiseres een bedrag van € 30.000,- toe te kennen op basis van de Catshuisregeling.
3.2.
Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding over de toeslagenjaren 2005 tot en met 2019. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.3.
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft overwogen dat de Wht ziet op de jaren 2005 tot en met 23 oktober 2019. Het bezwaar van eiseres richt zich op het jaar 2004. De kinderopvangtoeslag werd vanaf 1 januari 2005 wettelijk geregeld door de Belastingdienst/Toeslagen. In 2004 bestond de Wet Kinderopvang dus nog niet. Tot en met 2004 werd de kinderopvang geregeld via subsidies van gemeenten en werkgevers.
Op grond van artikel 2.1. van de Wht komt alleen een aanvragen van kinderopvangtoeslag in aanmerking voor compensatie. Uit de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen blijkt niet dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ook niet dat terugvorderingen ten aanzien van kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. Van gedupeerdheid op grond van de Wht is in het geval van eiseres dan ook geen sprake.
Beroepsgronden
4. Eiseres heeft aangevoerd dat er op geen enkele wijze een poging is gedaan om zich te verdiepen of in te leven in haar verhaal, terwijl het niet toekennen van de toeslag in 2005 zo levensingrijpend is geweest voor haar en haar kinderen. Eiseres heeft moeten stoppen met haar re-integratietraject in 2005. Dit heeft tevens negatieve gevolgen gehad op haar kansen om zich verder te kunnen ontplooien. Eiseres wil erkenning dat haar onrecht is aangedaan door het niet toekennen en het kwijtraken van haar aanvraag. Het is onrealistisch om na 20 jaar de bewijslast bij haar als gedupeerde ouder weg te leggen.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij wel degelijk een aanvraag heeft gedaan voor kinderopvangtoeslag vanaf 2004. Eiseres heeft niet alleen voor 2004 maar ook daarna recht op kinderopvangtoeslag. Destijds is er veel telefonisch besproken en waren de systemen nog niet gedigitaliseerd. Eiseres heeft ook geen kopieën van stukken die zij per post heeft gestuurd. De Dienst Toeslagen is deze stukken kennelijk kwijtgeraakt. Eiseres onderbouwt haar recht op kinderopvangtoeslag met de stelling dat zij het gehele jaar 2004 fulltime werkzaam was bij de politie en dat zij twee kinderen had die in dat jaar naar de kinderopvang gingen. Deze kinderopvanginstelling is nadien failliet gegaan, waardoor zij geen stukken meer heeft kunnen opvragen bij de instelling. Ook beschikt eiseres zelf niet over de stukken hieromtrent.
Eiseres doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid, het evenredigheidsbeginsel en het fair play-beginsel.
Verweerschrift
5. In het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen in aanvulling op het bestreden besluit overwogen dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de Wht uitsluitend van toepassing is indien aannemelijk is dat een ouder aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Indien uit zorgvuldig onderzoek geen objectieve aanknopingspunten voor een aanvraag blijken, bestaat geen aanspraak op compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht.
Anders dan eiseres stelt, is uit het door de Dienst Toeslagen verrichte onderzoek niet gebleken dat zij ooit aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. In het kader van de beoordeling van het verzoek heeft de Dienst Toeslagen een zorgvuldig onderzoek verricht in de beschikbare administratieve systemen. Daarbij zijn onder meer het beschikkingsoverzicht, het beoordelingsformulier en de overige beschikbare registraties geraadpleegd. Tevens is onderzocht of aanwijzingen aanwezig zijn voor een aanvraag, voorschot, beschikking, definitieve berekening, uitbetaling, terugvordering, bezwaarprocedure of overige correspondentie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Dit onderzoek heeft geen objectieve aanknopingspunten opgeleverd waaruit blijkt dat eiseres ooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, dat aan haar kinderopvangtoeslag is toegekend, dat voorschotten zijn uitbetaald of dat kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Evenmin zijn aanwijzingen aangetroffen voor beschikkingen, mutaties of correspondentie die betrekking hebben op kinderopvangtoeslag.
Indien daadwerkelijk een aanvraag kinderopvangtoeslag zou zijn ingediend, mag worden verwacht dat daarvan ten minste enige administratieve sporen binnen de systemen van de Dienst Toeslagen aanwezig zijn. Dergelijke objectieve aanknopingspunten ontbreken volledig. Dat in dezelfde systemen wel gegevens met betrekking tot andere toeslagen van eiseres aanwezig zijn, bevestigt dat geen sprake is van een situatie waarin historische gegevens in algemene zin verloren zijn gegaan, maar dat uitsluitend geen aanwijzingen bestaan voor een aanvraag kinderopvangtoeslag. De stelling van eiseres dat zij destijds werkzaam was en gebruik maakte van kinderopvang maakt dit niet anders. De Wht ziet uitsluitend op ouders die aanvrager van kinderopvangtoeslag zijn geweest.
De Dienst Toeslagen begrijpt dat het aanzienlijke tijdsverloop ertoe kan leiden dat niet alle historische stukken nog beschikbaar zijn. Dat neemt echter niet weg dat ook het door de Dienst Toeslagen verrichte onderzoek geen enkel objectief aanknopingspunt heeft opgeleverd waaruit blijkt dat eiseres ooit aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest.
Eiseres beroept zich daarnaast op het evenredigheidsbeginsel, het fair play-beginsel,
de menselijke maat en de hardheidsclausule. Deze procedure ziet echter uitsluitend op de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden die de wetgever in de Wht heeft gesteld. De persoonlijke gevolgen die eiseres stelt te hebben ondervonden kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat zij aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest indien daarvoor geen objectieve aanknopingspunten bestaan. Ook de door eiseres genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet ertoe leiden dat toepassing wordt gegeven aan een wettelijke compensatieregeling indien niet aan de daarvoor door de wetgever gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Reactie op het verweerschrift
6. Op 7 augustus 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het verweerschrift.
De Dienst Toeslagen gaat eraan voorbij dat juist over het toeslagjaar 2005 bekend is dat de informatiehuishouding onvolledig is. In interne documentatie is erkend dat uit deze beginperiode slechts beperkte gegevens beschikbaar zijn, dat niet alle bronnen bewaard zijn gebleven en dat de migratie van gegevens vanuit oudere systemen niet volledig en onvoldoende gedocumenteerd heeft plaatsgevonden. De Dienst Toeslagen maakt verder niet inzichtelijk welk onderzoek is verricht. Het had bovendien op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen de resultaten van de verrichte zoekslagen inzichtelijk te maken.
Aangezien de Dienst Toeslagen erkent dat de informatiehuishouding over het toeslagjaar 2005 beperkingen kent, rust op hem een verzwaarde onderzoeksplicht. Onder deze omstandigheden had de Dienst Toeslagen actief moeten onderzoeken of zich in andere bronnen aanwijzingen bevinden die de verklaringen van eiseres ondersteunen en had hij inzichtelijk moeten maken waarom die verklaringen desondanks onvoldoende zijn.
Van eiseres kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij na twintig jaar nog beschikt over alle destijds verzonden of ontvangen stukken. De inspanningen die eiseres gedurende meerdere jaren heeft verricht om alsnog bewijs te achterhalen onderstrepen bovendien dat haar stellingen consequent en te goeder trouw zijn ingenomen.
Eiseres heeft gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure steeds consequent verklaard dat zij destijds kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft deze verklaringen uitsluitend naast zich neergelegd omdat daarvan geen registratie meer is teruggevonden.
Juridisch kader
7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres voor compensatie heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wht kent de Dienst Toeslagen compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen en/of doordat de hardheid waarmee het wettelijk systeem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag werd toegepast, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.
9. Voor zover het beroep betrekking heeft op toeslagjaar 2004 overweegt de rechtbank dat de Wet kinderopvang (Wko) toen nog niet inwerking was getreden. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht de aanvraag om compensatie beoordeeld voor de jaren vanaf 2005.
10. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres voor de jaren vanaf 2005 niet is aan te merken als aanvrager van kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
10.1.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend en dat kinderopvangtoeslag is teruggevorderd.
10.2.
De Dienst Toeslagen heeft ter zitting toegelicht dat in het Digitaal Archief Systeem ( DAS), Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) en Eldoc briefregistratiesysteem is gezocht naar stukken betreffende de kinderopvangtoeslag van eiseres. Daarnaast is in het dossier een SAS-overzicht aanwezig zonder ingevulde tijdlijn, die er wel zou moeten staan als er kinderopvangtoeslag is verstrekt. De Dienst Toeslagen heeft in deze systemen gezocht aan de hand van het BSN-nummer van eiseres, omdat dit aldus de toelichting van de Dienst Toeslagen ter zitting het meest betrouwbaar is. Een naam kan wijzigen bijvoorbeeld na een huwelijk, maar het BSN-nummer wijzigt namelijk nooit. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiseres nooit een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen hiermee een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. De stelling van eiseres dat de informatiehuishouding onvolledig was en dat de Dienst Toeslagen dit zou hebben erkend, heeft de Dienst Toeslagen ter zitting betwist. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat dit het geval is. De Dienst Toeslagen heeft verder ter zitting toegelicht dat daar waar over oudere jaren niet alle gegevens in systemen staan, het over correspondentie, bijvoorbeeld uitvraagbrieven, gaat en niet om aanvragen en beschikkingen. De Dienst Toeslagen heeft verder in dit kader kunnen overwegen dat het feit dat in dezelfde systemen wel gegevens met betrekking tot andere toeslagen van eiseres aanwezig zijn, bevestigt dat geen sprake is van een situatie waarin historische gegevens in algemene zin verloren zijn gegaan.
Daarnaast heeft eiseres geen begin van bewijs geleverd dat zij wel een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Haar standpunt dat zij gewerkt heeft en haar kinderen opvang hebben genoten, is ook niet onderbouwd. Het feit dat eiseres hierover consequent heeft verklaard maakt het niet anders. Het beroep van eiseres op bewijsnood slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Aangezien zij geen enkel begin van bewijs heeft geleverd dat er een aanvraag kinderopvangtoeslag is gedaan en omdat uit het onderzoek van de Dienst Toeslagen daarvoor geen enkel aanknopingspunt is gevonden, kan niet voorbij worden gegaan aan het volledig ontbreken van bewijs.
De rechtbank concludeert dat het bij deze stand van zaken niet aannemelijk is dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft aan eiseres dan ook geen compensatie hoeven toekennen vanwege vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of hardheid van het stelsel.
10.3.
Voor zover eiseres met haar beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gesteld dat er een lagere bewijslast zou moeten gelden, verwijst de rechtbank naar het hiervoor overwogene. Voor zover eiseres heeft bedoeld dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie niet of in mindere mate zouden moeten gelden, volgt de rechtbank dit evenmin. Toetsing van artikel 2.1. van de Wht aan deze beginselen stuit namelijk af op het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod. Volgens vaste jurisprudentie staat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Dit kan anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever . Hiervan is in dit geval geen sprake. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is namelijk dat de aanvrager van die compensatie gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd. Om die reden kan ook niet met de hardheidsclausule van artikel 9.1 van het bepaalde in artikel 2.1 worden afgeweken.
Is de redelijke termijn overschreden?
11. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), indien ten tijde van de uitspraak deze termijn is overschreden.
11.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsprocedure niet langer mogen duren dan twee jaar, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.
11.2.
De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en de termijn eindigt op het moment van de uitspraak. Het bezwaarschrift van eiseres is ontvangen op 19 december 2024. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, zou de procedure uiterlijk 19 december 2026 moeten zijn afgerond met een uitspraak over het beroep van eiseres. Op het moment van deze uitspraak was deze termijn dus nog niet verstreken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie terecht is afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank wijst daarnaast het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
Artikel 9.1
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1 (…) voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.(…)
Stcrt. 2021, 14691.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3256), 10 december 2025
(ECLI:NL:RVS:2025:5970) en 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3031).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5970).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772).
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5610).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5249).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5500 KINDER
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder,
en
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), verweerder in het verzoek tot schadevergoeding.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiseres geen compensatie heeft toegekend op grond van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie over toeslagjaar 2005 op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag van 2005 tot en met 2019 beoordeeld en met het besluit van 2 augustus 2023 (primair besluit) overwogen dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding over deze jaren. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: mr. F.F.M. van de Kamp namens de Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich met voorafgaande kennisgeving afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 9 september 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [datum 1] 1994 en [datum 2] 1997.
3.1.
Met het besluit van 15 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan eiseres een bedrag van € 30.000,- toe te kennen op basis van de Catshuisregeling.
3.2.
Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding over de toeslagenjaren 2005 tot en met 2019. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
3.3.
De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft overwogen dat de Wht ziet op de jaren 2005 tot en met 23 oktober 2019. Het bezwaar van eiseres richt zich op het jaar 2004. De kinderopvangtoeslag werd vanaf 1 januari 2005 wettelijk geregeld door de Belastingdienst/Toeslagen. In 2004 bestond de Wet Kinderopvang dus nog niet. Tot en met 2004 werd de kinderopvang geregeld via subsidies van gemeenten en werkgevers.
Op grond van artikel 2.1. van de Wht komt alleen een aanvragen van kinderopvangtoeslag in aanmerking voor compensatie. Uit de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen blijkt niet dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ook niet dat terugvorderingen ten aanzien van kinderopvangtoeslag hebben plaatsgevonden. Van gedupeerdheid op grond van de Wht is in het geval van eiseres dan ook geen sprake.
Beroepsgronden
4. Eiseres heeft aangevoerd dat er op geen enkele wijze een poging is gedaan om zich te verdiepen of in te leven in haar verhaal, terwijl het niet toekennen van de toeslag in 2005 zo levensingrijpend is geweest voor haar en haar kinderen. Eiseres heeft moeten stoppen met haar re-integratietraject in 2005. Dit heeft tevens negatieve gevolgen gehad op haar kansen om zich verder te kunnen ontplooien. Eiseres wil erkenning dat haar onrecht is aangedaan door het niet toekennen en het kwijtraken van haar aanvraag. Het is onrealistisch om na 20 jaar de bewijslast bij haar als gedupeerde ouder weg te leggen.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij wel degelijk een aanvraag heeft gedaan voor kinderopvangtoeslag vanaf 2004. Eiseres heeft niet alleen voor 2004 maar ook daarna recht op kinderopvangtoeslag. Destijds is er veel telefonisch besproken en waren de systemen nog niet gedigitaliseerd. Eiseres heeft ook geen kopieën van stukken die zij per post heeft gestuurd. De Dienst Toeslagen is deze stukken kennelijk kwijtgeraakt. Eiseres onderbouwt haar recht op kinderopvangtoeslag met de stelling dat zij het gehele jaar 2004 fulltime werkzaam was bij de politie en dat zij twee kinderen had die in dat jaar naar de kinderopvang gingen. Deze kinderopvanginstelling is nadien failliet gegaan, waardoor zij geen stukken meer heeft kunnen opvragen bij de instelling. Ook beschikt eiseres zelf niet over de stukken hieromtrent.
Eiseres doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid, het evenredigheidsbeginsel en het fair play-beginsel.
Verweerschrift
5. In het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen in aanvulling op het bestreden besluit overwogen dat uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de Wht uitsluitend van toepassing is indien aannemelijk is dat een ouder aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Indien uit zorgvuldig onderzoek geen objectieve aanknopingspunten voor een aanvraag blijken, bestaat geen aanspraak op compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht.
Anders dan eiseres stelt, is uit het door de Dienst Toeslagen verrichte onderzoek niet gebleken dat zij ooit aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. In het kader van de beoordeling van het verzoek heeft de Dienst Toeslagen een zorgvuldig onderzoek verricht in de beschikbare administratieve systemen. Daarbij zijn onder meer het beschikkingsoverzicht, het beoordelingsformulier en de overige beschikbare registraties geraadpleegd. Tevens is onderzocht of aanwijzingen aanwezig zijn voor een aanvraag, voorschot, beschikking, definitieve berekening, uitbetaling, terugvordering, bezwaarprocedure of overige correspondentie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Dit onderzoek heeft geen objectieve aanknopingspunten opgeleverd waaruit blijkt dat eiseres ooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, dat aan haar kinderopvangtoeslag is toegekend, dat voorschotten zijn uitbetaald of dat kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Evenmin zijn aanwijzingen aangetroffen voor beschikkingen, mutaties of correspondentie die betrekking hebben op kinderopvangtoeslag.
Indien daadwerkelijk een aanvraag kinderopvangtoeslag zou zijn ingediend, mag worden verwacht dat daarvan ten minste enige administratieve sporen binnen de systemen van de Dienst Toeslagen aanwezig zijn. Dergelijke objectieve aanknopingspunten ontbreken volledig. Dat in dezelfde systemen wel gegevens met betrekking tot andere toeslagen van eiseres aanwezig zijn, bevestigt dat geen sprake is van een situatie waarin historische gegevens in algemene zin verloren zijn gegaan, maar dat uitsluitend geen aanwijzingen bestaan voor een aanvraag kinderopvangtoeslag. De stelling van eiseres dat zij destijds werkzaam was en gebruik maakte van kinderopvang maakt dit niet anders. De Wht ziet uitsluitend op ouders die aanvrager van kinderopvangtoeslag zijn geweest.
De Dienst Toeslagen begrijpt dat het aanzienlijke tijdsverloop ertoe kan leiden dat niet alle historische stukken nog beschikbaar zijn. Dat neemt echter niet weg dat ook het door de Dienst Toeslagen verrichte onderzoek geen enkel objectief aanknopingspunt heeft opgeleverd waaruit blijkt dat eiseres ooit aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest.
Eiseres beroept zich daarnaast op het evenredigheidsbeginsel, het fair play-beginsel,
de menselijke maat en de hardheidsclausule. Deze procedure ziet echter uitsluitend op de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden die de wetgever in de Wht heeft gesteld. De persoonlijke gevolgen die eiseres stelt te hebben ondervonden kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat zij aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest indien daarvoor geen objectieve aanknopingspunten bestaan. Ook de door eiseres genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet ertoe leiden dat toepassing wordt gegeven aan een wettelijke compensatieregeling indien niet aan de daarvoor door de wetgever gestelde voorwaarden wordt voldaan.
Reactie op het verweerschrift
6. Op 7 augustus 2026 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het verweerschrift.
De Dienst Toeslagen gaat eraan voorbij dat juist over het toeslagjaar 2005 bekend is dat de informatiehuishouding onvolledig is. In interne documentatie is erkend dat uit deze beginperiode slechts beperkte gegevens beschikbaar zijn, dat niet alle bronnen bewaard zijn gebleven en dat de migratie van gegevens vanuit oudere systemen niet volledig en onvoldoende gedocumenteerd heeft plaatsgevonden. De Dienst Toeslagen maakt verder niet inzichtelijk welk onderzoek is verricht. Het had bovendien op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen de resultaten van de verrichte zoekslagen inzichtelijk te maken.
Aangezien de Dienst Toeslagen erkent dat de informatiehuishouding over het toeslagjaar 2005 beperkingen kent, rust op hem een verzwaarde onderzoeksplicht. Onder deze omstandigheden had de Dienst Toeslagen actief moeten onderzoeken of zich in andere bronnen aanwijzingen bevinden die de verklaringen van eiseres ondersteunen en had hij inzichtelijk moeten maken waarom die verklaringen desondanks onvoldoende zijn.
Van eiseres kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij na twintig jaar nog beschikt over alle destijds verzonden of ontvangen stukken. De inspanningen die eiseres gedurende meerdere jaren heeft verricht om alsnog bewijs te achterhalen onderstrepen bovendien dat haar stellingen consequent en te goeder trouw zijn ingenomen.
Eiseres heeft gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure steeds consequent verklaard dat zij destijds kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft deze verklaringen uitsluitend naast zich neergelegd omdat daarvan geen registratie meer is teruggevonden.
Juridisch kader
7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres voor compensatie heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
8.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wht kent de Dienst Toeslagen compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen en/of doordat de hardheid waarmee het wettelijk systeem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag werd toegepast, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.
9. Voor zover het beroep betrekking heeft op toeslagjaar 2004 overweegt de rechtbank dat de Wet kinderopvang (Wko) toen nog niet inwerking was getreden. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht de aanvraag om compensatie beoordeeld voor de jaren vanaf 2005.
10. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres voor de jaren vanaf 2005 niet is aan te merken als aanvrager van kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
10.1.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend en dat kinderopvangtoeslag is teruggevorderd.
10.2.
De Dienst Toeslagen heeft ter zitting toegelicht dat in het Digitaal Archief Systeem ( DAS), Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) en Eldoc briefregistratiesysteem is gezocht naar stukken betreffende de kinderopvangtoeslag van eiseres. Daarnaast is in het dossier een SAS-overzicht aanwezig zonder ingevulde tijdlijn, die er wel zou moeten staan als er kinderopvangtoeslag is verstrekt. De Dienst Toeslagen heeft in deze systemen gezocht aan de hand van het BSN-nummer van eiseres, omdat dit aldus de toelichting van de Dienst Toeslagen ter zitting het meest betrouwbaar is. Een naam kan wijzigen bijvoorbeeld na een huwelijk, maar het BSN-nummer wijzigt namelijk nooit. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiseres nooit een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen hiermee een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. De stelling van eiseres dat de informatiehuishouding onvolledig was en dat de Dienst Toeslagen dit zou hebben erkend, heeft de Dienst Toeslagen ter zitting betwist. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat dit het geval is. De Dienst Toeslagen heeft verder ter zitting toegelicht dat daar waar over oudere jaren niet alle gegevens in systemen staan, het over correspondentie, bijvoorbeeld uitvraagbrieven, gaat en niet om aanvragen en beschikkingen. De Dienst Toeslagen heeft verder in dit kader kunnen overwegen dat het feit dat in dezelfde systemen wel gegevens met betrekking tot andere toeslagen van eiseres aanwezig zijn, bevestigt dat geen sprake is van een situatie waarin historische gegevens in algemene zin verloren zijn gegaan.
Daarnaast heeft eiseres geen begin van bewijs geleverd dat zij wel een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Haar standpunt dat zij gewerkt heeft en haar kinderen opvang hebben genoten, is ook niet onderbouwd. Het feit dat eiseres hierover consequent heeft verklaard maakt het niet anders. Het beroep van eiseres op bewijsnood slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Aangezien zij geen enkel begin van bewijs heeft geleverd dat er een aanvraag kinderopvangtoeslag is gedaan en omdat uit het onderzoek van de Dienst Toeslagen daarvoor geen enkel aanknopingspunt is gevonden, kan niet voorbij worden gegaan aan het volledig ontbreken van bewijs.
De rechtbank concludeert dat het bij deze stand van zaken niet aannemelijk is dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft aan eiseres dan ook geen compensatie hoeven toekennen vanwege vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of hardheid van het stelsel.
10.3.
Voor zover eiseres met haar beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gesteld dat er een lagere bewijslast zou moeten gelden, verwijst de rechtbank naar het hiervoor overwogene. Voor zover eiseres heeft bedoeld dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor compensatie niet of in mindere mate zouden moeten gelden, volgt de rechtbank dit evenmin. Toetsing van artikel 2.1. van de Wht aan deze beginselen stuit namelijk af op het in artikel 120 van de Grondwet neergelegde toetsingsverbod. Volgens vaste jurisprudentie staat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Dit kan anders zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever . Hiervan is in dit geval geen sprake. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is namelijk dat de aanvrager van die compensatie gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd. Om die reden kan ook niet met de hardheidsclausule van artikel 9.1 van het bepaalde in artikel 2.1 worden afgeweken.
Is de redelijke termijn overschreden?
11. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), indien ten tijde van de uitspraak deze termijn is overschreden.
11.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsprocedure niet langer mogen duren dan twee jaar, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.
11.2.
De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en de termijn eindigt op het moment van de uitspraak. Het bezwaarschrift van eiseres is ontvangen op 19 december 2024. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, zou de procedure uiterlijk 19 december 2026 moeten zijn afgerond met een uitspraak over het beroep van eiseres. Op het moment van deze uitspraak was deze termijn dus nog niet verstreken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie terecht is afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank wijst daarnaast het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
Artikel 9.1
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1 (…) voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.(…)
Stcrt. 2021, 14691.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3256), 10 december 2025
(ECLI:NL:RVS:2025:5970) en 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3031).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.
Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5970).
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772).
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5610).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5249).