Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8482

2026-09-03 Bestuursrecht 26/1844
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
26/1844
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 5, onder a, van de Leerplichtwet (Lpw). Mondeling uitspraak.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.480 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 26/1844 WET


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen



[eiseres], uit [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.





Inleiding


1. Eiseres heeft voor het schooljaar 2025-2026 een beroep gedaan op vrijstelling van de inschrijvingsverplichting op een school voor haar dochter Eline op grond van artikel 5, aanhef en onder a, van de Leerplichtwet (Lpw). Met een brief van 25 november 2025 heeft de leerplichtambtenaar namens het college medegedeeld dat het beroep op vrijstelling niet voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de Lpw. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.



1.1.
Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



1.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het college mr. A.M.J. van den Biggelaar.



1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank


2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vloeit de vrijstelling op grond van artikel 5 van de Lpw rechtstreeks voort uit de wet, indien is voldaan aan daarvoor gestelde voorwaarden. Het betreft dus een wettelijk recht dat – mits voldaan is aan de voorwaarden – automatisch tot gevolg heeft dat vrijstelling ontstaat.



2.1.
De rechtbank ziet in wat door eiseres is aangevoerd geen reden om af te wijken van deze jurisprudentie. De brief van de leerplichtambtenaar c.q. het college is slechts een mededeling van informatieve aard dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Die mededeling is niet op rechtsgevolg gericht. Het brengt geen verandering in de bevoegdheden, rechten of verplichtingen van eiseres. Er is ook geen sprake van een wettelijk voorschrift dat de leerplichtambtenaar c.q. het college de bevoegdheid geeft om hier een inhoudelijke beslissing over te nemen. De vergelijking die de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft gemaakt met de toekenning van rechtswege van een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) gaat niet op, alleen al omdat sprake is van een geheel ander soort regelgeving.



2.2.
De brief waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt, kan dus niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiseres kon daar daarom geen bezwaar tegen maken. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.




Conclusie en gevolgen


3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.





Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6321.