Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8479
2026-09-03
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/6573
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na tussenuitspraak | kortsluiten | handhaving | nieuw besluit geen 6:19-besluit | geen hogere pkv
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1564 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.062 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6572 en 25/6573
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J. Posset),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Samenvatting
1. Deze einduitspraak gaat over de afwijzing van het college van het verzoek om handhavend op te treden van verzoekers tegen geluidsoverlast afkomstig van het gebruik van het pannaveldje aan de [straat] in [plaats] . Verzoekers waren het niet eens met het besluit. Zij hadden daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft op 9 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om een in het besluit geconstateerd gebrek te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter constateert in deze einduitspraak dat verzoekers geen gronden hebben gericht tegen het nieuwe besluit waarin het college volledig is tegemoet gekomen aan het beroep tegen het eerdere besluit. Het beroep gericht tegen het eerdere besluit is niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben op 19 maart 2024 het handhavingsverzoek bij het college ingediend. Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 1 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.1.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en mr. M. Verzandvoort en mr. S. Bijsterveld namens het college.
2.3.
In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Verder heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen.
2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen. Dat is het besluit van 12 maart 2026, verzonden op 17 maart 2026, (het nieuwe besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het bestreden besluit herzien en het verzoek om handhaving alsnog toegewezen.
2.5.
Verzoekers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraaktermijn verlengd.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de voorzieningenrechter naar die tussenuitspraak. De voorzieningenrechter blijft bij al wat hij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de voorzieningenrechter niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
De tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter met betrekking tot het beroep, kort gezegd, overwogen dat het college onder verwijzing naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oisterwijk (hierna: de APV). Uit de geluidsmetingen en de second opinion van [bedrijf] blijkt dat het gebruik van het pannaveldje leidt tot maximale geluidsniveaus die de richtwaarde uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 in de avondperiode tot 20 dB(A) ruimschoots overschrijden. Daarbij is in de second opinion geluidsoverlast zeer aannemelijk geacht.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door middel van een aanvullende motivering of met een nieuw besluit op bezwaar na – of gelijktijdig met – intrekking van het bestreden besluit.
4.2.
In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter ook beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen. De getroffen voorlopige voorziening heeft tot gevolg dat het pannaveldje tot de einduitspraak niet gebruikt mocht worden voor balspelen en het college daartoe effectieve maatregelen moest treffen.
Hoe oordeelt de voorzieningenrechter ten aanzien van het bestreden besluit?
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het nieuwe besluit het bestreden besluit ingetrokken door het geheel te herzien. Het college heeft in het nieuwe besluit aan verzoekers alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
5.1.
Gelet hierop hebben verzoekers geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.
Oordeelt de voorzieningenrechter over het nieuwe besluit?
6. Een beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit , tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
6.1.
Verzoekers hebben bij bericht van 22 april 2026 naar aanleiding van de herstelpoging – inhoudende de herziening van het bestreden besluit – en de uitvoering van de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd. Verzoekers voeren aan dat de getroffen maatregelen niet voldoende zijn om aan de voorlopige voorziening te voldoen. Er vinden nog steeds balspelen plaats. Daarnaast verzoeken verzoekers om een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat volgens hen sprake is van kennelijk onredelijk handelen van een bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6.2.
De voorzieningenrechter concludeert op basis van de reactie van verzoekers dat zij geen gronden hebben gericht tegen het nieuwe besluit. Omdat de rechtmatigheid van het nieuwe besluit door verzoekers niet wordt betwist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit besluit te beoordelen. Door geen gronden te richten tegen het nieuwe besluit, hebben verzoekers onvoldoende belang bij een beroep daartegen. Er is daarom geen beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit.
6.3.
Voor zover de reactie van verzoekers moet worden opgevat als het verzoeken om een nieuwe of andere voorziening te treffen, omdat volgens hen onvoldoende is voldaan aan de in de tussenuitspraak getroffen voorlopige voorziening, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit de beschikbare stukken begrijpt de voorzieningenrechter dat rood-witte linten zijn gespannen bij het pannaveldje. Vervolgens zijn betonblokken geplaatst, die daarna weer zijn verwijderd. In de plaats daarvan is zand gestort op het veldje zodat een tijdelijk speeltoestel kon worden geplaatst. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een nieuwe of andere voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat de voorzieningenrechter heeft overwogen in deze uitspraak is het beroep het bestreden besluit niet-ontvankelijk.
7.1.
Het college moet het door verzoekers betaalde griffierecht in de bodemzaak BRE 25/6573 vergoeden gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek. Verzoekers krijgen ook een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. Gelet op de in de tussenuitspraak al toegekende proceskosten bedraagt die vergoeding nu in totaal € 1.401,-. Dit bedrag is op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt opgebouwd. 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1.
7.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toekenning van een hogere proceskostenvergoeding af. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De voorzieningenrechter heeft gezien dat verzoekers een lange weg hebben bewandeld om tot het huidige resultaat te komen en daarbij ook de nodige kosten hebben moeten maken. Het dossier en de geluidsrapporten hadden het college eerder kunnen en moeten doen inzien dat handhavend optreden nodig was. Door echter ook oog te hebben voor het belang van het kind, aan welk belang ook met een andere speelvoorziening kon en is tegemoetgekomen, is niet zonder meer sprake van kennelijk onredelijk handelen van het college dat moet leiden tot een hogere proceskostenvergoeding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- draagt het college op het betaalde griffierecht in BRE 25/6573 van € 194,- aan verzoekers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1564.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6572 en 25/6573
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J. Posset),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Samenvatting
1. Deze einduitspraak gaat over de afwijzing van het college van het verzoek om handhavend op te treden van verzoekers tegen geluidsoverlast afkomstig van het gebruik van het pannaveldje aan de [straat] in [plaats] . Verzoekers waren het niet eens met het besluit. Zij hadden daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft op 9 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om een in het besluit geconstateerd gebrek te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De voorzieningenrechter constateert in deze einduitspraak dat verzoekers geen gronden hebben gericht tegen het nieuwe besluit waarin het college volledig is tegemoet gekomen aan het beroep tegen het eerdere besluit. Het beroep gericht tegen het eerdere besluit is niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben op 19 maart 2024 het handhavingsverzoek bij het college ingediend. Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 1 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.1.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en mr. M. Verzandvoort en mr. S. Bijsterveld namens het college.
2.3.
In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen. Verder heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen.
2.4.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen. Dat is het besluit van 12 maart 2026, verzonden op 17 maart 2026, (het nieuwe besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het bestreden besluit herzien en het verzoek om handhaving alsnog toegewezen.
2.5.
Verzoekers hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraaktermijn verlengd.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de voorzieningenrechter naar die tussenuitspraak. De voorzieningenrechter blijft bij al wat hij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de voorzieningenrechter niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
De tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter met betrekking tot het beroep, kort gezegd, overwogen dat het college onder verwijzing naar het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oisterwijk (hierna: de APV). Uit de geluidsmetingen en de second opinion van [bedrijf] blijkt dat het gebruik van het pannaveldje leidt tot maximale geluidsniveaus die de richtwaarde uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 in de avondperiode tot 20 dB(A) ruimschoots overschrijden. Daarbij is in de second opinion geluidsoverlast zeer aannemelijk geacht.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door middel van een aanvullende motivering of met een nieuw besluit op bezwaar na – of gelijktijdig met – intrekking van het bestreden besluit.
4.2.
In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter ook beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen. De getroffen voorlopige voorziening heeft tot gevolg dat het pannaveldje tot de einduitspraak niet gebruikt mocht worden voor balspelen en het college daartoe effectieve maatregelen moest treffen.
Hoe oordeelt de voorzieningenrechter ten aanzien van het bestreden besluit?
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het nieuwe besluit het bestreden besluit ingetrokken door het geheel te herzien. Het college heeft in het nieuwe besluit aan verzoekers alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
5.1.
Gelet hierop hebben verzoekers geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.
Oordeelt de voorzieningenrechter over het nieuwe besluit?
6. Een beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit , tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
6.1.
Verzoekers hebben bij bericht van 22 april 2026 naar aanleiding van de herstelpoging – inhoudende de herziening van het bestreden besluit – en de uitvoering van de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd. Verzoekers voeren aan dat de getroffen maatregelen niet voldoende zijn om aan de voorlopige voorziening te voldoen. Er vinden nog steeds balspelen plaats. Daarnaast verzoeken verzoekers om een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat volgens hen sprake is van kennelijk onredelijk handelen van een bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6.2.
De voorzieningenrechter concludeert op basis van de reactie van verzoekers dat zij geen gronden hebben gericht tegen het nieuwe besluit. Omdat de rechtmatigheid van het nieuwe besluit door verzoekers niet wordt betwist ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om dit besluit te beoordelen. Door geen gronden te richten tegen het nieuwe besluit, hebben verzoekers onvoldoende belang bij een beroep daartegen. Er is daarom geen beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit.
6.3.
Voor zover de reactie van verzoekers moet worden opgevat als het verzoeken om een nieuwe of andere voorziening te treffen, omdat volgens hen onvoldoende is voldaan aan de in de tussenuitspraak getroffen voorlopige voorziening, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Uit de beschikbare stukken begrijpt de voorzieningenrechter dat rood-witte linten zijn gespannen bij het pannaveldje. Vervolgens zijn betonblokken geplaatst, die daarna weer zijn verwijderd. In de plaats daarvan is zand gestort op het veldje zodat een tijdelijk speeltoestel kon worden geplaatst. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een nieuwe of andere voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op wat de voorzieningenrechter heeft overwogen in deze uitspraak is het beroep het bestreden besluit niet-ontvankelijk.
7.1.
Het college moet het door verzoekers betaalde griffierecht in de bodemzaak BRE 25/6573 vergoeden gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek. Verzoekers krijgen ook een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. Gelet op de in de tussenuitspraak al toegekende proceskosten bedraagt die vergoeding nu in totaal € 1.401,-. Dit bedrag is op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt opgebouwd. 1 punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1.
7.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toekenning van een hogere proceskostenvergoeding af. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De voorzieningenrechter heeft gezien dat verzoekers een lange weg hebben bewandeld om tot het huidige resultaat te komen en daarbij ook de nodige kosten hebben moeten maken. Het dossier en de geluidsrapporten hadden het college eerder kunnen en moeten doen inzien dat handhavend optreden nodig was. Door echter ook oog te hebben voor het belang van het kind, aan welk belang ook met een andere speelvoorziening kon en is tegemoetgekomen, is niet zonder meer sprake van kennelijk onredelijk handelen van het college dat moet leiden tot een hogere proceskostenvergoeding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- draagt het college op het betaalde griffierecht in BRE 25/6573 van € 194,- aan verzoekers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.401,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1564.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.