Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8476

2026-09-03 Bestuursrecht BRE 26/1082 V en BRE 26/1083 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/1082 V en BRE 26/1083 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet samenhangende zaken niet tijdig beslissen Dienst Toeslagen.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.010 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht



zaaknummers: BRE 26/1082 V en BRE 26/1083 V


uitspraak van 3 september 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzet van



Dienst Toeslagen, opposant, tevens verweerder,



tegen de uitspraken van 8 mei 2026 in de zaak tussen



[geopposeerde], uit [plaats], geopposeerde, tevens eiseres,
(gemachtigde: mr. Akça-Altun),


en



opposant, tevens verweerder.




Procesverloop
1. Opposant heeft op 3 september 2024 een besluit genomen inzake de integrale herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2008, 2014 en 2015 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).


1.1.
Geopposeerde heeft op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



1.2.
Opposant heeft op 26 november 2024 een besluit genomen inzake de integrale herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).



1.3.
Geopposeerde heeft op 13 december 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.



1.4.
Geopposeerde heeft bij de rechtbank een beroepschrift ingediend omdat opposant volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 17 oktober 2024. Ook heeft geopposeerde een (apart) beroepschrift ingediend omdat opposant volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 13 december 2024.



1.5.
In de uitspraken van 8 mei 2026 heeft de rechtbank de beroepen van geopposeerde kennelijk gegrond verklaard.



1.6.
Opposant heeft tegen deze uitspraken op 16 juni 2026 een verzetschrift ingediend.



1.7.
De rechtbank heeft de mondelinge behandeling van het verzet gepland op 21 juli 2026. De rechtbank heeft de zitting op verzoek van de gemachtigde van geopposeerde verdaagd.



1.8.
Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 25 augustus 2025. Opposant is niet verschenen. Geopposeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.




Inleiding
2. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.


2.1.
Om proceseconomische redenen voegt de rechtbank de verzetzaken BRE 26/1082 en BRE 26/1083. De bestuursrechter kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp voegen (artikel 8:14 Awb). In dit geval gaat het om de behandeling van een verzetschrift met betrekking tot beide zaken. Voeging van dergelijke zaken is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het staat de rechter vrij om in elke stand van het geding uit eigen beweging tot voeging van zaken over te gaan.




Beoordeling van het verzet door de rechtbank


3. In de uitspraken van 8 mei 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van samenhangende zaken omdat de besluitvorming over de compensatie over alle jaren niet (nagenoeg) gelijktijdig bekend is gemaakt, maar over verschillende jaren beslist is met de afzonderlijke besluiten van 3 september 2024 en 26 november 2024. Hierdoor was geopposeerde genoodzaakt om afzonderlijke bezwaarschriften in te dienen.



3.1.
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de zaken ten onrechte op grond van 8:54 Awb, zonder zitting, zijn afgedaan. Daarbij legt opposant in het verzetschrift uit dat, gelet op bestaande jurisprudentie over samenhangende zaken en de door partijen ingenomen standpunten, niet zonder nader onderzoek kon worden geoordeeld dat geen sprake was van samenhangende zaken.



3.2.
Opposant stelt zich op het standpunt dat sprake is van samenhangende zaken waarbij slechts één dwangsom kan worden verbeurd. Het betreft immers beschikkingen die voortkomen uit dezelfde herstelregeling, berusten op hetzelfde toetsingskader en (grotendeels) op hetzelfde feitencomplex, aldus opposant. Dat de beoordeling over verschillende toeslagjaren is verdeeld over twee beschikkingen doet aan die inhoudelijke samenhang niet af. De beschikkingen vormen gezamenlijk de uitkomst van één integrale herbeoordeling van dezelfde ouder en zullen uiteindelijk leiden tot één besluitvormingstraject. Daarbij geeft opposant aan dat er één besluit op de bezwaren zal worden genomen.



3.3.
Ter zitting geeft geopposeerde aan dat zij niet van mening is dat er sprake is van samenhangende zaken. Geopposeerde legt uit dat de twee besluiten van elkaar verschillen in uitkomst en in de toeslagjaren waar de besluiten op zien. Het eerste besluit is een toewijzing en het tweede besluit is een afwijzing. Daardoor gaan de bezwaren over verschillende onderwerpen. Het bezwaar tegen het toewijzende besluit ziet op de hoogte van de bedragen, terwijl het bezwaar tegen de afwijzing de vraag betreft of geopposeerde als gedupeerde kan worden aangemerkt voor de betreffende toeslagjaren. Verder wijst geopposeerde op het tijdsverloop tussen de twee besluiten.



3.4.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is. Een uitzondering op dit beginsel geldt in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich meebrengt dat slechts één bestuurlijke en rechterlijke dwangsom kan verbeuren.



3.5.
Hoewel de bezwaren van geopposeerde niet (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend en inhoudelijk zien op verschillende toeslagjaren, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn. De besluiten waartegen geopposeerde bezwaar heeft gemaakt hebben betrekking op dezelfde herstelregeling, hetzelfde toetsingskader en (grotendeels) hetzelfde feitencomplex. Dat deze besluiten zien op verschillende toeslagjaren, is op zichzelf onvoldoende om de inhoudelijke samenhang te doorbreken. Aan die samenhang wordt ook niet afgedaan doordat opposant twee afzonderlijke besluiten heeft genomen en dat deze verschillende uitkomsten hebben.



Conclusie over het verzet

4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de uitspraken van 8 mei 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake was van samenhangende zaken. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraken vervallen en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraken werden gedaan.





Beoordeling van de beroepen door de rechtbank



Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?

5. De beroepen zijn ontvankelijk en gegrond. De rechtbank stelt allereerst vast dat de beroepschriften tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van eiseres voldoen aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiseres rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.



5.1.

Eiseres heeft het bezwaarschrift tegen het besluit van 3 september 2024 ingediend op 17 oktober 2024 en het is op dezelfde datum door verweerder ontvangen. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 26 november 2024 heeft eiseres ingediend op
13 december 2024 en het is op 16 december 2024 door verweerder ontvangen. In deze gevallen gelden de volgende beslistermijnen. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit. Omdat het bezwaarschrift van 17 oktober 2024 na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag nadat dit bezwaarschrift is ontvangen.




5.2.
Op het moment dat verweerder gebruik maakt van de adviescommissie, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift wordt niet duidelijk of gebruik wordt gemaakt van de adviescommissie. De rechtbank zal daarom uitgaan van een beslistermijn van zes weken.



5.3.
Verweerder heeft de beslistermijnen verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 9 januari 2025 op het bezwaar van 17 oktober 2024 moeten beslissen. Op het bezwaar van 13 december 2024 had verweerder uiterlijk 1 april 2025 moeten beslissen. De termijnen waarbinnen verweerder moest beslissen zijn inmiddels allebei voorbij. Eiseres heeft verweerder op 24 juni 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestellingen op 25 juni 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.



Welke beslistermijnen worden aan verweerder opgelegd?

6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op de bezwaren van eiseres, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.




6.1.
In het verweerschrift wordt verzocht om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.



6.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.



6.3.
De rechtbank stelt vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijnen voor de bezwaren van eiseres. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op de bezwaren bekend moet maken.



Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

7. Zoals overwogen onder 3.4. brengt een redelijke toepassing van artikel 8:55, tweede lid, van de Awb met zich mee dat verweerder slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren wegens samenhang van de zaken. Daarbij geldt wel dat de dwangsom pas stopt met lopen als volledig op beide bezwaren van eiseres is beslist.




7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 dat verweerder een dwangsom van € 250,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-.



Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast en veroordeelt zij verweerder tot betaling daarvan?

8. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.




8.1.
Tevens verzoekt eiseres verweerder te veroordelen tot betaling van de dwangsom. Ter zitting legt eiseres uit dat verweerder maar één bestuurlijke dwangsom heeft uitbetaald. Verweerder is van mening dat er slechts één bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is verbeurd wegens samenhang van de zaken.



8.2.
Zoals overwogen onder 3.4. brengt een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich mee dat slechts één bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank overweegt dan ook dat verweerder zich terecht op dit standpunt stelt. Omdat verweerder reeds een dwangsombeslissing genomen heeft op 28 augustus 2025, zal de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vaststellen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding het verzoek van eiseres tot veroordeling van betaling te honoreren, gelet op het feit dat verweerder al eenmaal de bestuurlijke dwangsom heeft uitbetaald. Bovendien geeft artikel 8:55c van de Awb slechts de bevoegdheid tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Deze bevoegdheid bevat niet de mogelijkheid om het bestuursorgaan te veroordelen tot betaling ervan.



Conclusie over de beroepen

9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 6.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 7.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd.




9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen.



9.2.

Wegens samenhang van de zaken worden deze beschouwd als één zaak op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskostenvergoeding bedraagt € 700,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting in de verzetsprocedure, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor van 0,5 voor het lichte gewicht van de zaak).

Beslissing

De rechtbank:



verklaart het verzet gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt verweerder op uiterlijk binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op de bezwaren bekend te maken;


bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijft, met een maximum van € 37.500,- ;


verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep ziet op het verzoek om verweerder tot betaling te veroordelen;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,- ) aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 700,50.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Met opposant wordt de indiener van het verzetschrift bedoeld.


Zie ECLI:NL:RVS:2020:1624, ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en ECLI:NL:RVS:2023:1746.


Zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134.


ECLI:NL:RBROT:2024:6560.


ECLI:NL:RBMNE:2024:1436.


Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.


ECLI:NL:RVS:2025:1301.


Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.