Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8473
2026-09-03
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/5417
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen; geen strijd met een goede ruimtelijke ordening; Wabo.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:1633 Raad van State 08-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:1313 Raad van State 26-03-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.378 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5417
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
T.J.M. van Hest en [eisers] , allen uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen aan de [locatie] (hierna: de locatie).
2.1.
Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegepast. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 5 september 2025 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Namens eisers heeft [eiser] deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.B. van Overdijk. Ook vergunninghouder was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2.6.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 18 oktober 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het bouwen van acht woningen op de locatie.
3.1.
Het college heeft deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub a en sub c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Gelet hierop heeft het college toepassing gegeven aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb.
3.2.
Op 16 december 2024 heeft het college het voornemen tot het verlenen van de omgevingsvergunning en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd. Eisers hebben een zienswijze ingebracht. Deze zienswijze heeft voor het college aanleiding gevormd om op onderdelen aanpassingen te doen aan de bij de omgevingsvergunning behorende documenten.
3.3.
Met het bestreden besluit van 5 september 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor de volgende activiteiten:
het (ver)bouwen van een bouwwerk;
het handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is ingediend op 18 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Ter plaatse van de percelen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, zijn onder andere de bestemmingsplannen “ [bestemmingsplan 1] ” en “ [bestemmingsplan 2] ” van kracht. Uit het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” volgt dat de percelen de gebiedsgerichte bestemming “Wonen” en de perceelsgerichte bestemming “Bedrijven – 2” hebben.
4.2.
In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is, voor zover hier relevant, bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
4.3.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geweigerd als de activiteit in strijd is met een bestemmingsplan. Uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo volgt dat in die gevallen de aanvraag alleen wordt geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
4.4.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
4.5.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Verklaring van geen bedenkingen
5. Uit de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo niet mag worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief. Hierop is op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een uitzondering mogelijk, indien de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist.
5.1.
De gemeenteraad van [plaats] heeft in het besluit van 9 maart 2015 onder andere ‘kleinschalige woningbouwlocaties of de bouw van clusters woningen van in beide gevallen maximaal 20 woningen’ aangewezen als categorie waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. De rechtbank constateert dat het bouwplan, dat voorziet in de bouw van acht woningen, binnen de reikwijdte van deze categorie valt. Het college heeft daarom terecht niet verzocht om een verklaring van geen bedenkingen.
Strijd met de goede ruimtelijke ordening
6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met artikel 14.1.1.1 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, in samenhang gelezen met artikel 9.2 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” (grondgebonden wonen). Hieruit volgt dat de locatie is bestemd voor grondgebonden woningen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet voldoet aan deze bepaling, omdat het gestapelde woningen beoogt te realiseren.
6.1.
Verder is het bouwplan ook in strijd met artikel 3.2.2 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” (algemene bebouwingsvoorschriften). Gelet op de bebouwingsvoorschriften in samenhang met de bij het bestemmingsplan behorende plankaart stelt de rechtbank vast dat bouwplan het toegestane bebouwingspercentage en de maximale bouwhoogte op de locatie overschrijdt.
6.2.
Niet in geschil is dat het bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt om met gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbepaling van deze regels af te wijken. Het bouwplan valt ook niet onder de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen als bedoeld onder artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub b, bedoelde gevallen. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het bouwplan daarom alleen worden verleend indien het niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Daarvoor moet de motivering van het besluit een goede ruimtelijk onderbouwing bevatten. Tussen partijen is in geschil of hiervan sprake is.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, het college beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. Gelet op de beleidsruimte die het college op dit punt geniet, oordeelt de bestuursrechter niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bedrijfsactiviteiten
7. Eisers betogen dat het college de feitelijke aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] onvoldoende heeft onderzocht. Het college heeft geen rekening gehouden met de opslag van onder andere LPG-flessen en koolzuurcilinders, aldus eisers. Daarnaast voeren eisers aan dat de uitvoering van het bouwplan leidt tot een intensivering van de woonfunctie, omdat het aantal woningen op de locatie toeneemt. Het college heeft volgens eisers niet vastgesteld of – in het licht van de structurele bedrijfsactiviteiten van [eisers] – voor deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit de voorschriften, met name artikel 7, en de plankaart van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” blijkt dat op het perceel de bestemming “Wonen” rust, waarbij bedrijvigheid tot milieucategorie 2 is toegestaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. [eisers] behoort tot deze milieucategorie. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat de genoemde feitelijke bedrijfsactiviteiten, waaronder de opslag van LPG-flessen en koolzuurcilinders, er niet toe leiden dat het bedrijf niet langer binnen deze milieucategorie valt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. De activiteiten van het bedrijf waren immers bij het college bekend en deze zijn bij de beoordeling van het bouwplan meegenomen.
7.2.
De rechtbank stelt verder vast dat in de bestaande situatie op de locatie reeds woningen aanwezig zijn. Ook dit is niet in geschil. Het college heeft terecht geconstateerd dat de realisatie van het bouwplan weliswaar leidt tot een toename van het aantal woningen op de locatie, maar dat de afstand van deze woningen tot het bedrijf ten opzichte van de bestaande situatie niet verandert. Het college heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers door de realisatie van het bouwplan niet (verder) worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. In de exploitatie van het bedrijf moeten zij immers al rekening houden met de aanwezige woningen op de locatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bedrijvigheid van andere ondernemingen
8. In het beroepschrift wijzen eisers op diverse andere ondernemingen die nabij de locatie zijn gevestigd. Eisers betogen dat het college de bedrijvigheid van deze ondernemingen onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat.
8.1.
Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit niet worden vernietigd wegens strijd met een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd.
8.2.
Voor zover eisers met deze beroepsgrond aanvoeren dat de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven worden beperkt en dat het college dit onvoldoende heeft onderzocht, stelt de rechtbank vast dat eisers daarmee niet opkomen voor hun eigen belangen maar voor de belangen van derden. Eisers kunnen zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening beroepen, maar alleen voor zover die norm (mede) betrekking heeft op hun eigen belangen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank staat het relativiteitsvereiste daarom in de weg aan de inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Verkeer
9. Eisers stellen dat het college in het bestreden besluit de bestaande verkeersintensiteit, waaronder de verkeersbewegingen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] , onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitvoering van het bouwplan niet leidt tot het overschrijden van de grenswaarde van 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal op de locatie. Het college heeft rekening gehouden met de bestaande verkeersbewegingen en heeft de te verwachten verkeerstoename als gevolg van de realisatie van het bouwplan voldoende inzichtelijk gemaakt. De stelling van eisers dat de gehanteerde grenswaarde in dit geval niet toereikend is, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van deze grenswaarde heeft mogen uitgaan. Het betoog slaagt daarom niet.
Parkeren
10. Eisers betogen dat het bouwplan voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen die toegankelijk zijn voor bezoekers.
10.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte.
10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het bouwplan op basis van de nota “Parkeernormen Tilburg 2017” een parkeerbehoefte van 8,1 geldt. Evenmin in geschil is dat het bezoekersaandeel van deze parkeerbehoefte 2,4 bedraagt. Wel in geschil is of het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen die vrij toegankelijk zijn voor bezoekers.
10.3
Het bouwplan voorziet in de realisatie van acht parkeerplaatsen op eigen terrein en de toevoeging van twee parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de parkeerplaatsen die worden gerealiseerd aan de [straat] weliswaar op eigen terrein zijn gesitueerd, maar dat deze parkeerplaatsen ook voor bezoekers van de woningen vrij toegankelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom voldoende onderbouwd dat het bouwplan voldoet aan de vastgestelde parkeerbehoefte. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. De rechtbank komt, alles overwegende, tot de slotsom dat het college in het bestreden besluit – met verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en de nota van zienswijzen – voldoende de betrokken ruimtelijke belangen heeft afgewogen en op goede gronden heeft geconcludeerd dat het vergunde bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. Het bouwen van een bouwwerk,
b. (…)
c. Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
d. (…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (…)
b. (…)
c. De activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.
d. (…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
(…)
Besluit omgevingsrecht
Artikel 6.5
Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
(…)
De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
Bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”
Artikel 3.2 Toepassing bebouwingsvoorschriften
3.2.1 (…)
3.2.2 Op gronden die op de plankaart zijn aangegeven met de nadere aanduiding bijzonder bouwregime waarbij tevens –al dan niet per deelvlak- maximale bebouwingspercentages, maximale goot- en/of bouwhoogten en de maximale afschuiningshoek zijn aangegeven, zijn van dit artikel (artikel 3 van deze voorschriften) de leden 3.10 t/m 3.13 en 3.19 t/m 3.26 niet van toepassing. Indien op percelen met de gebiedsgerichte bestemming Wonen (W) en Gemengde Doeleinden (G) tevens een perceelsgerichte bestemming is opgenomen met een nadere aanduiding bijzonder bouwregime, geldt dit bouwregime uitsluitend voor die perceelsgerichte bestemming. Voor de gebiedsgerichte bestemmingen Wonen (W) en Gemengde Doeleinden (G) geldt in dat geval een bouwverbod. De aanduiding bijzonder bouwregime of deelvlakgrens kan tevens voorzien zijn van een bebouwingsfront welke nader op de plankaart is aangeduid met een pijl. De aanduiding bebouwingsfront is in dit geval synoniem aan het begrip voorgevelrooilijn zoals bedoeld in deze voorschriften. Op gronden zoals hierboven omschreven gelden deze op de plankaart aangegeven maximale hoogten, maximale afschuiningshoek en maximale bebouwingspercentages per bouwperceel, dan wel per deel- of bestemmingsvlak. Hiervan zijn uitgezonderd:
- plaatselijke verhogingen zoals rookkanalen/schoorstenen, liftschachtinstallaties, technische installaties, (draagconstructies voor) een reclame;
- bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de afzonderlijke bestemming;
- ondergrondse bouwwerken.
3.2.3 (…)
Artikel 5.2 Gebruik van bouwwerken
Het is verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de krachtens het plan gegeven bestemming, behoudens vrijstellingen die op grond van deze voorschriften zijn verleend. Tot een gebruik, strijdig met de woonbestemming zoals bedoeld in de artikelen 9, 10 en 14, wordt in ieder geval gerekend:
- de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen een ambachtelijk of industrieel bedrijf, met uitzondering van uitoefening van beroepsmatige activiteiten als bedoeld in artikel 7.2;
- het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten;
- het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
Artikel 14.1 Bestemmingsomschrijving Wonen ‘W’ en ‘WS’
14.1.1.1 Functies
De gebieden die op de plankaart zijn aangegeven als: “W” zijn bestemd voor de navolgende functies zoals nader omschreven in artikel 7:wonen, met dien verstande dat:
- sprake is van een grondgebonden woning;
- (…)
Bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”
Artikel 9.2 Artikel 5 Gebruik
Aan artikel 5.2 Gebruik van bouwwerken wordt toegevoegd het lid:
5.2.1 Strijdig gebruik:Het gebruik van gebouwen voor gestapelde woningen is niet toegestaan (…)
Zie artikel 2.27, eerste lid van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633 (r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld Afdeling 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313 (r.o. 6.3).
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5417
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen
T.J.M. van Hest en [eisers] , allen uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen aan de [locatie] (hierna: de locatie).
2.1.
Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegepast. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 5 september 2025 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Namens eisers heeft [eiser] deelgenomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.B. van Overdijk. Ook vergunninghouder was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2.6.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 18 oktober 2023 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het bouwen van acht woningen op de locatie.
3.1.
Het college heeft deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub a en sub c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Gelet hierop heeft het college toepassing gegeven aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb.
3.2.
Op 16 december 2024 heeft het college het voornemen tot het verlenen van de omgevingsvergunning en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegd. Eisers hebben een zienswijze ingebracht. Deze zienswijze heeft voor het college aanleiding gevormd om op onderdelen aanpassingen te doen aan de bij de omgevingsvergunning behorende documenten.
3.3.
Met het bestreden besluit van 5 september 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor de volgende activiteiten:
het (ver)bouwen van een bouwwerk;
het handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is ingediend op 18 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Ter plaatse van de percelen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, zijn onder andere de bestemmingsplannen “ [bestemmingsplan 1] ” en “ [bestemmingsplan 2] ” van kracht. Uit het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” volgt dat de percelen de gebiedsgerichte bestemming “Wonen” en de perceelsgerichte bestemming “Bedrijven – 2” hebben.
4.2.
In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is, voor zover hier relevant, bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
4.3.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geweigerd als de activiteit in strijd is met een bestemmingsplan. Uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo volgt dat in die gevallen de aanvraag alleen wordt geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
4.4.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
4.5.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Verklaring van geen bedenkingen
5. Uit de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo niet mag worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard geen bedenkingen te hebben tegen het initiatief. Hierop is op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een uitzondering mogelijk, indien de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist.
5.1.
De gemeenteraad van [plaats] heeft in het besluit van 9 maart 2015 onder andere ‘kleinschalige woningbouwlocaties of de bouw van clusters woningen van in beide gevallen maximaal 20 woningen’ aangewezen als categorie waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. De rechtbank constateert dat het bouwplan, dat voorziet in de bouw van acht woningen, binnen de reikwijdte van deze categorie valt. Het college heeft daarom terecht niet verzocht om een verklaring van geen bedenkingen.
Strijd met de goede ruimtelijke ordening
6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met artikel 14.1.1.1 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, in samenhang gelezen met artikel 9.2 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” (grondgebonden wonen). Hieruit volgt dat de locatie is bestemd voor grondgebonden woningen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet voldoet aan deze bepaling, omdat het gestapelde woningen beoogt te realiseren.
6.1.
Verder is het bouwplan ook in strijd met artikel 3.2.2 van bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” (algemene bebouwingsvoorschriften). Gelet op de bebouwingsvoorschriften in samenhang met de bij het bestemmingsplan behorende plankaart stelt de rechtbank vast dat bouwplan het toegestane bebouwingspercentage en de maximale bouwhoogte op de locatie overschrijdt.
6.2.
Niet in geschil is dat het bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt om met gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbepaling van deze regels af te wijken. Het bouwplan valt ook niet onder de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen als bedoeld onder artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub b, bedoelde gevallen. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het bouwplan daarom alleen worden verleend indien het niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Daarvoor moet de motivering van het besluit een goede ruimtelijk onderbouwing bevatten. Tussen partijen is in geschil of hiervan sprake is.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, het college beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. Gelet op de beleidsruimte die het college op dit punt geniet, oordeelt de bestuursrechter niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bedrijfsactiviteiten
7. Eisers betogen dat het college de feitelijke aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] onvoldoende heeft onderzocht. Het college heeft geen rekening gehouden met de opslag van onder andere LPG-flessen en koolzuurcilinders, aldus eisers. Daarnaast voeren eisers aan dat de uitvoering van het bouwplan leidt tot een intensivering van de woonfunctie, omdat het aantal woningen op de locatie toeneemt. Het college heeft volgens eisers niet vastgesteld of – in het licht van de structurele bedrijfsactiviteiten van [eisers] – voor deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit de voorschriften, met name artikel 7, en de plankaart van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” blijkt dat op het perceel de bestemming “Wonen” rust, waarbij bedrijvigheid tot milieucategorie 2 is toegestaan. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. [eisers] behoort tot deze milieucategorie. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat de genoemde feitelijke bedrijfsactiviteiten, waaronder de opslag van LPG-flessen en koolzuurcilinders, er niet toe leiden dat het bedrijf niet langer binnen deze milieucategorie valt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. De activiteiten van het bedrijf waren immers bij het college bekend en deze zijn bij de beoordeling van het bouwplan meegenomen.
7.2.
De rechtbank stelt verder vast dat in de bestaande situatie op de locatie reeds woningen aanwezig zijn. Ook dit is niet in geschil. Het college heeft terecht geconstateerd dat de realisatie van het bouwplan weliswaar leidt tot een toename van het aantal woningen op de locatie, maar dat de afstand van deze woningen tot het bedrijf ten opzichte van de bestaande situatie niet verandert. Het college heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers door de realisatie van het bouwplan niet (verder) worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. In de exploitatie van het bedrijf moeten zij immers al rekening houden met de aanwezige woningen op de locatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bedrijvigheid van andere ondernemingen
8. In het beroepschrift wijzen eisers op diverse andere ondernemingen die nabij de locatie zijn gevestigd. Eisers betogen dat het college de bedrijvigheid van deze ondernemingen onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemersklimaat.
8.1.
Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een besluit niet worden vernietigd wegens strijd met een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit wordt ook wel het relativiteitsvereiste genoemd.
8.2.
Voor zover eisers met deze beroepsgrond aanvoeren dat de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven worden beperkt en dat het college dit onvoldoende heeft onderzocht, stelt de rechtbank vast dat eisers daarmee niet opkomen voor hun eigen belangen maar voor de belangen van derden. Eisers kunnen zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening beroepen, maar alleen voor zover die norm (mede) betrekking heeft op hun eigen belangen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank staat het relativiteitsvereiste daarom in de weg aan de inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Verkeer
9. Eisers stellen dat het college in het bestreden besluit de bestaande verkeersintensiteit, waaronder de verkeersbewegingen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] , onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitvoering van het bouwplan niet leidt tot het overschrijden van de grenswaarde van 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal op de locatie. Het college heeft rekening gehouden met de bestaande verkeersbewegingen en heeft de te verwachten verkeerstoename als gevolg van de realisatie van het bouwplan voldoende inzichtelijk gemaakt. De stelling van eisers dat de gehanteerde grenswaarde in dit geval niet toereikend is, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van deze grenswaarde heeft mogen uitgaan. Het betoog slaagt daarom niet.
Parkeren
10. Eisers betogen dat het bouwplan voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen die toegankelijk zijn voor bezoekers.
10.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte.
10.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het bouwplan op basis van de nota “Parkeernormen Tilburg 2017” een parkeerbehoefte van 8,1 geldt. Evenmin in geschil is dat het bezoekersaandeel van deze parkeerbehoefte 2,4 bedraagt. Wel in geschil is of het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen die vrij toegankelijk zijn voor bezoekers.
10.3
Het bouwplan voorziet in de realisatie van acht parkeerplaatsen op eigen terrein en de toevoeging van twee parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de parkeerplaatsen die worden gerealiseerd aan de [straat] weliswaar op eigen terrein zijn gesitueerd, maar dat deze parkeerplaatsen ook voor bezoekers van de woningen vrij toegankelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom voldoende onderbouwd dat het bouwplan voldoet aan de vastgestelde parkeerbehoefte. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. De rechtbank komt, alles overwegende, tot de slotsom dat het college in het bestreden besluit – met verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en de nota van zienswijzen – voldoende de betrokken ruimtelijke belangen heeft afgewogen en op goede gronden heeft geconcludeerd dat het vergunde bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:69a
De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. Het bouwen van een bouwwerk,
b. (…)
c. Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
d. (…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (…)
b. (…)
c. De activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.
d. (…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking;
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
(…)
Besluit omgevingsrecht
Artikel 6.5
Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
(…)
De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
Bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”
Artikel 3.2 Toepassing bebouwingsvoorschriften
3.2.1 (…)
3.2.2 Op gronden die op de plankaart zijn aangegeven met de nadere aanduiding bijzonder bouwregime waarbij tevens –al dan niet per deelvlak- maximale bebouwingspercentages, maximale goot- en/of bouwhoogten en de maximale afschuiningshoek zijn aangegeven, zijn van dit artikel (artikel 3 van deze voorschriften) de leden 3.10 t/m 3.13 en 3.19 t/m 3.26 niet van toepassing. Indien op percelen met de gebiedsgerichte bestemming Wonen (W) en Gemengde Doeleinden (G) tevens een perceelsgerichte bestemming is opgenomen met een nadere aanduiding bijzonder bouwregime, geldt dit bouwregime uitsluitend voor die perceelsgerichte bestemming. Voor de gebiedsgerichte bestemmingen Wonen (W) en Gemengde Doeleinden (G) geldt in dat geval een bouwverbod. De aanduiding bijzonder bouwregime of deelvlakgrens kan tevens voorzien zijn van een bebouwingsfront welke nader op de plankaart is aangeduid met een pijl. De aanduiding bebouwingsfront is in dit geval synoniem aan het begrip voorgevelrooilijn zoals bedoeld in deze voorschriften. Op gronden zoals hierboven omschreven gelden deze op de plankaart aangegeven maximale hoogten, maximale afschuiningshoek en maximale bebouwingspercentages per bouwperceel, dan wel per deel- of bestemmingsvlak. Hiervan zijn uitgezonderd:
- plaatselijke verhogingen zoals rookkanalen/schoorstenen, liftschachtinstallaties, technische installaties, (draagconstructies voor) een reclame;
- bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de afzonderlijke bestemming;
- ondergrondse bouwwerken.
3.2.3 (…)
Artikel 5.2 Gebruik van bouwwerken
Het is verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de krachtens het plan gegeven bestemming, behoudens vrijstellingen die op grond van deze voorschriften zijn verleend. Tot een gebruik, strijdig met de woonbestemming zoals bedoeld in de artikelen 9, 10 en 14, wordt in ieder geval gerekend:
- de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen een ambachtelijk of industrieel bedrijf, met uitzondering van uitoefening van beroepsmatige activiteiten als bedoeld in artikel 7.2;
- het splitsen van een (grondgebonden) woning in twee of meer zelfstandige woonruimten;
- het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
Artikel 14.1 Bestemmingsomschrijving Wonen ‘W’ en ‘WS’
14.1.1.1 Functies
De gebieden die op de plankaart zijn aangegeven als: “W” zijn bestemd voor de navolgende functies zoals nader omschreven in artikel 7:wonen, met dien verstande dat:
- sprake is van een grondgebonden woning;
- (…)
Bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”
Artikel 9.2 Artikel 5 Gebruik
Aan artikel 5.2 Gebruik van bouwwerken wordt toegevoegd het lid:
5.2.1 Strijdig gebruik:Het gebruik van gebouwen voor gestapelde woningen is niet toegestaan (…)
Zie artikel 2.27, eerste lid van de Wabo.
Zie bijvoorbeeld Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633 (r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld Afdeling 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313 (r.o. 6.3).