Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8468

2026-09-03 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/1712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/1712
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026091001; V-N Vandaag 2026/1879; FutD 2026-1615; NDFR Nieuws 2026/1410

Inhoudsindicatie

IB / Formeel

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.047 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/1712


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 september 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en




de inspecteur van de Belastingdienst.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 februari 2025.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 naar de volgende inkomens een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en naar het volgende premie-inkomen een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, de volgende boete opgelegd (de boetebeschikking) en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen):











Aanslag 2021




IB/PVV inkomen uit werk en woning


€ 30.000




IB/PVV inkomen uit sparen en beleggen


€ 8.660




Verzuimboete


€ 385




Belastingrente aanslag IB/PVV


€ 944












Zvw premie-inkomen


€ 30.000




Belastingrente aanslag Zvw


€ 218








1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om zonder zitting uitspraak te doen. Hierop heeft de inspecteur de rechtbank laten weten dat ook hij een zitting niet nodig vindt. Omdat de rechtbank een zitting evenmin nodig vindt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


3. In het jaar 2021 was belanghebbende niet gehuwd en had zij geen fiscale partner. Tot 17 september 2008 was belanghebbende gehuwd met de heer [persoon] (de ex-echtgenoot).



3.1.
Belanghebbende woont aan de [adres 1] te [woonplaats] . Deze woning is volledig in eigendom van de ex-echtgenoot. Ten aanzien van de woning is, op naam van belanghebbende en de ex-echtgenoot, een hypothecaire geldlening afgesloten. Ten aanzien van de woning is in 2021 een bedrag aan hypotheekrente betaald van € 12.376.



3.2.
Belanghebbende bezit een woning aan het [adres 2] te [woonplaats] .



3.3.
Belanghebbende heeft over het jaar 2021 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.975.



3.4.
Bij brief van 7 januari 2025 heeft de inspecteur belanghebbende gevraagd of zij wil worden gehoord. Bij brief van 16 januari 2025 heeft belanghebbende aangegeven dat zij gebruik wenst te maken van het recht te worden gehoord, maar dat dit niet ten kantore van de Belastingdienst kan plaatsvinden. Per e-mail van 6 februari 2025 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals de gelegenheid geboden te worden gehoord, waarbij hij heeft aangegeven dat het hoorgesprek ten kantore van de Belastingdienst kan worden gehouden.




Overwegingen



Heeft de inspecteur het motiveringsbeginsel geschonden?




4. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd omdat niet of onvoldoende is ingegaan op de door haar in bezwaar aangevoerde gronden.



4.1.
De rechtbank overweegt dat schending van artikel 3:2 van de Awb – zo daar al sprake van is – in beginsel niet leidt tot vernietiging van de aanslagen en beschikkingen. Het gaat uiteindelijk om de vraag of deze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar niet onvoldoende gemotiveerd. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn beslissing is gekomen. Dat de inspecteur niet, of niet uitgebreid, heeft gereageerd op elke stelling van belanghebbende, maakt nog niet dat de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd. Dat belanghebbende zich niet kan vinden in de motivering van de inspecteur is daarbij ook niet van belang.



Heeft de inspecteur het hoorrecht geschonden?





4.2.
Belanghebbende stelt dat het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden en beklaagt zich er onder meer over dat de inspecteur het hoorgesprek niet op een neutrale locatie heeft willen voeren.



4.3.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur belanghebbende voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord in haar bezwaren (zie 3.4). De inspecteur heeft immers meermaals een hoorgesprek voorgesteld en de mogelijkheid geboden om te worden gehoord. Het is aan de inspecteur om de locatie voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht te kiezen. De inspecteur heeft daarbij in dit geval niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld en voldoende rekening gehouden met de belangen van belanghebbende. Dat de regie voor het plannen van een hoorgesprek bij de inspecteur ligt, kan tevens worden afgeleid uit de omstandigheid dat belanghebbenden worden opgeroepen voor het horen.



Zijn de aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?





Omkering en verzwaring van de bewijslast





4.4.
De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet (tijdig) aangifte heeft gedaan.



4.5.
Belanghebbende stelt dat zij de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte niet heeft ontvangen.



4.6.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur de verzending van de uitnodiging tot het doen van aangifte niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan ten aanzien van de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte, heeft hij geen verzendadministratie van de uitnodiging tot het doen van aangifte overgelegd. De bewijslast dient dan ook niet te worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank zal aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast beoordelen of de aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.



4.7.
Voor de hoogten van het in de aanslagen begrepen inkomen uit werk en woning en premie-inkomen (telkens € 30.000) heeft de inspecteur in aanmerking genomen dat in 2021 ten aanzien van de woning waarin belanghebbende woont € 12.376 hypotheekrente is betaald en dat belanghebbende daarnaast ook inkomen moet hebben gehad om in haar levensonderhoud te voorzien. De inspecteur heeft tevens in aanmerking genomen dat belanghebbende volgens de onherroepelijk vaststaande aanslag IB/PVV 2020 een belastbaar inkomen uit werk en woning had van € 35.011.



4.8.
Het inkomen uit sparen en beleggen heeft de inspecteur als volgt becijferd:








Banktegoeden


€ 21.813




Aandelen en obligaties


€ 69.532




Onroerende zaken


€ 180.000




Totale waarde bezittingen


€ 271.245




Af: schulden na drempel


0




Af: heffingsvrij vermogen


€ 50.000




Rendementsgrondslag


€ 221.245












Totaal inkomen box 3


€ 8.660







Het saldo aan banktegoeden stemt overeen met het door belanghebbende aangegeven saldo. De waarde van de aandelen en obligaties stemt overeen met de waarde die de inspecteur na renseignement van de bank heeft ontvangen. De woning aan het [adres 2] te [woonplaats] had een WOZ-waarde per 1 januari 2021 van € 180.000.




4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de belastbare bedragen, zoals weergegeven in 4.7 en 4.8, niet te hoog zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat:


zij aannemelijk acht dat belanghebbende de hypotheekrente van de woning waarin zij woont – en de ex-echtgenoot niet – zelf heeft betaald;


belanghebbende daarnaast inkomen moet hebben gehad om voor het overige in haar levensonderhoud te voorzien;


de inspecteur bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning is uitgegaan van bankgegevens en van een WOZ-beschikking;


belanghebbende op geen enkele wijze gemotiveerd de door de inspecteur gehanteerde bedragen heeft betwist.





4.10.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de aanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld.



Is de boetebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld?





4.11.
De verzuimboete is opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2021.



4.12.
Nu de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging tot het doen van aangifte is verzonden (zie 4.6), dient de verzuimboete te worden vernietigd. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de door belanghebbende aangevoerde (formele) gronden tegen de boete.



Zijn de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?





4.13.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.




Slagen de overige gronden van belanghebbende?





4.14.
Belanghebbende is zeer uitvoerig geweest in haar stellingen en heeft zich daarbij op diverse rechtsbeginselen beroepen. De rechtbank heeft deze stellingen beoordeeld. Voor een deel is hierboven in de uitspraak ingegaan op deze stellingen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hiervoor is weergegeven.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is gegrond, maar alleen voor zover het de verzuimboete betreft. Dat betekent dat de aanslagen en de belastingrentebeschikkingen in stand blijven. Dat betekent ook dat de inspecteur de door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 aan haar moet vergoeden.



5.1.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt) en heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.600.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond voor zover het de verzuimboete betreft;


vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de verzuimboete alsmede de verzuimboete;


bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;


veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.600 aan proceskosten aan belanghebbende.





Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1597, r.o. 2.4.


Artikel 7:4, derde lid, van de Awb.