Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8466
2026-08-26
Civiel recht
C/02/446014 / HA ZA 26-154 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugbetaling van geld; aansprakelijkheid voor door hulppersoon veroorzaakte schade; aansprakelijkheid voor fouten bij werkzaamheden als juridisch advisieur; deel gevorderde schadevergoeding toegewezen; verwijzing naar schadestaatprocedure voor andere schade; vordering tot betaling van voorschot op vergoeding van andere schade afgewezen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1988:AC1556 Hoge Raad 10-08-1988
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (36.978 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446014 / HA ZA 26-154
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [eenmanszaak],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.M. van Gool,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] , België,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] , België,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. W. Boeters (onttrokken).
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft geld betaald aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het merendeel van het geld moeten terugbetalen. [gedaagde 1] heeft daarnaast juridische bijstand aan [eiser] verleend. Tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden is schade ontstaan aan de bestelbus van [eiser] . [gedaagde 1] moet deze schade vergoeden. Daarnaast moet [gedaagde 1] aan [eiser] een bedrag betalen, omdat [eiser] [gedaagde 1] heeft betaald voor werkzaamheden die hij niet (deugdelijk) heeft uitgevoerd. Tot slot verklaart de rechtbank voor recht dat [gedaagde 1] fouten heeft gemaakt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als juridisch adviseur en voor de schade aansprakelijk is. [gedaagde 1] moet de schade van [eiser] vergoeden. Hoe hoog die schade is moet vastgesteld worden in een aparte procedure. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding af. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 8 april 2026 en de daarin genoemde stukken,
– de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] heeft een klein aannemingsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Hij installeert in opdracht van particulieren badkamers.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echtgenoten en voeren een gezamenlijke huishouding.
3.3.
[gedaagde 1] voert een praktijk voor juridische dienstverlening onder de namen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
3.4.
[eiser] heeft [gedaagde 1] in augustus 2023 verzocht om aan hem juridische bijstand te verlenen bij een aantal geschillen. Daarop heeft [gedaagde 1] op 9 augustus 2023 een opdrachtbevestiging aan [eiser] toegestuurd.
3.5.
[eiser] en [gedaagde 1] hebben veelvuldig met elkaar contact gehad. Daarbij is de zakelijke relatie uitgegroeid tot een vriendschappelijke relatie. In de periode van 2 oktober 2023 tot en met 1 september 2024 heeft [gedaagde 1] regelmatig betaalverzoekjes aan [eiser] toegestuurd wanneer hij financieel krap zat. Deze betaalverzoekjes hadden als omschrijvingen onder andere “borg”, “voorschot”, “bijdrage” en “lening”. [eiser] heeft aan die verzoekjes voldaan. De bedragen zijn gestort op de bankrekening van [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit geld niet terugbetaald aan [eiser] .
3.6.
Op 27 oktober 2023 heeft er een deskundigenonderzoek plaatsgevonden in Venray bij een voormalige opdrachtgever van [eiser] . [eiser] , die daarvoor was uitgenodigd, heeft [gedaagde 1] verzocht om namens hem aanwezig te zijn bij dit deskundigenonderzoek. Omdat [gedaagde 1] verhinderd was, zou de vader van [gedaagde 1] , [persoon 1] , naar Venray gaan om dit deskundigenonderzoek bij te wonen. [eiser] heeft hiervoor zijn bestelbus uitgeleend. Onderweg heeft [persoon 1] problemen gekregen met de bestelbus en de bus achtergelaten. De bestelbus is gerepareerd door Hedin Automotive, die daarvoor een factuur aan [eenmanszaak] heeft gestuurd voor een bedrag van € 3.745,55 incl. btw.
3.7.
[eiser] is met verschillende opdrachtgevers in juridische procedures verwikkeld geraakt. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde 1] hem daarin bijgestaan. [gedaagde 1] heeft daarvoor een bedrag van € 1.500,00 aan [eiser] in rekening gebracht voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] en een bedrag van € 3.000,00 als voorschot voor de procedure tegen de dames [personen 1]. [eiser] heeft het bedrag van € 1.500,00 op 8 maart 2024 voldaan. Van het bedrag van € 3.000,00 heeft hij op 25 maart 2024 een bedrag van € 1.500,00 voldaan.
3.8.
Bij brief van 5 december 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd om ten titel van voorschot een bedrag te betalen van € 25.000,00 wegens schade, onverschuldigde betaling c.q. terugbetaling van verstrekte leningen.
3.9.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet aan deze sommatie voldaan.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat –:
1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 19.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
2. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 6.745,56, te vermeerderen met de wettelijke rente;
3. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor de tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomsten van opdracht voor juridische dienstverlening en dat [gedaagde 1] gehouden is om de schade te vergoeden die [eiser] daardoor heeft geleden, lijdt en zal lijden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;
4. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 10.000,00 als voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering onder 1. ten grondslag dat hij in de periode van 17 september 2023 tot en met 3 september 2024 een bedrag van in totaal € 19.675,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft betaald. Hij vordert dit bedrag terug op grond van onverschuldigde betaling, dan wel op grond van nakoming van de geldleningsovereenkomsten. Onder 2. vordert [eiser] een bedrag aan schadevergoeding van € 3.745,56 vanwege de schade veroorzaakt aan zijn bestelbus. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de door zijn vader veroorzaakte schade, omdat [gedaagde 1] bij de uitvoering van de aan hem verleende opdracht tot juridische dienstverlening zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld. Daarnaast vordert [eiser] onder 2. het bedrag van € 3.000,00 terug dat hij aan honorarium aan [gedaagde 1] heeft betaald in de zaak van mevrouw [persoon 2] en de dames [personen 1], op grond van de stelling [gedaagde 1] daarvoor geen juridische diensten heeft verleend. Tot slot stelt [eiser] dat hij schade heeft geleden als gevolg van de door [gedaagde 1] gemaakte beroepsfouten. Onder 3. vordert hij daarom een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is en een schadevergoeding op te maken bij staat en onder 4. een voorschot op deze schadevergoeding van € 10.000,00.
4.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren de veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren als verweer aan dat [eiser] [gedaagde 2] ten onrechte heeft gedagvaard, omdat zij niet betrokken is geweest bij de gestelde afspraken en betalingen. Voor wat betreft de gestelde betalingen voeren zij als verweer aan dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij zich niet hebben verbonden tot terugbetaling van een specifiek bedrag. Met betrekking tot de bestelbus betwist [gedaagde 1] dat zijn vader de schade heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de juridische dienstverlening betwist [gedaagde 1] de gestelde betalingen, dat hem kan worden verweten een beroepsfout te hebben gemaakt, dat er (tijdig) is geklaagd en dat er een causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging en de gestelde schade. Voor zover [eiser] al een vordering zou hebben, beroepen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op verjaring als bedoeld in de artikelen 3:307 en 3:310 BW.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De vordering tot betaling van € 19.675,00
5.1.
[eiser] stelt dat hij een bedrag van in totaal € 19.675,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft betaald. Op drie contante betalingen na, zijn alle betalingen verricht per bank. De betalingen zijn steeds verricht op verzoek van [gedaagde 1] . De girale betalingen zijn verricht op de bankrekening van [gedaagde 2] . Ter onderbouwing van deze girale betalingen verwijst [eiser] naar de als producties 7 tot en met 35 bij dagvaarding overgelegde WhatsApp-berichten en betalingsbewijzen.
5.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet betwist dat zij een bedrag van € 8.925,00 aan girale betalingen hebben ontvangen. Evenmin hebben zij betwist dat deze bedragen op verzoek van [gedaagde 1] zijn overgemaakt. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat [gedaagde 1] om deze betalingen heeft verzocht, omdat hij financieel krap zat. [eiser] heeft op zitting verklaard dat hij het geld heeft geleend. Deze verklaring sluit aan bij de betalingsverzoeken van [gedaagde 1] met de omschrijving “lening”. Daarnaast heeft [eiser] verklaard dat het de bedoeling was dat deze bedragen zouden worden verrekend met de kosten die hij zou moeten betalen aan [gedaagde 1] voor de juridische dienstverlening. [gedaagde 1] heeft dit op zitting bevestigd. Op zitting is komen vast te staan dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat de vordering tot terugbetaling van een bedrag van € 8.925,00 jegens [gedaagde 1] kan worden toegewezen.
5.3.
Hoewel [gedaagde 1] om de betalingen heeft verzocht, zijn de bedragen betaald op de bankrekening van [gedaagde 2] . Tijdens zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat hij de bankrekening van [gedaagde 2] heeft gebruikt om de betalingen te ontvangen, omdat hij alleen over een Belgische bankrekening beschikt. Hieruit volgt dat het geld bestemd was voor [gedaagde 1] en niet voor [gedaagde 2] . Dat betekent dat het bedrag zonder rechtsgrond, en daarmee onverschuldigd, aan [gedaagde 2] is betaald. [gedaagde 2] is dan ook gehouden het bedrag aan [eiser] terug te betalen.
5.4.
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 8.925,00.
5.5.
[eiser] stelt voorts dat hij op 17 september 2023 een bedrag van € 4.500,00, op 16 juli 2024 een bedrag van € 500,00 en op 3 september 2024 een bedrag van € 5.750,00 (in totaal € 10.750,00) aan contante betalingen heeft verricht.
5.6.
Ter onderbouwing van de contante betaling van € 4.500,00 verwijst [eiser] naar een WhatsApp-bericht van [gedaagde 1] , waarin hij vraagt of er ergens € 4.500,00 te lenen is. Op zitting heeft [gedaagde 1] erkend dat hij van [eiser] een bedrag van € 2.450,00 heeft ontvangen en dat hij dit bedrag moet terugbetalen. Het meerdere wordt door hem betwist. [eiser] heeft vervolgens niet kunnen onderbouwen dat hij het volledige bedrag van
€ 4.500,00 contant aan [gedaagde 1] heeft betaald. Dat betekent dat slechts een bedrag van
€ 2.450,00 toewijsbaar is.
5.7.
Ter onderbouwing van de contante betaling van € 500,00 verwijst [eiser] naar een WhatsApp-gesprek tussen hem en [gedaagde 1] . In het WhatsAppgesprek is een foto te zien van de hand van [eiser] met vijf biljetten van € 100,00. [gedaagde 1] heeft daarop gereageerd met een emoticon met twee gevouwen handjes en de tekst dat hij rond 11 uur in Breda/ [plaats 1] is en of het dan uitkomt. Op zitting heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde 1] het geld bij hem heeft opgehaald. [gedaagde 1] heeft dit op zitting betwist, maar heeft zijn betwisting op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde 1] lag om uitleg te geven over de foto in het WhatsApp-gesprek en zijn reactie daarop, omdat die berichten erop duiden dat hij het geld heeft opgehaald bij [eiser] . Nu hij dat heeft nagelaten, staat als onvoldoende weersproken vast dat hij het geld heeft ontvangen. Daarmee is het bedrag van € 500,00 toewijsbaar.
5.8.
Dit geldt ook voor het bedrag van € 5.750,00. Ter onderbouwing van deze contante betaling verwijst [eiser] naar een e-mailbericht van [gedaagde 1] van 3 september 2024, waarin [gedaagde 1] bevestigt een bedrag van € 5.750,00 als lening te hebben ontvangen. Ter zitting heeft [gedaagde 1] de ontvangst van dit bedrag betwist en aangevoerd dat hij het emailbericht onder druk van [eiser] en een handlanger heeft gestuurd. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. [gedaagde 1] heeft deze betwisting namelijk onderbouwd met de stelling dat hij daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie. Tijdens zitting heeft hij een aangifte tegen [eiser] laten zien, gedateerd 9 december 2024. Deze aangifte heeft echter geen betrekking op de geschreven e-mail. Een andere onderbouwing voor de gestelde druk waaronder hij de e-mail geschreven heeft is niet gegeven. Dat betekent dat ook het bedrag van € 5.750,00 toewijsbaar is.
5.9.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat ook de contante betalingen moeten worden beschouwd als een geldlening. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover is overwogen onder 5.2. en naar hetgeen hierover in het hiervoor genoemde WhatsApp-bericht staat. Dat betekent dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de contant betaalde bedragen. Uit de onderbouwing van deze bedragen volgt dat deze zijn betaald op verzoek van [gedaagde 1] . Dit brengt mee dat de vordering tegen [gedaagde 2] zal worden afgewezen, nu onvoldoende is onderbouwd dat ook [gedaagde 2] bij deze contante betalingen is betrokken.
5.10.
De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op verjaring, nu gesteld noch gebleken is dat de in de artikelen 3:307 en 3:310 BW genoemde verjaringstermijnen zijn verstreken.
5.11.
Op basis van het bovenstaande is de conclusie dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de bankbetalingen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.925,00 en dat [gedaagde 1] voor het contant geld wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van (€ 2.450,00 + € 500,00 + € 5.750,00 =) € 8.700,00.
De vordering tot betaling van € 6.745,56
5.12.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 6.745,56, bestaande uit een bedrag van € 3.745,56 voor de herstelkosten van zijn bestelbus en een bedrag van € 3.000,00 voor ten onrechte aan [gedaagde 1] betaalde kosten voor de juridische dienstverlening.
5.13.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat [eiser] [gedaagde 1] opdracht heeft gegeven om hem als juridisch adviseur bij te staan en dat [gedaagde 1] daarbij ook wel eens zijn vader inschakelde. In verband met die juridische dienstverlening hebben [eiser] en [gedaagde 1] op 27 oktober 2023 afgesproken dat de vader van [gedaagde 1] een deskundigenonderzoek zou bijwonen in Venray. Omdat de vader van [gedaagde 1] niet over vervoer beschikte, heeft [eiser] zijn bestelbus uitgeleend. Op grond van de door [eiser] in het geding gebrachte WhatsApp-berichten staat vast dat de vader van [gedaagde 1] onderweg problemen heeft gekregen met de bestelbus.
5.14.
Ter onderbouwing van de door hem gestelde schade aan de bestelbus verwijst [eiser] naar de factuur van Hedin Automotive, waaruit blijkt dat het brandstofsysteem van de bestelbus is beschadigd doordat er diesel in de AdBlue inlaat is getankt. [gedaagde 1] heeft de door Hedin Automotive vastgestelde schade niet weersproken. Hij betwist wel dat deze schade door zijn vader is veroorzaakt.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de WhatsApp-berichten, bezien in samenhang met de door Hedin Automotive vastgestelde oorzaak van de schade, [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de schade is veroorzaakt door zijn vader. De vraag is vervolgens of [gedaagde 1] daarvoor aansprakelijk is. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat [gedaagde 1] zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld.
5.16.
In artikel 6:76 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iemand voor de gedragingen van zijn hulppersoon net als voor zijn eigen gedragingen aansprakelijk is, als hij bij de uitvoering van een overeenkomst van de hulp van die persoon gebruik maakt. [gedaagde 1] heeft niet betwist dat hij zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld voor het bijwonen van het deskundigenonderzoek in het kader van de juridische dienstverlening. Dat betekent dat hij aansprakelijk voor de schade.
5.17.
[eiser] stelt dat zijn schade bestaat uit de reparatiekosten van de bestelbus van € 3.745,56. [eiser] onderbouwt dit standpunt met een factuur van Hedin Automotive en een bankafschrift. [gedaagde 1] betwist dat [eiser] schade heeft geleden, omdat de bestelbus niet van [eiser] is maar geleased wordt door zijn boekhouder. Dit verweer slaagt niet. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij alle onderhoudskosten voor de bestelbus moet betalen. Dat hij dat ook in dit geval daadwerkelijk heeft gedaan, wordt ondersteund door de factuur en het bankafschrift die op zijn naam staan. Dat betekent dat de vordering van € 3.745,56 zal worden toegewezen.
5.18.
[eiser] heeft een bedrag van € 3.000,00 betaald aan [gedaagde 1] voor juridische dienstverlening. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] en een bedrag van € 1.500,00 voor de procedure tegen de dames [personen 1].
5.19.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem zou bijstaan in de procedure tegen mevrouw [persoon 2], maar dat hij geen (deugdelijk) verweer heeft gevoerd. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [eiser] naar het vonnis van de kantonrechter van 31 juli 2024. [gedaagde 1] voert als verweer aan dat hij wel degelijk een verweer heeft ingediend, maar onderbouwt dat op geen enkele wijze. Bovendien strookt dit niet met de overweging van de kantonrechter in het vonnis van 31 juli 2024. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam juridisch adviseur mag worden verwacht dat hij in een procedure deugdelijk verweer voert. Dat heeft hij niet gedaan. [gedaagde 1] heeft erop gewezen dat deze maatstaf niet voor hem geldt, omdat hij geen beroepsmatig rechtsbijstandsverlener is. Dit verweer wordt verworpen. Op de zitting heeft [gedaagde 1] bevestigd dat hij heeft opgetreden als juridisch adviseur. Uit de opdrachtbevestiging van 9 augustus 2023 blijkt bovendien dat [gedaagde 1] deze maatstaf zelf ook hanteert. In de opdrachtbevestiging staat namelijk dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk kan worden gesteld, tenzij er uitdrukkelijke en aantoonbare beroepsfouten zijn gemaakt die niet zouden zijn gemaakt door een redelijk bekwaam en redelijk handelend jurist. Het niet (tijdig) indienen van een conclusie van antwoord levert dus een tekortkoming van [gedaagde 1] op. [gedaagde 1] is aansprakelijk voor de schade die [eiser] door die tekortkoming heeft geleden. Volgens [eiser] bestaat zijn schade uit het honorarium van € 1.500,00 dat hij aan [gedaagde 1] heeft betaald. Ter onderbouwing van deze schade verwijst [eiser] naar een betalingsverzoek van [gedaagde 1] van 7 maart 2024 en een betalingsbewijs van 8 maart 2024. [gedaagde 1] heeft niet gemotiveerd weersproken dat [eiser] € 1.500,00 voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] heeft betaald. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
5.20.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem ook zou bijstaan in de procedure tegen de dames [personen 1], maar dat hij behalve het voeren van één telefoongesprek geen werkzaamheden heeft uitgevoerd in dit dossier. [gedaagde 1] betwist dit. Op zitting heeft hij als verweer aangevoerd dat hij meerdere gesprekken met de dames [personen 1] heeft gehad op het makelaarskantoor RE/MAX. [eiser] erkent dat [gedaagde 1] deze gesprekken heeft gevoerd, maar stelt dat dit alleen sociale gesprekken waren waarmee hij niets is opgeschoten. Hij heeft dit echter niet nader geconcretiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de vordering tot terugbetaling van
€ 1.500,00 zal worden afgewezen.
De verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure
5.21.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht voor juridische dienstverlening en aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Deze vordering ziet, zo begrijpt rechtbank, op de werkzaamheden van [gedaagde 1] in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4], de dames [personen 1] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6].
5.22.
Als uitgangspunt geldt dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur mag worden verwacht dat hij zijn cliënt inlicht over de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat in een rechtbankprocedure, dat hij tijdig verweer voert bij de kantonrechter en dat hij namens zijn cliënt een deskundigenonderzoek bijwoont. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. Als onvoldoende weersproken staat vast dat [gedaagde 1] [eiser] er in de procedure tegen de familie [personen 2] niet op heeft gewezen dat hij geen verweer kon voeren, omdat hij geen advocaat is. [gedaagde 1] heeft [eiser] ook niet tijdig geadviseerd om een advocaat in te schakelen om het verweer in te dienen. Hierdoor heeft [eiser] in deze procedure geen verweer gevoerd en heeft de rechtbank een verstekvonnis gewezen. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 5.19 heeft overwogen, heeft [gedaagde 1] in de procedure tegen mevrouw [persoon 2] geen verweer voor [eiser] ingediend bij de kantonrechter. Dit heeft [gedaagde 1] ook niet gedaan in de procedures tegen de heer [persoon 3] en de heer [persoon 4]. [gedaagde 1] heeft evenmin weersproken dat hij met [eiser] had afgesproken om het deskundigenonderzoek in de procedure tegen de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6] bij te wonen, maar dat niet heeft gedaan. Hierdoor heeft [gedaagde 1] in deze procedures niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur verwacht mag worden. [gedaagde 1] is daardoor tegenover [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht, strekkende tot juridische dienstverlening. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.
5.23.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van deze tekortkomingen schade heeft geleden, omdat hij extra kosten heeft moeten maken, waaronder advocaatkosten. [eiser] stelt dat hij deze kosten heeft moeten maken voor het voeren van een verzetprocedure, het instellen van hoger beroep, het afwenden van executiemaatregelen en het maken van schikkingsafspraken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiser] vonnissen, betekeningsexploten, een appeldagvaarding, facturen van zijn advocaat en stukken met schikkingsafspraken overgelegd. [gedaagde 1] heeft de gestelde schade onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde 1] . Een nadere specificatie van de gestelde schadeposten is, anders dan [gedaagde 1] kennelijk meent, niet vereist. De gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat zal dan ook worden toegewezen.
5.24.
Voor zover [gedaagde 1] een beroep doet op schending van de klachtplicht, verwerpt de rechtbank dit beroep. [gedaagde 1] heeft onvoldoende gesteld waarover [eiser] had moeten klagen en wanneer hij dat had moeten doen. Naar de rechtbank begrijpt heeft [eiser] in genoemde procedures pas ontdekt dat [gedaagde 1] zijn werkzaamheden niet (deugdelijk) had verricht, nadat de gestelde beroepsfouten waren gemaakt. Herstel was op dat moment niet meer mogelijk. Gelet op de aard van de gemaakte beroepsfout is er eerder sprake van een geval waarin er in het geheel geen prestatie is verricht, dan van een geval dat er een gebrekkige prestatie is verricht. De in artikel 6:89 BW opgenomen klachtplicht is in dat geval niet van toepassing.
5.25.
De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde 1] op verjaring, nu gesteld noch gebleken is dat de in de artikelen 3:307 en 3:310 BW genoemde verjaringstermijnen zijn verstreken.
Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding
5.26.
[eiser] vordert een voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,00. De rechtbank kan een vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding toewijzen, als de schade tot de hoogte van het voorschot voldoende vast staat of in ieder geval op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat is niet het geval. [eiser] heeft de hoogte van het voorschot namelijk onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft alleen de advocaatkosten in de procedures tegen mevrouw [persoon 2] en de heer [persoon 3] geconcretiseerd aan de hand van facturen. Die kosten samen komen echter niet in de buurt van het gevorderde voorschot. Bovendien komen niet alle kosten voor vergoeding in aanmerking. [eiser] had ook zonder de juridische bijstand van [gedaagde 1] voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] kosten moeten maken voor het inschakelen van een advocaat, zodat de advocaatkosten niet volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de andere procedures heeft [eiser] verder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat [eiser] kosten heeft moeten maken die hij anders niet had moeten maken. De stellingen van [eiser] bieden daardoor onvoldoende aanknopingspunten voor de rechtbank om een voorschot op de schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 5 december 2024
5.27.
[eiser] vordert betaling van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen vanaf 5 december 2024. [eiser] wijst in dat kader op de brief van zijn advocaat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van die datum. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij vanaf 5 december 2024 wettelijke rente verschuldigd zijn, omdat [eiser] geen deugdelijke ingebrekestelling heeft gestuurd en zij daardoor niet in verzuim verkeren. Dat is onjuist.
Voor de bedragen die [eiser] aan [gedaagde 1] heeft betaald heeft [gedaagde 1] erkend dat hij die had moeten terugbetalen en/of die had moeten verrekenen, maar dat niet heeft gedaan. [gedaagde 1] is daardoor van rechtswege in verzuim gekomen. Dit geldt ook voor de herstelkosten van de bestelbus en de kosten van de procedure tegen mevrouw [persoon 2]. Deze schade heeft [eiser] namelijk al geleden en [gedaagde 1] heeft deze niet direct vergoed. [gedaagde 2] is tot slot eveneens van rechtswege in verzuim met de terugbetaling van de door [eiser] aan haar betaalde bedragen. [gedaagde 2] wist na de ontvangst van de betalingen namelijk dat [eiser] het geld niet aan haar verschuldigd was, omdat zij geen afspraken met [eiser] had gemaakt. Desondanks heeft [gedaagde 2] niets terugbetaald. De wettelijke rente over de gevorderde bedragen wordt daarom toegewezen vanaf 5 december 2024.
5.28.
[eiser] heeft ook betaling van de wettelijke rente gevorderd over de schade, die nader opgemaakt moet worden bij staat. Die rente is niet toewijsbaar, omdat nog niet vaststaat wat die schade precies is. De verschuldigdheid van de wettelijke rente over die schade moet [eiser] daarom in de schadestaatprocedure vorderen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.29.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Proceskosten
5.30.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
121,02
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.356,02
5.31.
De veroordeling voor de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.925,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.245,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.4.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor de tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten van opdracht voor de juridische dienstverlening in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6] en gehouden is de als gevolg daarvan geleden en te lijden schade van [eiser] te vergoeden,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten van opdracht voor de juridische dienstverlening in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6], welke schade nader opgemaakt moet worden bij staat,
6.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.356,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.1, 6.2, 6.3, 6.5 en 6.6 uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
Productie 1 dagvaarding.
Producties 7 tot en met 35 dagvaarding.
Producties 40 en 41 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 58 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Productie 59 dagvaarding.
Productie 38 dagvaarding.
Productie 25-31, 32-35 dagvaarding.
Producties 6, 36 en 37 dagvaarding.
Productie 6 dagvaarding.
Productie 36 dagvaarding.
Productie 37 dagvaarding.
Productie 6 dagvaarding.
Producties 40 en 41 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Producties 58 en 59 dagvaarding.
Productie 46 dagvaarding, rechtsoverweging 3.7 en 3.9 van het vonnis.
Productie 1 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Productie 44 dagvaarding.
Productie 46 dagvaarding.
Productie 53-54 en 60-61 dagvaarding.
Productie 63 en 64 dagvaarding.
Productie 44, 45, 47-49, 55-57, 51-57, 60-63 dagvaarding.
Hoge Raad 10 augustus 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1556.
Productie 49 en 55 dagvaarding.
Artikel 6:83 sub b BW.
Artikel 6:205 BW.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446014 / HA ZA 26-154
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [eenmanszaak],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.M. van Gool,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] , België,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] , België,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. W. Boeters (onttrokken).
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft geld betaald aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het merendeel van het geld moeten terugbetalen. [gedaagde 1] heeft daarnaast juridische bijstand aan [eiser] verleend. Tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden is schade ontstaan aan de bestelbus van [eiser] . [gedaagde 1] moet deze schade vergoeden. Daarnaast moet [gedaagde 1] aan [eiser] een bedrag betalen, omdat [eiser] [gedaagde 1] heeft betaald voor werkzaamheden die hij niet (deugdelijk) heeft uitgevoerd. Tot slot verklaart de rechtbank voor recht dat [gedaagde 1] fouten heeft gemaakt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als juridisch adviseur en voor de schade aansprakelijk is. [gedaagde 1] moet de schade van [eiser] vergoeden. Hoe hoog die schade is moet vastgesteld worden in een aparte procedure. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding af. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 8 april 2026 en de daarin genoemde stukken,
– de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] heeft een klein aannemingsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . Hij installeert in opdracht van particulieren badkamers.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echtgenoten en voeren een gezamenlijke huishouding.
3.3.
[gedaagde 1] voert een praktijk voor juridische dienstverlening onder de namen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] .
3.4.
[eiser] heeft [gedaagde 1] in augustus 2023 verzocht om aan hem juridische bijstand te verlenen bij een aantal geschillen. Daarop heeft [gedaagde 1] op 9 augustus 2023 een opdrachtbevestiging aan [eiser] toegestuurd.
3.5.
[eiser] en [gedaagde 1] hebben veelvuldig met elkaar contact gehad. Daarbij is de zakelijke relatie uitgegroeid tot een vriendschappelijke relatie. In de periode van 2 oktober 2023 tot en met 1 september 2024 heeft [gedaagde 1] regelmatig betaalverzoekjes aan [eiser] toegestuurd wanneer hij financieel krap zat. Deze betaalverzoekjes hadden als omschrijvingen onder andere “borg”, “voorschot”, “bijdrage” en “lening”. [eiser] heeft aan die verzoekjes voldaan. De bedragen zijn gestort op de bankrekening van [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit geld niet terugbetaald aan [eiser] .
3.6.
Op 27 oktober 2023 heeft er een deskundigenonderzoek plaatsgevonden in Venray bij een voormalige opdrachtgever van [eiser] . [eiser] , die daarvoor was uitgenodigd, heeft [gedaagde 1] verzocht om namens hem aanwezig te zijn bij dit deskundigenonderzoek. Omdat [gedaagde 1] verhinderd was, zou de vader van [gedaagde 1] , [persoon 1] , naar Venray gaan om dit deskundigenonderzoek bij te wonen. [eiser] heeft hiervoor zijn bestelbus uitgeleend. Onderweg heeft [persoon 1] problemen gekregen met de bestelbus en de bus achtergelaten. De bestelbus is gerepareerd door Hedin Automotive, die daarvoor een factuur aan [eenmanszaak] heeft gestuurd voor een bedrag van € 3.745,55 incl. btw.
3.7.
[eiser] is met verschillende opdrachtgevers in juridische procedures verwikkeld geraakt. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde 1] hem daarin bijgestaan. [gedaagde 1] heeft daarvoor een bedrag van € 1.500,00 aan [eiser] in rekening gebracht voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] en een bedrag van € 3.000,00 als voorschot voor de procedure tegen de dames [personen 1]. [eiser] heeft het bedrag van € 1.500,00 op 8 maart 2024 voldaan. Van het bedrag van € 3.000,00 heeft hij op 25 maart 2024 een bedrag van € 1.500,00 voldaan.
3.8.
Bij brief van 5 december 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd om ten titel van voorschot een bedrag te betalen van € 25.000,00 wegens schade, onverschuldigde betaling c.q. terugbetaling van verstrekte leningen.
3.9.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet aan deze sommatie voldaan.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat –:
1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 19.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
2. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 6.745,56, te vermeerderen met de wettelijke rente;
3. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor de tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomsten van opdracht voor juridische dienstverlening en dat [gedaagde 1] gehouden is om de schade te vergoeden die [eiser] daardoor heeft geleden, lijdt en zal lijden, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;
4. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 10.000,00 als voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;
5. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering onder 1. ten grondslag dat hij in de periode van 17 september 2023 tot en met 3 september 2024 een bedrag van in totaal € 19.675,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft betaald. Hij vordert dit bedrag terug op grond van onverschuldigde betaling, dan wel op grond van nakoming van de geldleningsovereenkomsten. Onder 2. vordert [eiser] een bedrag aan schadevergoeding van € 3.745,56 vanwege de schade veroorzaakt aan zijn bestelbus. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de door zijn vader veroorzaakte schade, omdat [gedaagde 1] bij de uitvoering van de aan hem verleende opdracht tot juridische dienstverlening zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld. Daarnaast vordert [eiser] onder 2. het bedrag van € 3.000,00 terug dat hij aan honorarium aan [gedaagde 1] heeft betaald in de zaak van mevrouw [persoon 2] en de dames [personen 1], op grond van de stelling [gedaagde 1] daarvoor geen juridische diensten heeft verleend. Tot slot stelt [eiser] dat hij schade heeft geleden als gevolg van de door [gedaagde 1] gemaakte beroepsfouten. Onder 3. vordert hij daarom een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is en een schadevergoeding op te maken bij staat en onder 4. een voorschot op deze schadevergoeding van € 10.000,00.
4.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren de veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren als verweer aan dat [eiser] [gedaagde 2] ten onrechte heeft gedagvaard, omdat zij niet betrokken is geweest bij de gestelde afspraken en betalingen. Voor wat betreft de gestelde betalingen voeren zij als verweer aan dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij zich niet hebben verbonden tot terugbetaling van een specifiek bedrag. Met betrekking tot de bestelbus betwist [gedaagde 1] dat zijn vader de schade heeft veroorzaakt. Ten aanzien van de juridische dienstverlening betwist [gedaagde 1] de gestelde betalingen, dat hem kan worden verweten een beroepsfout te hebben gemaakt, dat er (tijdig) is geklaagd en dat er een causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging en de gestelde schade. Voor zover [eiser] al een vordering zou hebben, beroepen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op verjaring als bedoeld in de artikelen 3:307 en 3:310 BW.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De vordering tot betaling van € 19.675,00
5.1.
[eiser] stelt dat hij een bedrag van in totaal € 19.675,00 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft betaald. Op drie contante betalingen na, zijn alle betalingen verricht per bank. De betalingen zijn steeds verricht op verzoek van [gedaagde 1] . De girale betalingen zijn verricht op de bankrekening van [gedaagde 2] . Ter onderbouwing van deze girale betalingen verwijst [eiser] naar de als producties 7 tot en met 35 bij dagvaarding overgelegde WhatsApp-berichten en betalingsbewijzen.
5.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet betwist dat zij een bedrag van € 8.925,00 aan girale betalingen hebben ontvangen. Evenmin hebben zij betwist dat deze bedragen op verzoek van [gedaagde 1] zijn overgemaakt. Uit de door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt dat [gedaagde 1] om deze betalingen heeft verzocht, omdat hij financieel krap zat. [eiser] heeft op zitting verklaard dat hij het geld heeft geleend. Deze verklaring sluit aan bij de betalingsverzoeken van [gedaagde 1] met de omschrijving “lening”. Daarnaast heeft [eiser] verklaard dat het de bedoeling was dat deze bedragen zouden worden verrekend met de kosten die hij zou moeten betalen aan [gedaagde 1] voor de juridische dienstverlening. [gedaagde 1] heeft dit op zitting bevestigd. Op zitting is komen vast te staan dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat de vordering tot terugbetaling van een bedrag van € 8.925,00 jegens [gedaagde 1] kan worden toegewezen.
5.3.
Hoewel [gedaagde 1] om de betalingen heeft verzocht, zijn de bedragen betaald op de bankrekening van [gedaagde 2] . Tijdens zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat hij de bankrekening van [gedaagde 2] heeft gebruikt om de betalingen te ontvangen, omdat hij alleen over een Belgische bankrekening beschikt. Hieruit volgt dat het geld bestemd was voor [gedaagde 1] en niet voor [gedaagde 2] . Dat betekent dat het bedrag zonder rechtsgrond, en daarmee onverschuldigd, aan [gedaagde 2] is betaald. [gedaagde 2] is dan ook gehouden het bedrag aan [eiser] terug te betalen.
5.4.
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 8.925,00.
5.5.
[eiser] stelt voorts dat hij op 17 september 2023 een bedrag van € 4.500,00, op 16 juli 2024 een bedrag van € 500,00 en op 3 september 2024 een bedrag van € 5.750,00 (in totaal € 10.750,00) aan contante betalingen heeft verricht.
5.6.
Ter onderbouwing van de contante betaling van € 4.500,00 verwijst [eiser] naar een WhatsApp-bericht van [gedaagde 1] , waarin hij vraagt of er ergens € 4.500,00 te lenen is. Op zitting heeft [gedaagde 1] erkend dat hij van [eiser] een bedrag van € 2.450,00 heeft ontvangen en dat hij dit bedrag moet terugbetalen. Het meerdere wordt door hem betwist. [eiser] heeft vervolgens niet kunnen onderbouwen dat hij het volledige bedrag van
€ 4.500,00 contant aan [gedaagde 1] heeft betaald. Dat betekent dat slechts een bedrag van
€ 2.450,00 toewijsbaar is.
5.7.
Ter onderbouwing van de contante betaling van € 500,00 verwijst [eiser] naar een WhatsApp-gesprek tussen hem en [gedaagde 1] . In het WhatsAppgesprek is een foto te zien van de hand van [eiser] met vijf biljetten van € 100,00. [gedaagde 1] heeft daarop gereageerd met een emoticon met twee gevouwen handjes en de tekst dat hij rond 11 uur in Breda/ [plaats 1] is en of het dan uitkomt. Op zitting heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde 1] het geld bij hem heeft opgehaald. [gedaagde 1] heeft dit op zitting betwist, maar heeft zijn betwisting op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde 1] lag om uitleg te geven over de foto in het WhatsApp-gesprek en zijn reactie daarop, omdat die berichten erop duiden dat hij het geld heeft opgehaald bij [eiser] . Nu hij dat heeft nagelaten, staat als onvoldoende weersproken vast dat hij het geld heeft ontvangen. Daarmee is het bedrag van € 500,00 toewijsbaar.
5.8.
Dit geldt ook voor het bedrag van € 5.750,00. Ter onderbouwing van deze contante betaling verwijst [eiser] naar een e-mailbericht van [gedaagde 1] van 3 september 2024, waarin [gedaagde 1] bevestigt een bedrag van € 5.750,00 als lening te hebben ontvangen. Ter zitting heeft [gedaagde 1] de ontvangst van dit bedrag betwist en aangevoerd dat hij het emailbericht onder druk van [eiser] en een handlanger heeft gestuurd. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. [gedaagde 1] heeft deze betwisting namelijk onderbouwd met de stelling dat hij daarvan aangifte heeft gedaan bij de politie. Tijdens zitting heeft hij een aangifte tegen [eiser] laten zien, gedateerd 9 december 2024. Deze aangifte heeft echter geen betrekking op de geschreven e-mail. Een andere onderbouwing voor de gestelde druk waaronder hij de e-mail geschreven heeft is niet gegeven. Dat betekent dat ook het bedrag van € 5.750,00 toewijsbaar is.
5.9.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat ook de contante betalingen moeten worden beschouwd als een geldlening. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover is overwogen onder 5.2. en naar hetgeen hierover in het hiervoor genoemde WhatsApp-bericht staat. Dat betekent dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de contant betaalde bedragen. Uit de onderbouwing van deze bedragen volgt dat deze zijn betaald op verzoek van [gedaagde 1] . Dit brengt mee dat de vordering tegen [gedaagde 2] zal worden afgewezen, nu onvoldoende is onderbouwd dat ook [gedaagde 2] bij deze contante betalingen is betrokken.
5.10.
De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op verjaring, nu gesteld noch gebleken is dat de in de artikelen 3:307 en 3:310 BW genoemde verjaringstermijnen zijn verstreken.
5.11.
Op basis van het bovenstaande is de conclusie dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de bankbetalingen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.925,00 en dat [gedaagde 1] voor het contant geld wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van (€ 2.450,00 + € 500,00 + € 5.750,00 =) € 8.700,00.
De vordering tot betaling van € 6.745,56
5.12.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 6.745,56, bestaande uit een bedrag van € 3.745,56 voor de herstelkosten van zijn bestelbus en een bedrag van € 3.000,00 voor ten onrechte aan [gedaagde 1] betaalde kosten voor de juridische dienstverlening.
5.13.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat [eiser] [gedaagde 1] opdracht heeft gegeven om hem als juridisch adviseur bij te staan en dat [gedaagde 1] daarbij ook wel eens zijn vader inschakelde. In verband met die juridische dienstverlening hebben [eiser] en [gedaagde 1] op 27 oktober 2023 afgesproken dat de vader van [gedaagde 1] een deskundigenonderzoek zou bijwonen in Venray. Omdat de vader van [gedaagde 1] niet over vervoer beschikte, heeft [eiser] zijn bestelbus uitgeleend. Op grond van de door [eiser] in het geding gebrachte WhatsApp-berichten staat vast dat de vader van [gedaagde 1] onderweg problemen heeft gekregen met de bestelbus.
5.14.
Ter onderbouwing van de door hem gestelde schade aan de bestelbus verwijst [eiser] naar de factuur van Hedin Automotive, waaruit blijkt dat het brandstofsysteem van de bestelbus is beschadigd doordat er diesel in de AdBlue inlaat is getankt. [gedaagde 1] heeft de door Hedin Automotive vastgestelde schade niet weersproken. Hij betwist wel dat deze schade door zijn vader is veroorzaakt.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de WhatsApp-berichten, bezien in samenhang met de door Hedin Automotive vastgestelde oorzaak van de schade, [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de schade is veroorzaakt door zijn vader. De vraag is vervolgens of [gedaagde 1] daarvoor aansprakelijk is. Volgens [eiser] is dat het geval, omdat [gedaagde 1] zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld.
5.16.
In artikel 6:76 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iemand voor de gedragingen van zijn hulppersoon net als voor zijn eigen gedragingen aansprakelijk is, als hij bij de uitvoering van een overeenkomst van de hulp van die persoon gebruik maakt. [gedaagde 1] heeft niet betwist dat hij zijn vader als hulppersoon heeft ingeschakeld voor het bijwonen van het deskundigenonderzoek in het kader van de juridische dienstverlening. Dat betekent dat hij aansprakelijk voor de schade.
5.17.
[eiser] stelt dat zijn schade bestaat uit de reparatiekosten van de bestelbus van € 3.745,56. [eiser] onderbouwt dit standpunt met een factuur van Hedin Automotive en een bankafschrift. [gedaagde 1] betwist dat [eiser] schade heeft geleden, omdat de bestelbus niet van [eiser] is maar geleased wordt door zijn boekhouder. Dit verweer slaagt niet. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij alle onderhoudskosten voor de bestelbus moet betalen. Dat hij dat ook in dit geval daadwerkelijk heeft gedaan, wordt ondersteund door de factuur en het bankafschrift die op zijn naam staan. Dat betekent dat de vordering van € 3.745,56 zal worden toegewezen.
5.18.
[eiser] heeft een bedrag van € 3.000,00 betaald aan [gedaagde 1] voor juridische dienstverlening. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.500,00 voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] en een bedrag van € 1.500,00 voor de procedure tegen de dames [personen 1].
5.19.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem zou bijstaan in de procedure tegen mevrouw [persoon 2], maar dat hij geen (deugdelijk) verweer heeft gevoerd. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [eiser] naar het vonnis van de kantonrechter van 31 juli 2024. [gedaagde 1] voert als verweer aan dat hij wel degelijk een verweer heeft ingediend, maar onderbouwt dat op geen enkele wijze. Bovendien strookt dit niet met de overweging van de kantonrechter in het vonnis van 31 juli 2024. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam juridisch adviseur mag worden verwacht dat hij in een procedure deugdelijk verweer voert. Dat heeft hij niet gedaan. [gedaagde 1] heeft erop gewezen dat deze maatstaf niet voor hem geldt, omdat hij geen beroepsmatig rechtsbijstandsverlener is. Dit verweer wordt verworpen. Op de zitting heeft [gedaagde 1] bevestigd dat hij heeft opgetreden als juridisch adviseur. Uit de opdrachtbevestiging van 9 augustus 2023 blijkt bovendien dat [gedaagde 1] deze maatstaf zelf ook hanteert. In de opdrachtbevestiging staat namelijk dat [gedaagde 1] niet aansprakelijk kan worden gesteld, tenzij er uitdrukkelijke en aantoonbare beroepsfouten zijn gemaakt die niet zouden zijn gemaakt door een redelijk bekwaam en redelijk handelend jurist. Het niet (tijdig) indienen van een conclusie van antwoord levert dus een tekortkoming van [gedaagde 1] op. [gedaagde 1] is aansprakelijk voor de schade die [eiser] door die tekortkoming heeft geleden. Volgens [eiser] bestaat zijn schade uit het honorarium van € 1.500,00 dat hij aan [gedaagde 1] heeft betaald. Ter onderbouwing van deze schade verwijst [eiser] naar een betalingsverzoek van [gedaagde 1] van 7 maart 2024 en een betalingsbewijs van 8 maart 2024. [gedaagde 1] heeft niet gemotiveerd weersproken dat [eiser] € 1.500,00 voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] heeft betaald. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
5.20.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] hem ook zou bijstaan in de procedure tegen de dames [personen 1], maar dat hij behalve het voeren van één telefoongesprek geen werkzaamheden heeft uitgevoerd in dit dossier. [gedaagde 1] betwist dit. Op zitting heeft hij als verweer aangevoerd dat hij meerdere gesprekken met de dames [personen 1] heeft gehad op het makelaarskantoor RE/MAX. [eiser] erkent dat [gedaagde 1] deze gesprekken heeft gevoerd, maar stelt dat dit alleen sociale gesprekken waren waarmee hij niets is opgeschoten. Hij heeft dit echter niet nader geconcretiseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de vordering tot terugbetaling van
€ 1.500,00 zal worden afgewezen.
De verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure
5.21.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht voor juridische dienstverlening en aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Deze vordering ziet, zo begrijpt rechtbank, op de werkzaamheden van [gedaagde 1] in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4], de dames [personen 1] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6].
5.22.
Als uitgangspunt geldt dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur mag worden verwacht dat hij zijn cliënt inlicht over de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat in een rechtbankprocedure, dat hij tijdig verweer voert bij de kantonrechter en dat hij namens zijn cliënt een deskundigenonderzoek bijwoont. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. Als onvoldoende weersproken staat vast dat [gedaagde 1] [eiser] er in de procedure tegen de familie [personen 2] niet op heeft gewezen dat hij geen verweer kon voeren, omdat hij geen advocaat is. [gedaagde 1] heeft [eiser] ook niet tijdig geadviseerd om een advocaat in te schakelen om het verweer in te dienen. Hierdoor heeft [eiser] in deze procedure geen verweer gevoerd en heeft de rechtbank een verstekvonnis gewezen. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 5.19 heeft overwogen, heeft [gedaagde 1] in de procedure tegen mevrouw [persoon 2] geen verweer voor [eiser] ingediend bij de kantonrechter. Dit heeft [gedaagde 1] ook niet gedaan in de procedures tegen de heer [persoon 3] en de heer [persoon 4]. [gedaagde 1] heeft evenmin weersproken dat hij met [eiser] had afgesproken om het deskundigenonderzoek in de procedure tegen de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6] bij te wonen, maar dat niet heeft gedaan. Hierdoor heeft [gedaagde 1] in deze procedures niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch adviseur verwacht mag worden. [gedaagde 1] is daardoor tegenover [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht, strekkende tot juridische dienstverlening. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.
5.23.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van deze tekortkomingen schade heeft geleden, omdat hij extra kosten heeft moeten maken, waaronder advocaatkosten. [eiser] stelt dat hij deze kosten heeft moeten maken voor het voeren van een verzetprocedure, het instellen van hoger beroep, het afwenden van executiemaatregelen en het maken van schikkingsafspraken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiser] vonnissen, betekeningsexploten, een appeldagvaarding, facturen van zijn advocaat en stukken met schikkingsafspraken overgelegd. [gedaagde 1] heeft de gestelde schade onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde 1] . Een nadere specificatie van de gestelde schadeposten is, anders dan [gedaagde 1] kennelijk meent, niet vereist. De gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat zal dan ook worden toegewezen.
5.24.
Voor zover [gedaagde 1] een beroep doet op schending van de klachtplicht, verwerpt de rechtbank dit beroep. [gedaagde 1] heeft onvoldoende gesteld waarover [eiser] had moeten klagen en wanneer hij dat had moeten doen. Naar de rechtbank begrijpt heeft [eiser] in genoemde procedures pas ontdekt dat [gedaagde 1] zijn werkzaamheden niet (deugdelijk) had verricht, nadat de gestelde beroepsfouten waren gemaakt. Herstel was op dat moment niet meer mogelijk. Gelet op de aard van de gemaakte beroepsfout is er eerder sprake van een geval waarin er in het geheel geen prestatie is verricht, dan van een geval dat er een gebrekkige prestatie is verricht. De in artikel 6:89 BW opgenomen klachtplicht is in dat geval niet van toepassing.
5.25.
De rechtbank verwerpt het beroep van [gedaagde 1] op verjaring, nu gesteld noch gebleken is dat de in de artikelen 3:307 en 3:310 BW genoemde verjaringstermijnen zijn verstreken.
Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding
5.26.
[eiser] vordert een voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,00. De rechtbank kan een vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding toewijzen, als de schade tot de hoogte van het voorschot voldoende vast staat of in ieder geval op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Dat is niet het geval. [eiser] heeft de hoogte van het voorschot namelijk onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft alleen de advocaatkosten in de procedures tegen mevrouw [persoon 2] en de heer [persoon 3] geconcretiseerd aan de hand van facturen. Die kosten samen komen echter niet in de buurt van het gevorderde voorschot. Bovendien komen niet alle kosten voor vergoeding in aanmerking. [eiser] had ook zonder de juridische bijstand van [gedaagde 1] voor de procedure tegen mevrouw [persoon 2] kosten moeten maken voor het inschakelen van een advocaat, zodat de advocaatkosten niet volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de andere procedures heeft [eiser] verder onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat [eiser] kosten heeft moeten maken die hij anders niet had moeten maken. De stellingen van [eiser] bieden daardoor onvoldoende aanknopingspunten voor de rechtbank om een voorschot op de schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 5 december 2024
5.27.
[eiser] vordert betaling van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen vanaf 5 december 2024. [eiser] wijst in dat kader op de brief van zijn advocaat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van die datum. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij vanaf 5 december 2024 wettelijke rente verschuldigd zijn, omdat [eiser] geen deugdelijke ingebrekestelling heeft gestuurd en zij daardoor niet in verzuim verkeren. Dat is onjuist.
Voor de bedragen die [eiser] aan [gedaagde 1] heeft betaald heeft [gedaagde 1] erkend dat hij die had moeten terugbetalen en/of die had moeten verrekenen, maar dat niet heeft gedaan. [gedaagde 1] is daardoor van rechtswege in verzuim gekomen. Dit geldt ook voor de herstelkosten van de bestelbus en de kosten van de procedure tegen mevrouw [persoon 2]. Deze schade heeft [eiser] namelijk al geleden en [gedaagde 1] heeft deze niet direct vergoed. [gedaagde 2] is tot slot eveneens van rechtswege in verzuim met de terugbetaling van de door [eiser] aan haar betaalde bedragen. [gedaagde 2] wist na de ontvangst van de betalingen namelijk dat [eiser] het geld niet aan haar verschuldigd was, omdat zij geen afspraken met [eiser] had gemaakt. Desondanks heeft [gedaagde 2] niets terugbetaald. De wettelijke rente over de gevorderde bedragen wordt daarom toegewezen vanaf 5 december 2024.
5.28.
[eiser] heeft ook betaling van de wettelijke rente gevorderd over de schade, die nader opgemaakt moet worden bij staat. Die rente is niet toewijsbaar, omdat nog niet vaststaat wat die schade precies is. De verschuldigdheid van de wettelijke rente over die schade moet [eiser] daarom in de schadestaatprocedure vorderen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.29.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Proceskosten
5.30.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
121,02
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.356,02
5.31.
De veroordeling voor de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.925,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.245,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.4.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor de tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten van opdracht voor de juridische dienstverlening in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6] en gehouden is de als gevolg daarvan geleden en te lijden schade van [eiser] te vergoeden,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde 1] in de nakoming van de tussen [eiser] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomsten van opdracht voor de juridische dienstverlening in de procedures tegen de familie [personen 2], mevrouw [persoon 2], de heer [persoon 3], de heer [persoon 4] en de heer [persoon 5] en mevrouw [persoon 6], welke schade nader opgemaakt moet worden bij staat,
6.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.356,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.1, 6.2, 6.3, 6.5 en 6.6 uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
Productie 1 dagvaarding.
Producties 7 tot en met 35 dagvaarding.
Producties 40 en 41 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 58 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Productie 59 dagvaarding.
Productie 38 dagvaarding.
Productie 25-31, 32-35 dagvaarding.
Producties 6, 36 en 37 dagvaarding.
Productie 6 dagvaarding.
Productie 36 dagvaarding.
Productie 37 dagvaarding.
Productie 6 dagvaarding.
Producties 40 en 41 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 42 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Producties 58 en 59 dagvaarding.
Productie 46 dagvaarding, rechtsoverweging 3.7 en 3.9 van het vonnis.
Productie 1 dagvaarding.
Productie 50 dagvaarding.
Productie 44 dagvaarding.
Productie 46 dagvaarding.
Productie 53-54 en 60-61 dagvaarding.
Productie 63 en 64 dagvaarding.
Productie 44, 45, 47-49, 55-57, 51-57, 60-63 dagvaarding.
Hoge Raad 10 augustus 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1556.
Productie 49 en 55 dagvaarding.
Artikel 6:83 sub b BW.
Artikel 6:205 BW.