Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8461
2026-09-03
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
BRE 26/4389
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening afgewezen. Vergewisplicht, medisch advies Argonaut, gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1124 Centrale Raad van Beroep 22-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.143 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4389
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.W.A. van Weert),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een passagierskaart op grond van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor passagiers. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en [gemachtigde] namens het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is een 73-jarige vrouw, bekend met medische problematiek zoals een verminderde belastbaarheid van haar linkerheup, klachten aan haar benen, Parkinson, MDL-klachten, diabetes en hartfalen. Als gevolg hiervan ervaart zij beperkingen op het gebied van haar mobiliteit.
3.1.
Het college heeft verzoekster eerder, conform een advies van Argonaut, een GPK voor passagiers toegekend voor de duur van twee jaar. Deze GPK is op 5 februari 2026 verlopen. Verzoekster heeft op 31 december 2025 een aanvraag ingediend bij het college voor een nieuwe GPK voor passagiers. Tijdens de aanvraagprocedure heeft het college aan verzoekster een tijdelijke GPK voor passagiers verstrekt.
3.2.
Vervolgens heeft het college opnieuw advies aangevraagd bij Argonaut. De arts van Argonaut is in het advies van 22 mei 2026 tot de conclusie gekomen dat verzoekster niet voldoet aan de medische criteria voor een GPK voor passagiers. Het college is daarna overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit, waartegen verzoekster bezwaar heeft ingesteld.
Standpunt van het college
4. Volgens het college is geen sprake van een situatie waarbij verzoekster voor haar vervoer van deur tot deur continue afhankelijk is van een ander persoon. Ook is verzoekster niet volledig rolstoelgebonden. Dit blijkt uit het advies van Argonaut. Dit advies voldoet aan de eisen die het college aan een zorgvuldig advies stelt. Gelet op de inhoud van het advies komt het college tot de conclusie dat verzoekster geen recht heeft op een GPK voor passagiers.
Gronden van verzoekster
5. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het college ten aanzien van het advies van Argonaut niet heeft voldaan aan haar vergewisplicht. Het advies maakt onvoldoende inzichtelijk hoe de beschikbare medische informatie is gewogen en waarom deze informatie leidt tot de conclusie dat verzoekster niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een GPK voor passagiers. Daarbij is van belang dat Argonaut in een eerder advies tot een andere conclusie kwam. Waar verzoekster eerder niet afzetbaar werd geacht, wordt zij dat nu wel geacht, terwijl uit het nieuwe advies niet blijkt welke concrete verbetering in de medische situatie deze gewijzigde beoordeling rechtvaardigt. Dit terwijl de eerdere beoordeling berustte op een chronische en progressieve aandoening. Het college mocht daarom niet zonder nadere uitleg aannemen dat de eerder vastgestelde voortdurende hulpafhankelijkheid niet langer aanwezig was. Door Argonaut niet om een nadere toelichting op dit punt te vragen, heeft het college onvoldoende invulling gegeven aan de vergewisplicht.
5.1.
Daarnaast sluit de conclusie van Argonaut onvoldoende aan bij de beschikbare medische informatie, met name ten aanzien van de loopafstand. De behandelaars beschrijven juist aanhoudende en toegenomen problematiek. Zo heeft de orthopedische chirurg op 2 juli 2026 beschreven dat staan en traplopen bijna niet gaan en dat de actieradius van verzoekster naar verwachting zeer beperkt zal blijven. Ook in het kader van een WMO-onderzoek is vastgesteld dat verzoekster een beperkte loopafstand van minder van 50 meter heeft, dat zij zich niet zelfstandig kan verplaatsen over afstanden langer dan 50 meter en dat zij bij verplaatsingen met de auto ter plaatse gebruikt maakt van een rolstoel. Gelet hierop biedt het advies van Argonaut onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de loopbeperking van verzoekster tot minder dan 100 meter niet kan worden geobjectiveerd.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat zij vanwege haar medische beperkingen bij verplaatsingen buitenshuis afhankelijk is van een rolstoel. Zij kan niet fietsen en ook geen gebruikmaken van het openbaar vervoer. Wanneer zij samen met haar echtgenoot per auto reist, moet de rolstoel worden meegenomen en op de plaats van bestemming worden gebruikt. Het afwijzen van de GPK voor passagiers heeft daarom grote gevolgen, waardoor zij belemmerd wordt om haar noodzakelijke en sociale bestemmingen te bereiken. Omdat de bezwaarprocedure wegens het vermoedelijk opnieuw aanvragen van een advies bij Argonauto lang zal duren en het college niet langer bereid is om een tijdelijke GPK voor passagiers te verstrekken, is volgens verzoekster sprake van een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.
6.1.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster kan immers afgezet worden bij de bestemming en daar in haar rolstoel wachten tot haar echtgenoot de auto heeft geparkeerd. Op deze manier kan verzoekster de voor haar noodzakelijk of wenselijke bestemmingen bereiken zonder dat zij een GPK voor passagiers nodig heeft. Het praktisch ongemak en de extra inspanning die het ontbreken van de GPK met zich meebrengt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van zwaarwegend en concreet nadeel waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarnaast ziet het college geen aanleiding om opnieuw medisch advies aan te vragen, zodat op korte termijn besloten kan worden op het bezwaar.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat verzoekster, gelet op de verstrekte tijdelijke GPK tijdens de aanvraagprocedure, pas sinds een relatief korte periode niet meer over een GPK beschikt. Hierdoor wordt zij beperkt in haar mobiliteit. Haar echtgenoot heeft ter zitting met voorbeelden toegelicht dat het bereiken van noodzakelijke bestemmingen hierdoor extra moeite en ongemak kost. Daarnaast is nog onduidelijk wanneer de beslissing op bezwaar zal worden genomen, aangezien dit afhangt van een eventuele hoorzitting en de beschikbaarheid van de bezwarencommissie. De voorzieningenrechter geeft verzoekster gelet op deze omstandigheden het voordeel van de twijfel en acht een spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
7. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
7.1.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.
Inhoud van het geschil
8. Ter zitting heeft het college bevestigd dat het loopcriterium van honderd meter, in afwijking van het advies van Argonaut, niet aan verzoekster wordt tegengeworpen. Tussen partijen staat dan ook vast dat verzoekster niet in staat is om een afstand van honderd meter aaneengesloten te voet te overbruggen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoekster voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder en of het advies van Argonaut op dit punt gevolgd kan worden.
Medische adviezen Argonaut
9. In het advies van 25 januari 2024 heeft een arts van Argonaut geconcludeerd dat verzoekster voldeed aan de criteria om in aanmerking te komen voor een GPK voor passagiers. Volgens de arts was er sprake van een loopbeperking en continue hulpafhankelijkheid. Vanwege de loopaandoening door een stoornis aan de linker heup was verzoekster niet in staat om honderd meter aaneengesloten te overbruggen. Daarnaast was er ook sprake van een continue begeleidingsnoodzaak als gevolg van een chronische en progressieve neurologische aandoening. Gelet hierop kan een onveilige situatie ontstaan als verzoekster alleen (zittend) moet wachten. Verzoekster ontving adequate behandeling voor de loopbeperking, waardoor de arts verbetering in haar belastbaarheid verwachtte.
9.1.
In het advies van 22 mei 2026 heeft een arts van Argonaut geconcludeerd dat verzoekster niet voldoet aan de vereiste criteria. Verzoekster is nog onder behandeling voor de verminderde belastbaarheid van haar linker heup. Verder is het chronisch ziektebeeld tijdelijk verslechterd door een andere aandoening die voor problemen zorgen met de opname en werking van haar medicatie. Ten tijde van het spreekuur was dit verbeterd, waardoor verder medische handelen door de neuroloog werd uitgesteld. Door deze twee problemen (heup en Parkinson) heeft verzoekster een onzekere gang en valangst als zij buiten loopt, waardoor zij zich buitenshuis in een rolstoel verplaatst. De arts heeft om die reden geen looptest afgenomen. Rolstoelafhankelijkheid is volgens de arts onvoldoende onderbouwd op basis van de medische stukken. Ook kan niet geobjectiveerd worden of een aangepaste rollator een passend loophulpmiddel is. Verder heeft verzoekster nog een cardiale aandoening ontwikkeld, die leidt tot een energetische beperking. Gelet op deze ziektebeelden is een beperking in het lopen aannemelijk, maar dat zij hierdoor minder dan 100 meter kan lopen met een loophulpmiddel is onvoldoende objectiveerbaar. Daar komt bij dat verzoekster ook niet voldoet aan de aanvullende criteria voor een GPK voor een passagier. Zo is zij niet volledig rolstoelgebonden, zij kan immers korte afstanden lopen met een rollator. Daarnaast is verzoekster niet continue afhankelijk van een derde. Dermate ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid door neurologische stoornissen kunnen op basis van de informatie uit 2023 en de informatie over het huidige functioneren niet geobjectiveerd worden. Verzoekster wordt daarom in staat geacht afgezet te worden en te wachten tot de bestuurder de auto heeft geparkeerd of opgehaald. Tot slot zijn er geen andere beperkingen naar voren gekomen, anders dan een loopbeperking, waarvoor verzoekster als passagier dicht bij de plaats van bestemming moet parkeren.
Vergewisplicht
10. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Het is vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt.
10.1.
Volgens het college is sprake van een inzichtelijk en voldoende gemotiveerd advies, waarbij de arts gebruik heeft gemaakt van de beschikbare medische informatie en zelf aanvullende informatie heeft opgevraagd. Het medisch advies mocht daarom ten grondslag gelegd worden aan het bestreden besluit. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het advies niet voldoende duidelijk wordt hoe de beschikbare medische informatie is gewogen en waarom dit leidt tot de getrokken conclusies, zeker in het licht van het advies uit 2024.
10.2.
Door verzoekster is in deze procedure met name gewezen op de verschillen tussen het advies uit 2024 en het huidige advies. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een nieuwe aanvraag een op zichzelf staande beoordeling vereist. Daarbij is ook van belang dat de bewijslast op verzoekster als aanvrager rust.
10.3.
Uit het medisch advies blijkt dat de arts van Argonaut zowel de medische informatie uit 2023 als de meer recente informatie uit 2024 en 2025 bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast heeft de arts informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog. Dat deze neuroloog de vragen over eventuele cognitieve stoornissen en angstklachten onbeantwoord heeft gelaten en de aanwezigheid van deze klachten daarmee niet heeft kunnen bevestigen, kan niet worden tegengeworpen aan Argonaut of het college. De wél verstrekte informatie van de neuroloog is door de arts betrokken bij de beoordeling. Voor zover verzoekster stelt dat de arts tevens informatie had moeten opvragen omtrent de MDL-klachten en de fistel, overweegt de voorzieningenrechter dat de MDL-klachten reeds bij de arts bekend waren door de beschikbare medische informatie. Dit blijkt uit het advies waarin de arts verwijst naar een brief van de neuroloog van 12 december 2025 (waarin de maagklachten en braken staan opgenomen) en benoemt dat de inname van de medicatie wordt belemmerd door een andere aandoening. Daarmee wordt geduid op de MDL-klachten. Ten aanzien van de fistel heeft verzoekster niet nader (met medische stukken) onderbouwd waarom dit ertoe zou moeten leiden dat er dicht bij de bestemming moet worden geparkeerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres voor de verzorging van haar fistel volgens de toelichting ter zitting afhankelijk is van een snelle bereikbaarheid van het toilet en zij daarom niet afzetbaar is. De aanwezigheid van een toilet op of bij bestemmingen met een gehandicaptenparkeerplaats is echter geen automatisch gegeven. Op welke manier de klachten als gevolg van de fistel onder die omstandigheden rechtstreeks van invloed zijn op de noodzaak voor een GPK is niet nader toegelicht. Dat de arts in het advies de fistel niet (kenbaar) heeft betrokken, leidt daarom niet tot de conclusie dat het advies onvolledig is.
10.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de arts alle beschikbare en relevante informatie betrokken bij de beoordeling of verzoekster bij het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. De voorzieningenrechter concludeert dat het college het advies van Argonaut aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen en dat dit advies inhoudelijk navolgbaar lijkt te zijn. Er bestaat dan voorlopig ook geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De in deze procedure overgelegde informatie biedt evenmin blijk van nieuwe medische omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1124.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4389
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.W.A. van Weert),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een passagierskaart op grond van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor passagiers. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 juni 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en [gemachtigde] namens het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is een 73-jarige vrouw, bekend met medische problematiek zoals een verminderde belastbaarheid van haar linkerheup, klachten aan haar benen, Parkinson, MDL-klachten, diabetes en hartfalen. Als gevolg hiervan ervaart zij beperkingen op het gebied van haar mobiliteit.
3.1.
Het college heeft verzoekster eerder, conform een advies van Argonaut, een GPK voor passagiers toegekend voor de duur van twee jaar. Deze GPK is op 5 februari 2026 verlopen. Verzoekster heeft op 31 december 2025 een aanvraag ingediend bij het college voor een nieuwe GPK voor passagiers. Tijdens de aanvraagprocedure heeft het college aan verzoekster een tijdelijke GPK voor passagiers verstrekt.
3.2.
Vervolgens heeft het college opnieuw advies aangevraagd bij Argonaut. De arts van Argonaut is in het advies van 22 mei 2026 tot de conclusie gekomen dat verzoekster niet voldoet aan de medische criteria voor een GPK voor passagiers. Het college is daarna overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit, waartegen verzoekster bezwaar heeft ingesteld.
Standpunt van het college
4. Volgens het college is geen sprake van een situatie waarbij verzoekster voor haar vervoer van deur tot deur continue afhankelijk is van een ander persoon. Ook is verzoekster niet volledig rolstoelgebonden. Dit blijkt uit het advies van Argonaut. Dit advies voldoet aan de eisen die het college aan een zorgvuldig advies stelt. Gelet op de inhoud van het advies komt het college tot de conclusie dat verzoekster geen recht heeft op een GPK voor passagiers.
Gronden van verzoekster
5. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het college ten aanzien van het advies van Argonaut niet heeft voldaan aan haar vergewisplicht. Het advies maakt onvoldoende inzichtelijk hoe de beschikbare medische informatie is gewogen en waarom deze informatie leidt tot de conclusie dat verzoekster niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een GPK voor passagiers. Daarbij is van belang dat Argonaut in een eerder advies tot een andere conclusie kwam. Waar verzoekster eerder niet afzetbaar werd geacht, wordt zij dat nu wel geacht, terwijl uit het nieuwe advies niet blijkt welke concrete verbetering in de medische situatie deze gewijzigde beoordeling rechtvaardigt. Dit terwijl de eerdere beoordeling berustte op een chronische en progressieve aandoening. Het college mocht daarom niet zonder nadere uitleg aannemen dat de eerder vastgestelde voortdurende hulpafhankelijkheid niet langer aanwezig was. Door Argonaut niet om een nadere toelichting op dit punt te vragen, heeft het college onvoldoende invulling gegeven aan de vergewisplicht.
5.1.
Daarnaast sluit de conclusie van Argonaut onvoldoende aan bij de beschikbare medische informatie, met name ten aanzien van de loopafstand. De behandelaars beschrijven juist aanhoudende en toegenomen problematiek. Zo heeft de orthopedische chirurg op 2 juli 2026 beschreven dat staan en traplopen bijna niet gaan en dat de actieradius van verzoekster naar verwachting zeer beperkt zal blijven. Ook in het kader van een WMO-onderzoek is vastgesteld dat verzoekster een beperkte loopafstand van minder van 50 meter heeft, dat zij zich niet zelfstandig kan verplaatsen over afstanden langer dan 50 meter en dat zij bij verplaatsingen met de auto ter plaatse gebruikt maakt van een rolstoel. Gelet hierop biedt het advies van Argonaut onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de loopbeperking van verzoekster tot minder dan 100 meter niet kan worden geobjectiveerd.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat zij vanwege haar medische beperkingen bij verplaatsingen buitenshuis afhankelijk is van een rolstoel. Zij kan niet fietsen en ook geen gebruikmaken van het openbaar vervoer. Wanneer zij samen met haar echtgenoot per auto reist, moet de rolstoel worden meegenomen en op de plaats van bestemming worden gebruikt. Het afwijzen van de GPK voor passagiers heeft daarom grote gevolgen, waardoor zij belemmerd wordt om haar noodzakelijke en sociale bestemmingen te bereiken. Omdat de bezwaarprocedure wegens het vermoedelijk opnieuw aanvragen van een advies bij Argonauto lang zal duren en het college niet langer bereid is om een tijdelijke GPK voor passagiers te verstrekken, is volgens verzoekster sprake van een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.
6.1.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster kan immers afgezet worden bij de bestemming en daar in haar rolstoel wachten tot haar echtgenoot de auto heeft geparkeerd. Op deze manier kan verzoekster de voor haar noodzakelijk of wenselijke bestemmingen bereiken zonder dat zij een GPK voor passagiers nodig heeft. Het praktisch ongemak en de extra inspanning die het ontbreken van de GPK met zich meebrengt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van zwaarwegend en concreet nadeel waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Daarnaast ziet het college geen aanleiding om opnieuw medisch advies aan te vragen, zodat op korte termijn besloten kan worden op het bezwaar.
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat verzoekster, gelet op de verstrekte tijdelijke GPK tijdens de aanvraagprocedure, pas sinds een relatief korte periode niet meer over een GPK beschikt. Hierdoor wordt zij beperkt in haar mobiliteit. Haar echtgenoot heeft ter zitting met voorbeelden toegelicht dat het bereiken van noodzakelijke bestemmingen hierdoor extra moeite en ongemak kost. Daarnaast is nog onduidelijk wanneer de beslissing op bezwaar zal worden genomen, aangezien dit afhangt van een eventuele hoorzitting en de beschikbaarheid van de bezwarencommissie. De voorzieningenrechter geeft verzoekster gelet op deze omstandigheden het voordeel van de twijfel en acht een spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
7. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
7.1.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.
Inhoud van het geschil
8. Ter zitting heeft het college bevestigd dat het loopcriterium van honderd meter, in afwijking van het advies van Argonaut, niet aan verzoekster wordt tegengeworpen. Tussen partijen staat dan ook vast dat verzoekster niet in staat is om een afstand van honderd meter aaneengesloten te voet te overbruggen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoekster voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder en of het advies van Argonaut op dit punt gevolgd kan worden.
Medische adviezen Argonaut
9. In het advies van 25 januari 2024 heeft een arts van Argonaut geconcludeerd dat verzoekster voldeed aan de criteria om in aanmerking te komen voor een GPK voor passagiers. Volgens de arts was er sprake van een loopbeperking en continue hulpafhankelijkheid. Vanwege de loopaandoening door een stoornis aan de linker heup was verzoekster niet in staat om honderd meter aaneengesloten te overbruggen. Daarnaast was er ook sprake van een continue begeleidingsnoodzaak als gevolg van een chronische en progressieve neurologische aandoening. Gelet hierop kan een onveilige situatie ontstaan als verzoekster alleen (zittend) moet wachten. Verzoekster ontving adequate behandeling voor de loopbeperking, waardoor de arts verbetering in haar belastbaarheid verwachtte.
9.1.
In het advies van 22 mei 2026 heeft een arts van Argonaut geconcludeerd dat verzoekster niet voldoet aan de vereiste criteria. Verzoekster is nog onder behandeling voor de verminderde belastbaarheid van haar linker heup. Verder is het chronisch ziektebeeld tijdelijk verslechterd door een andere aandoening die voor problemen zorgen met de opname en werking van haar medicatie. Ten tijde van het spreekuur was dit verbeterd, waardoor verder medische handelen door de neuroloog werd uitgesteld. Door deze twee problemen (heup en Parkinson) heeft verzoekster een onzekere gang en valangst als zij buiten loopt, waardoor zij zich buitenshuis in een rolstoel verplaatst. De arts heeft om die reden geen looptest afgenomen. Rolstoelafhankelijkheid is volgens de arts onvoldoende onderbouwd op basis van de medische stukken. Ook kan niet geobjectiveerd worden of een aangepaste rollator een passend loophulpmiddel is. Verder heeft verzoekster nog een cardiale aandoening ontwikkeld, die leidt tot een energetische beperking. Gelet op deze ziektebeelden is een beperking in het lopen aannemelijk, maar dat zij hierdoor minder dan 100 meter kan lopen met een loophulpmiddel is onvoldoende objectiveerbaar. Daar komt bij dat verzoekster ook niet voldoet aan de aanvullende criteria voor een GPK voor een passagier. Zo is zij niet volledig rolstoelgebonden, zij kan immers korte afstanden lopen met een rollator. Daarnaast is verzoekster niet continue afhankelijk van een derde. Dermate ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid door neurologische stoornissen kunnen op basis van de informatie uit 2023 en de informatie over het huidige functioneren niet geobjectiveerd worden. Verzoekster wordt daarom in staat geacht afgezet te worden en te wachten tot de bestuurder de auto heeft geparkeerd of opgehaald. Tot slot zijn er geen andere beperkingen naar voren gekomen, anders dan een loopbeperking, waarvoor verzoekster als passagier dicht bij de plaats van bestemming moet parkeren.
Vergewisplicht
10. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Het is vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt.
10.1.
Volgens het college is sprake van een inzichtelijk en voldoende gemotiveerd advies, waarbij de arts gebruik heeft gemaakt van de beschikbare medische informatie en zelf aanvullende informatie heeft opgevraagd. Het medisch advies mocht daarom ten grondslag gelegd worden aan het bestreden besluit. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het advies niet voldoende duidelijk wordt hoe de beschikbare medische informatie is gewogen en waarom dit leidt tot de getrokken conclusies, zeker in het licht van het advies uit 2024.
10.2.
Door verzoekster is in deze procedure met name gewezen op de verschillen tussen het advies uit 2024 en het huidige advies. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een nieuwe aanvraag een op zichzelf staande beoordeling vereist. Daarbij is ook van belang dat de bewijslast op verzoekster als aanvrager rust.
10.3.
Uit het medisch advies blijkt dat de arts van Argonaut zowel de medische informatie uit 2023 als de meer recente informatie uit 2024 en 2025 bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast heeft de arts informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog. Dat deze neuroloog de vragen over eventuele cognitieve stoornissen en angstklachten onbeantwoord heeft gelaten en de aanwezigheid van deze klachten daarmee niet heeft kunnen bevestigen, kan niet worden tegengeworpen aan Argonaut of het college. De wél verstrekte informatie van de neuroloog is door de arts betrokken bij de beoordeling. Voor zover verzoekster stelt dat de arts tevens informatie had moeten opvragen omtrent de MDL-klachten en de fistel, overweegt de voorzieningenrechter dat de MDL-klachten reeds bij de arts bekend waren door de beschikbare medische informatie. Dit blijkt uit het advies waarin de arts verwijst naar een brief van de neuroloog van 12 december 2025 (waarin de maagklachten en braken staan opgenomen) en benoemt dat de inname van de medicatie wordt belemmerd door een andere aandoening. Daarmee wordt geduid op de MDL-klachten. Ten aanzien van de fistel heeft verzoekster niet nader (met medische stukken) onderbouwd waarom dit ertoe zou moeten leiden dat er dicht bij de bestemming moet worden geparkeerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres voor de verzorging van haar fistel volgens de toelichting ter zitting afhankelijk is van een snelle bereikbaarheid van het toilet en zij daarom niet afzetbaar is. De aanwezigheid van een toilet op of bij bestemmingen met een gehandicaptenparkeerplaats is echter geen automatisch gegeven. Op welke manier de klachten als gevolg van de fistel onder die omstandigheden rechtstreeks van invloed zijn op de noodzaak voor een GPK is niet nader toegelicht. Dat de arts in het advies de fistel niet (kenbaar) heeft betrokken, leidt daarom niet tot de conclusie dat het advies onvolledig is.
10.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de arts alle beschikbare en relevante informatie betrokken bij de beoordeling of verzoekster bij het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. De voorzieningenrechter concludeert dat het college het advies van Argonaut aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen en dat dit advies inhoudelijk navolgbaar lijkt te zijn. Er bestaat dan voorlopig ook geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De in deze procedure overgelegde informatie biedt evenmin blijk van nieuwe medische omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 3 september 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1124.