Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8440
2026-09-02
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 26/1273
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
30 prikkelarme woningen
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3486 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.239 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
einduitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 op het beroep in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),
en
het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente], het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting [vergunninghouder], uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. D.A.C. Janssen).
Procesverloop
1. Vergunninghouder heeft op 23 mei 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwactiviteit ten behoeve van het project [project] . Dit project ziet op 30 prikkelarme wooneenheden, waarvan een als algemene ruimte voor sociaal beheer. De woningen zijn bestemd voor 1 á 2-persoons huishoudens. Het project omvat twaalf grondgebonden, negen rolstoel-beneden- en negen bovenwoningen met bergingen, inclusief terreininrichting (parkeren, verharding, groen, geluidswal). De bouwactiviteit moet plaatsvinden aan de [adres 1] in [plaats] (kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] , [kadastraal nummer 4] ).
1.1.
Het college heeft op 20 december 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit ((BOPA)) (het primaire besluit).
1.2.
Verzoeker, wonend en met zijn autohandelsbedrijf gevestigd aan de [adres 2] in [woonplaats] , heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.3.
Het college heeft op 2 oktober 2025 een beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard (het bestreden besluit). Wel heeft het college het primaire besluit in het bestreden besluit aangevuld door het afwijken van de parkeernorm nader te motiveren en door het opstellen van een beheerplan als voorwaarde toe te voegen aan de omgevingsvergunning.
1.4.
Verzoeker heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld.
1.5.
Op 3 maart 2026 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.6.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en diens gemachtigde, namens het college mr. Z. Mucuk en [gemachtigde] en namens vergunninghouder de gemachtigde en [vertegenwoordiger] .
1.8.
In de tussenuitspraak van 28 april 2026 (de tussenuitspraak) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het college in de bodemzaak in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.
1.9.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak de gemeenteraad om (bindend) advies gevraagd ten behoeve van de aangevraagde bouwactiviteit. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van dit verzoek in haar raadsvergadering van 8 juni 2026 een positief advies uitgebracht.
1.10.
Verzoeker heeft niet meer schriftelijk gereageerd op dit positieve advies.
1.11.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit het onderzoek met deze uitspraak.
Overwegingen
2. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat hij het standpunt van het college vooralsnog niet kan volgen dat geen sprake is van een maatschappelijke activiteit en een maatschappelijk gevoelig initiatief, waarvoor de gemeenteraad om bindend advies had moeten worden gevraagd. Het bestreden besluit was in zoverre nog onvoldoende gemotiveerd. Dit gebrek kon het college herstellen door middel van een verbeterde motivering of – indien het college dit standpunt liet varen – door alsnog een positief (bindend) advies te vragen aan en te verkrijgen van de gemeenteraad.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog een positief (bindend) advies heeft gevraagd aan de gemeenteraad en dit op 8 juni 2026 ook heeft verkregen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hiermee heeft hersteld.
Conclusie en gevolgen
3. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een professioneel gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 1.868,00.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;- draagt het college op om het betaalde griffierecht van € 194,00 aan eiser te vergoeden;- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 2 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de tussenuitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3486.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
einduitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 op het beroep in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),
en
het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente], het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting [vergunninghouder], uit [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. D.A.C. Janssen).
Procesverloop
1. Vergunninghouder heeft op 23 mei 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwactiviteit ten behoeve van het project [project] . Dit project ziet op 30 prikkelarme wooneenheden, waarvan een als algemene ruimte voor sociaal beheer. De woningen zijn bestemd voor 1 á 2-persoons huishoudens. Het project omvat twaalf grondgebonden, negen rolstoel-beneden- en negen bovenwoningen met bergingen, inclusief terreininrichting (parkeren, verharding, groen, geluidswal). De bouwactiviteit moet plaatsvinden aan de [adres 1] in [plaats] (kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummers [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] , [kadastraal nummer 4] ).
1.1.
Het college heeft op 20 december 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit ((BOPA)) (het primaire besluit).
1.2.
Verzoeker, wonend en met zijn autohandelsbedrijf gevestigd aan de [adres 2] in [woonplaats] , heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.3.
Het college heeft op 2 oktober 2025 een beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard (het bestreden besluit). Wel heeft het college het primaire besluit in het bestreden besluit aangevuld door het afwijken van de parkeernorm nader te motiveren en door het opstellen van een beheerplan als voorwaarde toe te voegen aan de omgevingsvergunning.
1.4.
Verzoeker heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld.
1.5.
Op 3 maart 2026 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.6.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en diens gemachtigde, namens het college mr. Z. Mucuk en [gemachtigde] en namens vergunninghouder de gemachtigde en [vertegenwoordiger] .
1.8.
In de tussenuitspraak van 28 april 2026 (de tussenuitspraak) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het college in de bodemzaak in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.
1.9.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak de gemeenteraad om (bindend) advies gevraagd ten behoeve van de aangevraagde bouwactiviteit. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van dit verzoek in haar raadsvergadering van 8 juni 2026 een positief advies uitgebracht.
1.10.
Verzoeker heeft niet meer schriftelijk gereageerd op dit positieve advies.
1.11.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit het onderzoek met deze uitspraak.
Overwegingen
2. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat hij het standpunt van het college vooralsnog niet kan volgen dat geen sprake is van een maatschappelijke activiteit en een maatschappelijk gevoelig initiatief, waarvoor de gemeenteraad om bindend advies had moeten worden gevraagd. Het bestreden besluit was in zoverre nog onvoldoende gemotiveerd. Dit gebrek kon het college herstellen door middel van een verbeterde motivering of – indien het college dit standpunt liet varen – door alsnog een positief (bindend) advies te vragen aan en te verkrijgen van de gemeenteraad.
2.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog een positief (bindend) advies heeft gevraagd aan de gemeenteraad en dit op 8 juni 2026 ook heeft verkregen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hiermee heeft hersteld.
Conclusie en gevolgen
3. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een professioneel gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 1.868,00.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;- draagt het college op om het betaalde griffierecht van € 194,00 aan eiser te vergoeden;- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 2 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de tussenuitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3486.