Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8431

2026-08-31 Bestuursrecht BRE 26/1525 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-31
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/1525 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzetuitspraak - ongegrond; verweerder heeft voor het instellen van het beroep op de aanvraag beslist.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.481 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 26/1525 V



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 op het verzet van




[opposante] als erfgename van [persoon], uit [woonplaats] , opposante
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 juni 2026 in het geding tussen



opposante



en




Dienst Toeslagen, verweerder.




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 juni 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het ziet op het niet op tijd beslissen door verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2025.



1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 5 juni 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de grond van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het beroep van opposante


4. Het beroep van opposante ging over het niet op tijd beslissen door verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2025 waarin de rechtbank aan verweerder een nadere termijn van twee weken heeft opgelegd om te beslissen op opposante haar aanvraag van 6 juli 2021 om herbeoordeling van de situatie van [persoon] met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.

De uitspraak van 5 juni 2026


5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder op 10 oktober 2025, en dus voor het instellen van het beroep, alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van opposante van 6 juli 2021.
Heeft verweerder beslist op de aanvraag 6 juli 2021 van opposante?
6. Opposante stelt dat de brief van 10 oktober 2025 een formele verwijzing is naar een ander loket van verweerder, namelijk de nabestaandenregeling. Dat wil volgens opposante echter niet zeggen dat er ook inhoudelijk is beslist op haar aanvraag.


6.1.
De verzetrechter oordeelt dat verweerder wel heeft beslist op de aanvraag van 6 juli 2021 van opposante, die zij in haar hoedanigheid van erfgename van [persoon] heeft ingediend. In de brief van 10 oktober 2025, die door verweerder definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag genoemd wordt, staat namelijk heel duidelijk dat verweerder de aanvraag om integrale herbeoordeling van [persoon] niet verder kan bekijken, omdat [persoon] overleden is. Ook staat er dat opposante nu geen recht heeft op een vergoeding op basis van haar aanmelding namens [persoon] voor een van de herstelregelingen. Dat er in de brief staat dat er nog contact met opposante wordt opgenomen om te bekijken of zij mogelijk via de nabestaandenregeling recht heeft op een vergoeding, betekent niet dat er niet op de aanvraag van 6 juli 2021, die opposante in haar hoedanigheid van erfgename van [persoon] heeft gedaan, is beslist. De aanvraag voor de nabestaandenregeling dient namelijk door opposante zelf als nabestaande (kind) van [persoon] gedaan te worden en niet als erfgename. Dat verweerder de aanvraag van 6 juli 2021 ook heeft aangemerkt als een aanvraag voor de nabestaandenregeling, doet hier niets aan af. Het verzet van opposante slaagt dan ook niet.




Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 juni 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 31 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


BRE 25/3320, ECLI:NL:RBZWB:2025:5662.


Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


BRE 26/1525, ECLI:NL:RBZWB:2026:7895.


Artikel 2.9b van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).