Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8429
2026-09-01
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/1621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Einduitspraak na een bestuurlijke lus. Het betreft een afwijzing van een handhavingsverzoek, waarbij volgens eisees onduidelijk was waarom het handhavingsverzoek was afgewezen. Het college was in de gelegenheid gesteld om beter te motiveren waarom er geen sprake was van een overtreding, maar heeft verzuimd dit daadwerkelijk te herstellen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit is vernietigd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.126 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1621
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
1
1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
2 [eiser] C.V., uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
tezamen aangeduid als eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).
Procesverloop
1. Eisers hebben op 8 april 2024 een verzoek om handhaving ingediend tegen vermeende overtredingen op het kleinschalig kampeerterrein aan de [adres] . Het college heeft dit verzoek bij primair besluit van 14 augustus 2024 afgewezen.
1.1.
Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en handhavend op te treden, mits het college bevestigt dat sprake is van een overtreding op basis van de dronebeelden. Het college heeft bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 het bezwaar gegrond verklaard, vastgesteld dat sprake is van een overtreding en het handhavingsverzoek alsnog toegewezen.
1.2.
Omdat in deze beslissing op bezwaar een verkeerd besluit op het verzoek om proceskostenvergoeding was genomen, heeft het college op 11 maart 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is de eerdere beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken, vervangen door een inhoudelijk gelijkluidend besluit met uitzondering van een hogere proceskostenvergoeding.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college vervolgens op 6 mei 2025 een nieuw besluit genomen, waarbij het handhavingsverzoek opnieuw is afgewezen. De afwijzing van het handhavingsverzoek berust op het controlerapport van 24 april 2025, opgesteld naar aanleiding van de controle op 22 april 2025, waarin door het college geen overtreding van de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats” is vastgesteld. Met dit besluit heeft het college zowel de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 als de (eerder reeds ingetrokken) beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken. Nu dit besluit is genomen, terwijl het beroep reeds aanhangig was en hierbij het bestreden besluit is ingetrokken en vervangen, wordt het besluit van 6 mei 2025 op grond van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege in de beroepsprocedure betrokken.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
1.6.
In de tussenuitspraak van 12 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.7.
Het college heeft in zijn brief van 18 december 2025 aangegeven dat het gebruik wil maken van de mogelijkheid het gebrek te herstellen. In zijn brief van 19 januari 2026 heeft het college de rechtbank verzocht om een nadere termijn te geven. Eisers hebben op
9 februari 2026 hierop schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het college op 14 april 2026 verzocht om binnen drie weken op de reactie van eisers te reageren. Na ontvangst hiervan hebben eisers vier weken de tijd gekregen om hierop te reageren. Hierop is geen reactie van het college meer ontvangen. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. De door eisers nadien ingezonden stukken worden bij deze uitspraak buiten beschouwing gelaten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan het heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een overtreding. Met de gekozen werkwijze heeft het college niet inzichtelijk gemaakt of er op de afzonderlijke standplaatsen telkens meer dan één hoofdkampeermiddel aanwezig was. Ook heeft het college geen nader onderzoek verricht naar de verdeling van de hoofdkampeermiddelen over de individuele standplaatsen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld een nieuwe, concreet op de specifieke standplaatsen gerichte controle uit te voeren. Hierbij lag het ten tijde van de tussenuitspraak in de rede om de door de exploitant bijgehouden nachtregistratie op te vragen en te betrekken bij zijn beoordeling. Het college diende vervolgens inzichtelijk te maken hoe de feitelijke indeling van het terrein (de “kampeervakken”) zich verhouden tot de standplaatsen in de zin van het omgevingsplan en of, gelet op die standplaatsen, daadwerkelijk wordt voldaan aan de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats”.
4. Het college heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 14 april 2026 waarin het college nog drie weken de tijd kreeg om aan de tussenuitspraak te voldoen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1621
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
1
1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
2 [eiser] C.V., uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
tezamen aangeduid als eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).
Procesverloop
1. Eisers hebben op 8 april 2024 een verzoek om handhaving ingediend tegen vermeende overtredingen op het kleinschalig kampeerterrein aan de [adres] . Het college heeft dit verzoek bij primair besluit van 14 augustus 2024 afgewezen.
1.1.
Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en handhavend op te treden, mits het college bevestigt dat sprake is van een overtreding op basis van de dronebeelden. Het college heeft bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 het bezwaar gegrond verklaard, vastgesteld dat sprake is van een overtreding en het handhavingsverzoek alsnog toegewezen.
1.2.
Omdat in deze beslissing op bezwaar een verkeerd besluit op het verzoek om proceskostenvergoeding was genomen, heeft het college op 11 maart 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is de eerdere beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken, vervangen door een inhoudelijk gelijkluidend besluit met uitzondering van een hogere proceskostenvergoeding.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college vervolgens op 6 mei 2025 een nieuw besluit genomen, waarbij het handhavingsverzoek opnieuw is afgewezen. De afwijzing van het handhavingsverzoek berust op het controlerapport van 24 april 2025, opgesteld naar aanleiding van de controle op 22 april 2025, waarin door het college geen overtreding van de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats” is vastgesteld. Met dit besluit heeft het college zowel de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 als de (eerder reeds ingetrokken) beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken. Nu dit besluit is genomen, terwijl het beroep reeds aanhangig was en hierbij het bestreden besluit is ingetrokken en vervangen, wordt het besluit van 6 mei 2025 op grond van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege in de beroepsprocedure betrokken.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
1.6.
In de tussenuitspraak van 12 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.7.
Het college heeft in zijn brief van 18 december 2025 aangegeven dat het gebruik wil maken van de mogelijkheid het gebrek te herstellen. In zijn brief van 19 januari 2026 heeft het college de rechtbank verzocht om een nadere termijn te geven. Eisers hebben op
9 februari 2026 hierop schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het college op 14 april 2026 verzocht om binnen drie weken op de reactie van eisers te reageren. Na ontvangst hiervan hebben eisers vier weken de tijd gekregen om hierop te reageren. Hierop is geen reactie van het college meer ontvangen. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. De door eisers nadien ingezonden stukken worden bij deze uitspraak buiten beschouwing gelaten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan het heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een overtreding. Met de gekozen werkwijze heeft het college niet inzichtelijk gemaakt of er op de afzonderlijke standplaatsen telkens meer dan één hoofdkampeermiddel aanwezig was. Ook heeft het college geen nader onderzoek verricht naar de verdeling van de hoofdkampeermiddelen over de individuele standplaatsen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld een nieuwe, concreet op de specifieke standplaatsen gerichte controle uit te voeren. Hierbij lag het ten tijde van de tussenuitspraak in de rede om de door de exploitant bijgehouden nachtregistratie op te vragen en te betrekken bij zijn beoordeling. Het college diende vervolgens inzichtelijk te maken hoe de feitelijke indeling van het terrein (de “kampeervakken”) zich verhouden tot de standplaatsen in de zin van het omgevingsplan en of, gelet op die standplaatsen, daadwerkelijk wordt voldaan aan de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats”.
4. Het college heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 14 april 2026 waarin het college nog drie weken de tijd kreeg om aan de tussenuitspraak te voldoen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).