Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8426
2026-09-01
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 24/8120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 Raad van State 24-08-2011
- ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 Raad van State 15-08-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.847 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen aan [adres] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank heeft op 15 januari 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om de in het besluit geconstateerde gebreken te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college de gebreken niet heeft hersteld. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn [persoon 1] en [persoon 2] verschenen. Vergunninghoudster is verschenen, samen met [persoon 3] (haar vader).
2.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
2.5.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering en een op 21 april 2026 verleende nieuwe omgevingsvergunning ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd en hebben een Boom Effect-Analyse (BEA) van Tree-o-Logic overgelegd. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Welke gebreken heeft de rechtbank geconstateerd?
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geconstateerd dat het bestreden besluit gebrekkig is, omdat een verklaring van geen bedenkingen vereist is en deze door het college niet is gevraagd aan de gemeenteraad. Het bestreden besluit bevatte verder – ten onrechte – geen beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van de 12 garageboxen en de daarbij betrokken belangenafweging. Ten aanzien van de aanwezige waardevolle boom heeft de rechtbank overwogen dat het voorschrift in de vergunning op dit punt te ruim en onvoldoende concreet is geformuleerd. Het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom de waardevolle boom met de voorgenomen constructieve wijziging van de verleende omgevingsvergunning duurzaam behouden kan worden. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat in de verleende omgevingsvergunning een concrete invulling ontbreekt van de waterbergingsopgave als gevolg van de verhardingstoename, wat een gebrek oplevert. Tenslotte heeft de rechtbank geconstateerd dat het bestreden besluit gebrekkig is omdat de overgelegde situatietekening niet voldoet aan artikel 3.2, onder d, van de Regeling omgevingsrecht (Mor).
Heeft het college de gebreken hersteld?
De verklaring van geen bedenkingen
5. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend en een nieuwe omgevingsvergunning verleend. Bij deze vergunning heeft het college een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
Het gebruik van de garageboxen
6. Het college heeft aan de nieuwe omgevingsvergunning ten aanzien van het gebruik van de 12 garageboxen het voorschrift verbonden dat deze niet mogen worden gebruikt voor niet-bedrijfsmatig en niet-commerciële opslag van spullen en/of het stallen van voertuigen. Ook is hieraan als voorschrift verbonden dat het niet is toegestaan om een garagebox te gebruiken voor langdurig lawaai-intensieve handelingen zoals slijpen, timmeren, langdurig stationair draaien of lawaai van een muziekinstallatie, en voor opslag van brandgevaarlijke en chemische stoffen. Het college heeft bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing met een beschrijving van het gebruik van de garageboxen overgelegd.
6.1.
Eisers stellen dat in de aanvullende voorschriften over het gebruik van de garageboxen duidelijk moet worden opgenomen dat deze garageboxen alleen particulier gebruikt mogen worden.
6.2.
De rechtbank overweegt dat zij met de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog de ontbrekende belangenafweging over het gebruik van de garageboxen te maken en op grond hiervan nadere voorschriften hierover aan de verleende omgevingsvergunning te verbinden. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aan de vergunning verbonden voorschriften het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
De waardevolle eikenboom
7. Het college heeft ten aanzien van de waardevolle boom gemotiveerd dat de ecoloog/bomendeskundige van de gemeente zich op het standpunt stelt dat de invloed van de palen minimaal zal zijn op de boom. Wel is het van belang te weten wat voor beworteling er precies zit op de locaties waar de palen komen. Wortels tot 4 centimeter mogen verwijderd worden, maar voor grotere wortels moet een boomtechnisch adviseur akkoord geven. Gelet op het advies van de bomendeskundige heeft het college het voorschrift in de vergunning aangepast en aangevuld. Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in de nabijheid van bomen worden de landelijke richtlijnen zoals neergelegd in het handboek Bomen van het Norminstituut Bomen gehanteerd. De randvoorwaarden en eisen zoals opgenomen op de bomenposter zijn hierbij leidend. Verder dient vergunninghoudster ter plekke van het boombeschermingsvlak en de paalfunderingen nader onderzoek uit te voeren. Er dient voldaan te worden aan het wortelkaprecht. Het college merkt op dat de door eisers ingediende BEA niet te vergelijken is met de BEA van B-Vier Boomspecialist omdat hierin wordt uitgegaan van 11 garageboxen in plaats van 12.
7.1.
Eisers stellen dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht om te beoordelen of de waardevolle boom met een paalfundering binnen het beschermingsvak duurzaam kan worden behouden. Volgens eisers had het college het advies van Tree-o-Logic aan B-Vier Boomspecialist moeten voorleggen, nu Tree-o-Logic op basis van onderzoek naar de wortelgroei tot een groter boombeschermingsvlak en de aanbeveling van het vervallen van ten minste één garagebox komt. Eisers stellen verder dat geen nader onderzoek is gedaan naar de wortelgroei en of het gebruik van paalfundering hiervoor schadelijk is. Verder zijn eisers van mening dat met het opgenomen voorschrift over ‘nader onderzoek’ de kans groot blijft dat het onderzoek helemaal niet of niet navolgbaar zal plaatsvinden.
7.2.
Voorop staat dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de tussenuitspraak met betrekking tot de waterfiltratie, artikel 3.2 van de Mor geen mogelijkheid geeft om uitgestelde indieningsvereisten voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met bouwvoorschriften in een omgevingsvergunning op te nemen. Het voorschrift dat vergunninghoudster ter plaatse van het boombeschermingsvlak en de paalfundering nader onderzoek moet uitvoeren en moet voldoen aan het wortelkaprecht, kan daarom niet als zodanig aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
7.3.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of vaststaat dat de betrokken eikenboom met de gewijzigde paalconstructie van de garageboxen duurzaam in stand kan worden gehouden. De rechtbank begrijpt uit de aanvullende motivering van het college dat advies is gevraagd aan een gemeentelijke bomendeskundige, die van mening is dat de invloed op de boom minimaal zal zijn. Uit dat advies volgt echter ook dat eerst moet worden vastgesteld welke beworteling zich bevindt op de locaties waar de palen worden geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop niet vaststaat welke gevolgen de paalfundering voor de wortels van de boom heeft en daarmee evenmin dat de waardevolle eikenboom met de constructieve wijziging duurzaam in stand kan worden gehouden. Het college heeft dit, ondanks de opdracht in de tussenuitspraak, dan ook niet toereikend gemotiveerd. Het geconstateerde gebrek is hiermee daarom niet hersteld.
De waterinfiltratie
8. Het college heeft ten aanzien van de waterinfiltratie in de nieuwe omgevingsvergunning opgenomen dat de toename van de totale hoeveelheid verhard oppervlak van 99 m2 en de totaal berekende berging van 57 m3 bedraagt. Ook zijn aan de vergunning nu voorschriften verbonden voor de verdere uitwerking van de waterbergingsopgave. Het college heeft erop gewezen dat door vergunninghoudster deze voorwaarden vertaald zijn in berekeningen en tekeningen. Hiermee is volgens het college op voldoende wijze aangetoond waarop de waterinfiltratie wordt uitgevoerd.
8.1.
Eisers stellen dat ten aanzien van de waterinfiltratie op pagina 3 en 12 van de nieuwe omgevingsvergunning nog steeds om aanvullende stukken wordt gevraagd zoals tekeningen en een onderbouwing. Daarmee is volgens eisers de wijze waarop watercompensatie wordt gerealiseerd niet helder.
8.2.
De rechtbank overweegt dat, hoewel in de vergunning de invulling van de waterbergingsopgave nader is geconcretiseerd, het college op basis van de aanvullende gegevens een inhoudelijke beoordeling diende te maken van de wijze waarop de waterinfiltratie wordt uitgevoerd. Daarbij diende het college te beoordelen of de voorgestelde uitwerking voldoet aan de waterparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlage. Het college heeft in de aanvullende motivering volstaan met de conclusie dat met de uitwerking van de waterbergingsopgave voldoende is aangetoond hoe de waterinfiltratie wordt uitgevoerd. Het college heeft echter niet beoordeeld of met deze uitwerking daadwerkelijk aan de waterbergingsopgave wordt voldaan. Een inhoudelijke afweging ontbreekt daarmee. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.
8.3.
Voor zover eisers aanvoeren dat de waterinfiltratie in relatie tot het welzijn van de boom moet worden beoordeeld betreft dit een nieuwe beroepsgrond. De rechtbank laat deze daarom buiten beschouwing.
De perceelsgrens
8.4.
Het college heeft tenslotte een situatietekening waarop de bergingen van de aangrenzende terreinen zijn aangegeven aan de vergunning als bijlage toegevoegd. Volgens het college is het bouwen van de garageboxen in de erfgrens vergelijkbaar met het bouwen van berging behorende bij een woning en rechtstreeks toegelaten volgens het bestemmingsplan. Het college stelt dat het tussen buren is om onderling afspraken te maken over de uitvoerbaarheid hiervan. Het college merkt op dat door vergunninghoudster het voorstel is gedaan voor aansluiting van de houten berging van eisers op de prefab garageboxen. Het voorstel is de planken van de houten schuurtjes aan de zijde van het perceel [adres] te vervangen door speciale Knauf platen die onderhoudsvrij en brandwerend zijn. De waterslag zorgt ervoor dat er geen vocht tussen de garageboxen en de schuur loopt. Het college is van mening dat hiermee antwoord is gegeven op de zorgen van eisers inzake het tegen elkaar bouwen van de bergingen.
8.5.
Eiser stellen dat het college niet is ingegaan op de bestaande schutting maar enkele op de bestaande houten bijgebouwen. De schutting staat niet ingetekend, maar hier wordt wel tegenaan gebouwd. Volgens eisers blijkt uit het voorstel van vergunninghoudster dat tegen de bestaande houten bijgebouwen niet zomaar prefab-garages kunnen worden geplaatst. Daartoe zouden eerst de bestaande bijgebouwen op de naburige percelen moeten worden verbouwd.
8.6.
De rechtbank overweegt dat zij in de tussenuitspraak het college heeft opgedragen om gemotiveerd te beoordelen of de aangepaste situering van de garageboxen, met inachtneming van de belangen van de betrokken omwonenden, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak daarbij expliciet aangegeven dat het college moest betrekken of het bouwplan feitelijk uitvoerbaar is als de betrokken omwonenden geen medewerking willen verlenen aan het voorstel van vergunninghoudster. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de opmerking in de aanvullende motivering dat het aan de buren is om hierover onderling afspraken te maken het geconstateerde gebrek niet hersteld.
Tot slot
9. De rechtbank begrijpt dat vergunninghoudster het betreurt dat de procedure zo lang duurt en dat zij hier ingrijpende gevolgen van ondervindt, maar dit kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover eisers zich beroepen op een privaatrechtelijke belemmering laat de rechtbank dit buiten beschouwing. Dit betreft een nieuwe beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat in de tussenuitspraak het bestreden besluit als gebrekkig is beoordeeld en het college de daarin genoemde gebreken onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat voor de beslissing op de aanvraag om de omgevingsvergunning een nadere bestuurlijke afweging nodig is. Het college moet daarom een nieuw besluit op de aanvraag nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
10.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een twee-onder-een-kapwoning met twee garage-bergingen en 12 garageboxen aan [adres] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank heeft op 15 januari 2026 een tussenuitspraak gedaan (hierna: de tussenuitspraak) en het college de gelegenheid gegeven om de in het besluit geconstateerde gebreken te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt in deze einduitspraak dat het college de gebreken niet heeft hersteld. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn [persoon 1] en [persoon 2] verschenen. Vergunninghoudster is verschenen, samen met [persoon 3] (haar vader).
2.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
2.5.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering en een op 21 april 2026 verleende nieuwe omgevingsvergunning ingediend. Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd en hebben een Boom Effect-Analyse (BEA) van Tree-o-Logic overgelegd. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Welke gebreken heeft de rechtbank geconstateerd?
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geconstateerd dat het bestreden besluit gebrekkig is, omdat een verklaring van geen bedenkingen vereist is en deze door het college niet is gevraagd aan de gemeenteraad. Het bestreden besluit bevatte verder – ten onrechte – geen beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van de 12 garageboxen en de daarbij betrokken belangenafweging. Ten aanzien van de aanwezige waardevolle boom heeft de rechtbank overwogen dat het voorschrift in de vergunning op dit punt te ruim en onvoldoende concreet is geformuleerd. Het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom de waardevolle boom met de voorgenomen constructieve wijziging van de verleende omgevingsvergunning duurzaam behouden kan worden. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat in de verleende omgevingsvergunning een concrete invulling ontbreekt van de waterbergingsopgave als gevolg van de verhardingstoename, wat een gebrek oplevert. Tenslotte heeft de rechtbank geconstateerd dat het bestreden besluit gebrekkig is omdat de overgelegde situatietekening niet voldoet aan artikel 3.2, onder d, van de Regeling omgevingsrecht (Mor).
Heeft het college de gebreken hersteld?
De verklaring van geen bedenkingen
5. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend en een nieuwe omgevingsvergunning verleend. Bij deze vergunning heeft het college een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
Het gebruik van de garageboxen
6. Het college heeft aan de nieuwe omgevingsvergunning ten aanzien van het gebruik van de 12 garageboxen het voorschrift verbonden dat deze niet mogen worden gebruikt voor niet-bedrijfsmatig en niet-commerciële opslag van spullen en/of het stallen van voertuigen. Ook is hieraan als voorschrift verbonden dat het niet is toegestaan om een garagebox te gebruiken voor langdurig lawaai-intensieve handelingen zoals slijpen, timmeren, langdurig stationair draaien of lawaai van een muziekinstallatie, en voor opslag van brandgevaarlijke en chemische stoffen. Het college heeft bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing met een beschrijving van het gebruik van de garageboxen overgelegd.
6.1.
Eisers stellen dat in de aanvullende voorschriften over het gebruik van de garageboxen duidelijk moet worden opgenomen dat deze garageboxen alleen particulier gebruikt mogen worden.
6.2.
De rechtbank overweegt dat zij met de tussenuitspraak het college in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog de ontbrekende belangenafweging over het gebruik van de garageboxen te maken en op grond hiervan nadere voorschriften hierover aan de verleende omgevingsvergunning te verbinden. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aan de vergunning verbonden voorschriften het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
De waardevolle eikenboom
7. Het college heeft ten aanzien van de waardevolle boom gemotiveerd dat de ecoloog/bomendeskundige van de gemeente zich op het standpunt stelt dat de invloed van de palen minimaal zal zijn op de boom. Wel is het van belang te weten wat voor beworteling er precies zit op de locaties waar de palen komen. Wortels tot 4 centimeter mogen verwijderd worden, maar voor grotere wortels moet een boomtechnisch adviseur akkoord geven. Gelet op het advies van de bomendeskundige heeft het college het voorschrift in de vergunning aangepast en aangevuld. Voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in de nabijheid van bomen worden de landelijke richtlijnen zoals neergelegd in het handboek Bomen van het Norminstituut Bomen gehanteerd. De randvoorwaarden en eisen zoals opgenomen op de bomenposter zijn hierbij leidend. Verder dient vergunninghoudster ter plekke van het boombeschermingsvlak en de paalfunderingen nader onderzoek uit te voeren. Er dient voldaan te worden aan het wortelkaprecht. Het college merkt op dat de door eisers ingediende BEA niet te vergelijken is met de BEA van B-Vier Boomspecialist omdat hierin wordt uitgegaan van 11 garageboxen in plaats van 12.
7.1.
Eisers stellen dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht om te beoordelen of de waardevolle boom met een paalfundering binnen het beschermingsvak duurzaam kan worden behouden. Volgens eisers had het college het advies van Tree-o-Logic aan B-Vier Boomspecialist moeten voorleggen, nu Tree-o-Logic op basis van onderzoek naar de wortelgroei tot een groter boombeschermingsvlak en de aanbeveling van het vervallen van ten minste één garagebox komt. Eisers stellen verder dat geen nader onderzoek is gedaan naar de wortelgroei en of het gebruik van paalfundering hiervoor schadelijk is. Verder zijn eisers van mening dat met het opgenomen voorschrift over ‘nader onderzoek’ de kans groot blijft dat het onderzoek helemaal niet of niet navolgbaar zal plaatsvinden.
7.2.
Voorop staat dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de tussenuitspraak met betrekking tot de waterfiltratie, artikel 3.2 van de Mor geen mogelijkheid geeft om uitgestelde indieningsvereisten voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met bouwvoorschriften in een omgevingsvergunning op te nemen. Het voorschrift dat vergunninghoudster ter plaatse van het boombeschermingsvlak en de paalfundering nader onderzoek moet uitvoeren en moet voldoen aan het wortelkaprecht, kan daarom niet als zodanig aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
7.3.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of vaststaat dat de betrokken eikenboom met de gewijzigde paalconstructie van de garageboxen duurzaam in stand kan worden gehouden. De rechtbank begrijpt uit de aanvullende motivering van het college dat advies is gevraagd aan een gemeentelijke bomendeskundige, die van mening is dat de invloed op de boom minimaal zal zijn. Uit dat advies volgt echter ook dat eerst moet worden vastgesteld welke beworteling zich bevindt op de locaties waar de palen worden geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop niet vaststaat welke gevolgen de paalfundering voor de wortels van de boom heeft en daarmee evenmin dat de waardevolle eikenboom met de constructieve wijziging duurzaam in stand kan worden gehouden. Het college heeft dit, ondanks de opdracht in de tussenuitspraak, dan ook niet toereikend gemotiveerd. Het geconstateerde gebrek is hiermee daarom niet hersteld.
De waterinfiltratie
8. Het college heeft ten aanzien van de waterinfiltratie in de nieuwe omgevingsvergunning opgenomen dat de toename van de totale hoeveelheid verhard oppervlak van 99 m2 en de totaal berekende berging van 57 m3 bedraagt. Ook zijn aan de vergunning nu voorschriften verbonden voor de verdere uitwerking van de waterbergingsopgave. Het college heeft erop gewezen dat door vergunninghoudster deze voorwaarden vertaald zijn in berekeningen en tekeningen. Hiermee is volgens het college op voldoende wijze aangetoond waarop de waterinfiltratie wordt uitgevoerd.
8.1.
Eisers stellen dat ten aanzien van de waterinfiltratie op pagina 3 en 12 van de nieuwe omgevingsvergunning nog steeds om aanvullende stukken wordt gevraagd zoals tekeningen en een onderbouwing. Daarmee is volgens eisers de wijze waarop watercompensatie wordt gerealiseerd niet helder.
8.2.
De rechtbank overweegt dat, hoewel in de vergunning de invulling van de waterbergingsopgave nader is geconcretiseerd, het college op basis van de aanvullende gegevens een inhoudelijke beoordeling diende te maken van de wijze waarop de waterinfiltratie wordt uitgevoerd. Daarbij diende het college te beoordelen of de voorgestelde uitwerking voldoet aan de waterparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlage. Het college heeft in de aanvullende motivering volstaan met de conclusie dat met de uitwerking van de waterbergingsopgave voldoende is aangetoond hoe de waterinfiltratie wordt uitgevoerd. Het college heeft echter niet beoordeeld of met deze uitwerking daadwerkelijk aan de waterbergingsopgave wordt voldaan. Een inhoudelijke afweging ontbreekt daarmee. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.
8.3.
Voor zover eisers aanvoeren dat de waterinfiltratie in relatie tot het welzijn van de boom moet worden beoordeeld betreft dit een nieuwe beroepsgrond. De rechtbank laat deze daarom buiten beschouwing.
De perceelsgrens
8.4.
Het college heeft tenslotte een situatietekening waarop de bergingen van de aangrenzende terreinen zijn aangegeven aan de vergunning als bijlage toegevoegd. Volgens het college is het bouwen van de garageboxen in de erfgrens vergelijkbaar met het bouwen van berging behorende bij een woning en rechtstreeks toegelaten volgens het bestemmingsplan. Het college stelt dat het tussen buren is om onderling afspraken te maken over de uitvoerbaarheid hiervan. Het college merkt op dat door vergunninghoudster het voorstel is gedaan voor aansluiting van de houten berging van eisers op de prefab garageboxen. Het voorstel is de planken van de houten schuurtjes aan de zijde van het perceel [adres] te vervangen door speciale Knauf platen die onderhoudsvrij en brandwerend zijn. De waterslag zorgt ervoor dat er geen vocht tussen de garageboxen en de schuur loopt. Het college is van mening dat hiermee antwoord is gegeven op de zorgen van eisers inzake het tegen elkaar bouwen van de bergingen.
8.5.
Eiser stellen dat het college niet is ingegaan op de bestaande schutting maar enkele op de bestaande houten bijgebouwen. De schutting staat niet ingetekend, maar hier wordt wel tegenaan gebouwd. Volgens eisers blijkt uit het voorstel van vergunninghoudster dat tegen de bestaande houten bijgebouwen niet zomaar prefab-garages kunnen worden geplaatst. Daartoe zouden eerst de bestaande bijgebouwen op de naburige percelen moeten worden verbouwd.
8.6.
De rechtbank overweegt dat zij in de tussenuitspraak het college heeft opgedragen om gemotiveerd te beoordelen of de aangepaste situering van de garageboxen, met inachtneming van de belangen van de betrokken omwonenden, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak daarbij expliciet aangegeven dat het college moest betrekken of het bouwplan feitelijk uitvoerbaar is als de betrokken omwonenden geen medewerking willen verlenen aan het voorstel van vergunninghoudster. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de opmerking in de aanvullende motivering dat het aan de buren is om hierover onderling afspraken te maken het geconstateerde gebrek niet hersteld.
Tot slot
9. De rechtbank begrijpt dat vergunninghoudster het betreurt dat de procedure zo lang duurt en dat zij hier ingrijpende gevolgen van ondervindt, maar dit kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover eisers zich beroepen op een privaatrechtelijke belemmering laat de rechtbank dit buiten beschouwing. Dit betreft een nieuwe beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat in de tussenuitspraak het bestreden besluit als gebrekkig is beoordeeld en het college de daarin genoemde gebreken onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat voor de beslissing op de aanvraag om de omgevingsvergunning een nadere bestuurlijke afweging nodig is. Het college moet daarom een nieuw besluit op de aanvraag nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
10.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 1 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.