Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8425

2026-09-01 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12302548 VV EXPL 26-75 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12302548 VV EXPL 26-75 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verstek. Ontruiming vanwege huurachterstand van inmiddels zes maanden. Toewijzing betaling huurachterstand.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.544 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummer: 12302548 \ VV EXPL 26-75




Vonnis in kort geding van 1 september 2026




in de zaak van




B.V. BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ BHC,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: BHC,
gemachtigde: mr. K. Drissen,



tegen





[huurder] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
niet verschenen.





De zaak in het kort

Huurder heeft een huurachterstand laten ontstaan van inmiddels zes maanden. Huurder is niet verschenen en tegen hem wordt verstek verleend. De vordering tot ontruiming komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en wordt toegewezen. Daarnaast moet huurder de huurachterstand betalen.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding in kort geding van 28 juli 2026 met producties,


de akte met wijziging van eis van BHC,


de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.







2De feiten


2.1.
In augustus 2020 hebben BHC en [huurder] een huurovereenkomst gesloten, waarbij [huurder] de woning aan het [adres] huurt. De huurprijs bedraagt momenteel € 1.172,25. In de huurovereenkomst staat onder meer:



“11.1 (…)


b. een boete van € 35,00 voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt, bij overtreding van artikel 4.1 en 4.2 (veranderingen en toevoegingen), 8 (antennes),


10 (zonwering), 14.2 en 14.3 sub b (reclame, ventilatie- en rookkanalen) van de algemene bepalingen, met een maximum van € 7.000,00, onverminderd zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding;

(…)




11.2

Voor iedere overtreding van een verplichting uit deze huurovereenkomst en bijbehorende algemene bepalingen, voor zover niet reeds hiervoor in artikel 11.1 genoemd, is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 100,00 per kalenderdag verschuldigd, met een maximum van € 2.000,00 onverminderd zijn gehoudenheid om alsnog aan deze verplichting te voldoen en onverminderd verhuurders recht op (aanvullende) schadevergoeding. Indien verhuurder een professionele partij is, is dit artikel 11.2 niet van toepassing.”.




2.2.

Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van toepassing. Hierin staat onder meer:

“25.5 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte koten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.”.





2.3.
Er is een huurachterstand ontstaan van € 7.127,28 berekend tot en met augustus 2026.



2.4.
Op 16 juni 2026 heeft (de gemachtigde van) BHC een sommatie verzonden met het verzoek om binnen 14 dagen het openstaande bedrag te betalen.





3Het geschil


3.1.
BHC vordert samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert BHC veroordeling van [huurder] tot betaling van € 13.077,28 aan huurachterstand en contractuele boete, vermeerderd met rente en kosten. BHC legt aan de vordering ten grondslag dat [huurder] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit de huurovereenkomst.



3.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Ter zitting waren namens BHC aanwezig [persoon], bijgestaan door mr. M.A.A.M. van Brunschot.



3.3.


[huurder] is ondanks dat hij behoorlijk is gedagvaard volgens de bij wet bepaalde termijnen en formaliteiten niet ter zitting verschenen en heeft ook niet om uitstel verzocht. Tegen [huurder] wordt verstek verleend.

4. De beoordeling





Spoedeisend belang




4.1.
Voldoende is gebleken dat BHC een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening tot ontruiming van de woning. De kantonrechter is van oordeel dat het ten tijde van dagvaarding gaat om een aanzienlijke huurachterstand die maar blijft oplopen, zodat van BHC niet kan worden gevraagd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.



Toetsingskader




4.2.
In dit kort geding is het de vraag of op basis van de nu aanwezige feiten in een eventuele bodemprocedure zeer waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zullen worden toegewezen en vooruitlopend hierop de vordering tot ontruiming in dit kort geding kan worden toegewezen.



4.3.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.



Ontruiming




4.4.
Nu [huurder] niet is verschenen en de stellingen van BHC niet zijn weersproken, moet er van uit worden gegaan dat er ten tijde van dagvaarding sprake was van een huurachterstand van vijf maanden. Deze is gedurende deze procedure verder opgelopen tot zes maanden. De kantonrechter is van oordeel dat deze tekortkoming van [huurder] zodanig ernstig is dat het zeer aannemelijk is dat dit een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt in een eventuele bodemprocedure. De vordering tot ontruiming in dit kort geding komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure de vordering tot ontruiming van de woning toewijzen. Daarbij acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van 14 dagen na datum van dit vonnis een redelijke termijn.



Geen machtiging, dwangsom en ontruimingskosten




4.5.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat dit op grond van artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is. De gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder en deze heeft geen rechterlijke machtiging nodig om de hulp van de sterkte arm in te roepen. De gevorderde dwangsom zal ook worden afgewezen nu de wet al in een dwangmiddel voorziet bij ontruiming en BHC onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is.



4.6.
De gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen, omdat de met de ontruiming gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt en dit kan niet op voorhand worden beoordeeld.



Betaling huurachterstand




4.7.
Als onweersproken staat vast dat er sprake is van een huurachterstand van € 7.127,28 berekend tot en met augustus 2026. De gevorderde betaling hiervan kan worden toegewezen.



Geen buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente




4.8.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in artikel 11.2 van de huurovereenkomst en 25.2 van de algemene voorwaarden zijn getoetst en oneerlijk bevonden en worden daarom vernietigd.



4.9.
Artikel 11.2 van de huurovereenkomst moet naar het oordeel van de kantonrechter als oneerlijk worden aangemerkt. Door de ruime formulering geeft het beding BHC de mogelijkheid een boete op te leggen aan [huurder] als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. De boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd bij het niet (op tijd) betalen van de huur. Weliswaar staat in de laatste zin dat het beding niet van toepassing is als verhuurder een professionele partij is, maar wanneer sprake is van een professionele partij wordt niet nader gespecificeerd. Dit heeft tot gevolg dat de uitleg van dit begrip afhankelijk is van de interpretatie van partijen, en het geeft BHC daarmee de mogelijkheid een beroep te doen op dit beding. Dit maakt het beding niet transparant. Het boetebeding verstoort het evenwicht tussen partijen aanzienlijk, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk. Overigens heeft BHC voor de contractuele boete ten onrechte verwezen naar artikel 11.1 sub b van de huurovereenkomst. Dit beding verwijst naar artikel 4.1 van de algemene bepalingen (veranderingen aan het gehuurde) en niet zoals BHC heeft uitgelegd naar artikel 4.1 van de huurovereenkomst (verplichting tot huurbetaling).



4.10.

Artikel 25.2 van de algemene voorwaarden over de buitengerechtelijke incassokosten wijkt ten nadele van de consument (huurder) af van de wettelijke regeling.
Hoewel het artikel verwijst naar de wettelijke regeling, wordt er van uitgegaan dat de huurder (in beginsel) verplicht is om alle kosten te betalen die door de verhuurder zijn gemaakt door het niet nakomen van de huurovereenkomst. Dit kan ertoe leiden dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument komen en dit kan meer zijn dan wettelijk is toegestaan. Het beding over de buitengerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk en wordt vernietigd.




4.11.
Nu sprake is van oneerlijk bedingen, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde wettelijke rente en vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.




Proceskosten




4.12.

[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BHC worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


129,54







- griffierecht


€


559,00







- salaris gemachtigde


€


577,00







- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.409,54











4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van BHC zijn, en de sleutels af te geven aan BHC,



5.2.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan BHC € 7.127,28 aan achterstallige huur tot en met 1 augustus 2026,



5.3.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.409,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

















































Artikel 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 444 Rv.


Artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.


Hof van Justitie EU 27 januari 2021, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).