Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8422
2026-08-21
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 26/1717
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De uitbreiding kan niet worden gesplitst in een aanbouw op de begane grond en een uitbreiding van het hoofdgebouw op de verdieping. Dat betekent dat de vergunning niet als passend in het bestemmingsplan verleend kan worden. Het beroep is gegrond en de vergunning wordt vernietigd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:1446 Raad van State 02-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.885 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1717
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de rechtbank op de zitting van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een uitbreiding van de begane grond en een dakopbouw aan de [adres] te [woonplaats] . Eiseres woont in de woning naast de woning waarvoor vergunning is verleend en is het niet eens met deze vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.
Procesverloop
2. De vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het vergroten van de woning door een uitbreiding van de aanbouw op de begane grond en het plaatsen van een opbouw daarop. Het college heeft de vergunning op 8 oktober 2025 verleend. Met het bestreden besluit van 11 februari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de vergunning in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr. B. van den Broek namens het college en de vergunninghouder in persoon.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
bouwactiviteit (omgevingsplan)
bouwactiviteit (technisch)
De vergunning is verleend als passend in het omgevingsplan.
Omgevingsplan gemeente Tilburg
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Loven 2016’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
4.1.
In het bestemmingsplan heeft het perceel [adres] te [woonplaats] de bestemming ‘Wonen’. Hier is een uitbreiding van het hoofdgebouw toegestaan binnen het bouwvlak. Aan- en uitbouwen mogen binnen het bouwvlak en in het erf worden gebouwd. Deze mogen maximaal uit één bouwlaag bestaan. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 meter.
Splitsing bouwwerken
5. De rechtbank is van oordeel dat het vergunde bouwwerk als één geheel moet worden beoordeeld. Bouwkundig valt de uitbouw op de verdieping niet los te zien van de aan- of uitbouw op de begane grond die ook wordt vergroot. Dit is daarom één bouwwerk. Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling mag dit niet gesplitst worden beoordeeld.
Past de uitbreiding in het bestemmingsplan?
5. De rechtbank is van oordeel dat het vergunde bouwwerk in zijn geheel moet worden aangemerkt als een aan- of uitbouw. De vergunde vergroting van de woning bestaat uit een aan- of uitbouw op de begane grond en een opbouw daarboven, aansluitend aan de bestaande achtergevel van de woning die gezamenlijk door hun vorm onderscheiden kunnen worden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn. Door het platte dak op de opbouw en daarmee een hoogte die ruim 2,5 meter lager is, onderscheidt het zich van het bestaande hoofdgebouw, dat voorzien is van een schuine kap. Dat de extra ruimtes in functioneel opzicht bij de woning en het hoofdgebouw zullen horen, doet niet ter zake, omdat dat de definitiebepalingen in het bestemmingsplan zich uitsluitend op de uiterlijke verschijningsvorm richten.
5.1.
Het gevolg van het feit dat het hier om een aan- of uitbouw gaat en niet om het vergroten van het hoofdgebouw is dat voldaan moet worden aan de bouwvoorschriften voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Dat betekent dat het bouwplan niet in het bestemmingsplan past. Dat staat immers geen aan- of uitbouw toe die hoger is dan de hoogte van de eerste bouwlaag vermeerderd met 50 centimeter voor de dakconstructie. Het college had de vergunning dus niet zo – als ware het een binneplanse omgevingsplanactiviteit – mogen verlenen. Het beroep is daarom gegrond.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat de vergunning niet op deze wijze verleend had mogen worden. Zij zal de beslissing op bezwaar daarom vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat de aanvraag open komt te liggen en dat het college daarop alsnog moet beslissen.
6.1.
Of het college er daarna voor kiest de vergunning als een buitenplanse omgevingsactiviteit te verlenen, staat thans niet ter beoordeling.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting), bij een wegingsfactor 1 met een waarde per punt van € 934,-. Toegekend wordt € 1.868,-. De rechtbank zal tevens bepalen dat het griffierecht door het college moet worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 februari 2026;
- herroept het primaire besluit van 8 oktober 2025;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 13.2.2 van de planvoorschriften.
Artikel 13.2.3 van de planvoorschriften.
ABRvS, 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1446, r.o. 4.1.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1717
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de rechtbank op de zitting van 21 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een uitbreiding van de begane grond en een dakopbouw aan de [adres] te [woonplaats] . Eiseres woont in de woning naast de woning waarvoor vergunning is verleend en is het niet eens met deze vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.
Procesverloop
2. De vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het vergroten van de woning door een uitbreiding van de aanbouw op de begane grond en het plaatsen van een opbouw daarop. Het college heeft de vergunning op 8 oktober 2025 verleend. Met het bestreden besluit van 11 februari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de vergunning in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr. B. van den Broek namens het college en de vergunninghouder in persoon.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
bouwactiviteit (omgevingsplan)
bouwactiviteit (technisch)
De vergunning is verleend als passend in het omgevingsplan.
Omgevingsplan gemeente Tilburg
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Loven 2016’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
4.1.
In het bestemmingsplan heeft het perceel [adres] te [woonplaats] de bestemming ‘Wonen’. Hier is een uitbreiding van het hoofdgebouw toegestaan binnen het bouwvlak. Aan- en uitbouwen mogen binnen het bouwvlak en in het erf worden gebouwd. Deze mogen maximaal uit één bouwlaag bestaan. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5 meter.
Splitsing bouwwerken
5. De rechtbank is van oordeel dat het vergunde bouwwerk als één geheel moet worden beoordeeld. Bouwkundig valt de uitbouw op de verdieping niet los te zien van de aan- of uitbouw op de begane grond die ook wordt vergroot. Dit is daarom één bouwwerk. Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling mag dit niet gesplitst worden beoordeeld.
Past de uitbreiding in het bestemmingsplan?
5. De rechtbank is van oordeel dat het vergunde bouwwerk in zijn geheel moet worden aangemerkt als een aan- of uitbouw. De vergunde vergroting van de woning bestaat uit een aan- of uitbouw op de begane grond en een opbouw daarboven, aansluitend aan de bestaande achtergevel van de woning die gezamenlijk door hun vorm onderscheiden kunnen worden van het hoofdgebouw en daaraan in architectonisch opzicht ondergeschikt zijn. Door het platte dak op de opbouw en daarmee een hoogte die ruim 2,5 meter lager is, onderscheidt het zich van het bestaande hoofdgebouw, dat voorzien is van een schuine kap. Dat de extra ruimtes in functioneel opzicht bij de woning en het hoofdgebouw zullen horen, doet niet ter zake, omdat dat de definitiebepalingen in het bestemmingsplan zich uitsluitend op de uiterlijke verschijningsvorm richten.
5.1.
Het gevolg van het feit dat het hier om een aan- of uitbouw gaat en niet om het vergroten van het hoofdgebouw is dat voldaan moet worden aan de bouwvoorschriften voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Dat betekent dat het bouwplan niet in het bestemmingsplan past. Dat staat immers geen aan- of uitbouw toe die hoger is dan de hoogte van de eerste bouwlaag vermeerderd met 50 centimeter voor de dakconstructie. Het college had de vergunning dus niet zo – als ware het een binneplanse omgevingsplanactiviteit – mogen verlenen. Het beroep is daarom gegrond.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat de vergunning niet op deze wijze verleend had mogen worden. Zij zal de beslissing op bezwaar daarom vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat de aanvraag open komt te liggen en dat het college daarop alsnog moet beslissen.
6.1.
Of het college er daarna voor kiest de vergunning als een buitenplanse omgevingsactiviteit te verlenen, staat thans niet ter beoordeling.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting), bij een wegingsfactor 1 met een waarde per punt van € 934,-. Toegekend wordt € 1.868,-. De rechtbank zal tevens bepalen dat het griffierecht door het college moet worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 februari 2026;
- herroept het primaire besluit van 8 oktober 2025;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 13.2.2 van de planvoorschriften.
Artikel 13.2.3 van de planvoorschriften.
ABRvS, 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1446, r.o. 4.1.