Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8378
2026-08-31
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
BRE 26/4506 VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Wel nieuwe feiten, maar geen belangrijke wijziging. Afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6199 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:CRVB:2020:2141 Centrale Raad van Beroep 07-09-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.265 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4506
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 16 juni 2026 (bestreden besluit) waarbij hem de toegang tot de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne aan [adres 1] is ontzegd wegens een geweldsincident.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tegen het bestreden besluit al eerder een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. In die uitspraak is vermeld dat verzoeker op dat moment op een aparte locatie in [plaats 2] gehuisvest is, van waaruit hij zijn gezin zou kunnen blijven zien. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de onduidelijkheid of verzoeker met zijn gezinsleden in de praktijk een gezin vormt, in de bezwaarprocedure beoordeeld moet worden. Omdat hij op dat moment een dak boven zijn hoofd heeft, is volgens de voorzieningenrechter in zoverre voldaan aan de eisen van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) waardoor er op dat moment geen reden was voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.1.
Het vorenstaande betekent dat het voorliggende verzoek moet worden aangemerkt als een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan volgens vaste rechtspraak alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen, als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
2.2.
In dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat hij op 20 juli 2026 in het ziekenhuis opgenomen is geweest met chronisch hartfalen. Verzoeker mist op zijn huidige woonlocatie de zorg en ondersteuning van zijn gezin nu zij gescheiden leven. Hij wenst daarom, in afwachting van de bezwaarprocedure, weer opgevangen te worden op de locatie aan de [straat] te [plaats 3] . Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verzoeker een brief van [cardioloog] (cardioloog) van 28 juli 2026 overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verzoeker op 10 juli 2026 schriftelijk heeft bericht dat de opvang te [plaats 3] per 16 juni 2026 is beëindigd en dat hem per 10 juli 2026 opvang wordt aangeboden in de gemeentelijke opvanglocatie aan het [adres 2] . In die zin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Verzoeker bevindt zich namelijk inmiddels op een grotere afstand van zijn gezin, dat nog in de opvang in [plaats 3] verblijft. Deze wijziging in feiten en omstandigheden acht de voorzieningenrechter echter niet zodanig dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Het enkele feit dat verzoeker op een andere locatie verblijft dan zijn gezin, betekent nog niet dat sprake is van een onevenredige inbreuk op het recht op gezinsleven. Nog los van het feit dat de beëindiging van de opvang te [plaats 3] het gevolg is van zijn eigen handelen, is niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is om contact met zijn gezin te onderhouden en hen te zien. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker bij zijn verzoek om voorlopige voorziening een schriftelijke verklaring van zijn echtgenote heeft overgelegd. Daarin heeft verzoekers echtgenote verklaard dat verzoeker en zij sinds de uitzetting van verzoeker uit de opvanglocatie in [plaats 3] het contact niet zijn verloren en dat zij nog steeds tijd samen met de kinderen doorbrengen. Verzoeker heeft, ondanks die uitzetting, dus nog omgang met zijn echtgenote en kinderen gehad. Weliswaar is de afstand tussen beide opvanglocaties nu groter en heeft verzoeker gesteld dat hij wegens medische klachten tot 4 september 2026 niet zelf auto mag rijden, maar een onderbouwing met (medisch) objectiveerbare gegevens van die stelling ontbreekt. Uit de door verzoeker overgelegde brief van de cardioloog blijkt niet dat verzoeker voorlopig niet mag autorijden. Evenmin wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met die brief onderbouwd dat verzoeker vanwege zijn medische situatie is aangewezen op (na)zorg door zijn echtgenote en dat hij om die reden bij haar zou moeten verblijven. Hoewel ook vanwege de medische ingreep op 20 juli 2026 gesproken kan worden van nieuwe feiten en omstandigheden, ziet de voorzieningenrechter ook daarin geen aanleiding om een voorlopige voorziening in afwachting van de bezwaarprocedure toe te kennen. Verzoekers stelling dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie terug dient te keren naar de opvanglocatie te [plaats 3] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd.
2.4.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden die maakt dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 31 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBZWB:2026:6199
ECLI:NL:CRVB:2020:2141
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4506
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (college), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 16 juni 2026 (bestreden besluit) waarbij hem de toegang tot de gemeentelijke opvang voor ontheemden uit Oekraïne aan [adres 1] is ontzegd wegens een geweldsincident.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tegen het bestreden besluit al eerder een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. In die uitspraak is vermeld dat verzoeker op dat moment op een aparte locatie in [plaats 2] gehuisvest is, van waaruit hij zijn gezin zou kunnen blijven zien. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de onduidelijkheid of verzoeker met zijn gezinsleden in de praktijk een gezin vormt, in de bezwaarprocedure beoordeeld moet worden. Omdat hij op dat moment een dak boven zijn hoofd heeft, is volgens de voorzieningenrechter in zoverre voldaan aan de eisen van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) waardoor er op dat moment geen reden was voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.1.
Het vorenstaande betekent dat het voorliggende verzoek moet worden aangemerkt als een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan volgens vaste rechtspraak alleen dan voor toewijzing in aanmerking komen, als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.
2.2.
In dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat hij op 20 juli 2026 in het ziekenhuis opgenomen is geweest met chronisch hartfalen. Verzoeker mist op zijn huidige woonlocatie de zorg en ondersteuning van zijn gezin nu zij gescheiden leven. Hij wenst daarom, in afwachting van de bezwaarprocedure, weer opgevangen te worden op de locatie aan de [straat] te [plaats 3] . Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verzoeker een brief van [cardioloog] (cardioloog) van 28 juli 2026 overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verzoeker op 10 juli 2026 schriftelijk heeft bericht dat de opvang te [plaats 3] per 16 juni 2026 is beëindigd en dat hem per 10 juli 2026 opvang wordt aangeboden in de gemeentelijke opvanglocatie aan het [adres 2] . In die zin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Verzoeker bevindt zich namelijk inmiddels op een grotere afstand van zijn gezin, dat nog in de opvang in [plaats 3] verblijft. Deze wijziging in feiten en omstandigheden acht de voorzieningenrechter echter niet zodanig dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. Het enkele feit dat verzoeker op een andere locatie verblijft dan zijn gezin, betekent nog niet dat sprake is van een onevenredige inbreuk op het recht op gezinsleven. Nog los van het feit dat de beëindiging van de opvang te [plaats 3] het gevolg is van zijn eigen handelen, is niet gebleken dat het voor verzoeker niet mogelijk is om contact met zijn gezin te onderhouden en hen te zien. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker bij zijn verzoek om voorlopige voorziening een schriftelijke verklaring van zijn echtgenote heeft overgelegd. Daarin heeft verzoekers echtgenote verklaard dat verzoeker en zij sinds de uitzetting van verzoeker uit de opvanglocatie in [plaats 3] het contact niet zijn verloren en dat zij nog steeds tijd samen met de kinderen doorbrengen. Verzoeker heeft, ondanks die uitzetting, dus nog omgang met zijn echtgenote en kinderen gehad. Weliswaar is de afstand tussen beide opvanglocaties nu groter en heeft verzoeker gesteld dat hij wegens medische klachten tot 4 september 2026 niet zelf auto mag rijden, maar een onderbouwing met (medisch) objectiveerbare gegevens van die stelling ontbreekt. Uit de door verzoeker overgelegde brief van de cardioloog blijkt niet dat verzoeker voorlopig niet mag autorijden. Evenmin wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met die brief onderbouwd dat verzoeker vanwege zijn medische situatie is aangewezen op (na)zorg door zijn echtgenote en dat hij om die reden bij haar zou moeten verblijven. Hoewel ook vanwege de medische ingreep op 20 juli 2026 gesproken kan worden van nieuwe feiten en omstandigheden, ziet de voorzieningenrechter ook daarin geen aanleiding om een voorlopige voorziening in afwachting van de bezwaarprocedure toe te kennen. Verzoekers stelling dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie terug dient te keren naar de opvanglocatie te [plaats 3] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd.
2.4.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden die maakt dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 31 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBZWB:2026:6199
ECLI:NL:CRVB:2020:2141