Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8200
2026-08-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 24/4250 t/m 24/4255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank laat de correcties van het resultaat uit overige werkzaamheid in stand, die zijn gemaakt vanwege de inkomsten die belanghebbende heeft genoten en zijn betrokkenheid bij het samenwerkingsverband. De rechtbank beoordeelt tevens de opgelegde boetes.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5460 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-08-2025
- ECLI:NL:HR:2022:526 Hoge Raad 08-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2297 Gerechtshof Amsterdam 17-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (58.072 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4250 tot en met 24/4255
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 15 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft over het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen een boete aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. De inspecteur heeft voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen IB/PVV aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen boetes aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor de jaren 2017, 2018 en 2019 (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan hem in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:
Zaaknr.
Jaar
Soort
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Boete
Rente
24/4250
2017
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.77.01
€ 26.036
€ 13.590
€ 3.271
24/4251
2017
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.77.01.4
€ 2.899
-
€ 348
24/4252
2018
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.86.01
€ 1.348.867
€ 674.433
€ 110.252
24/4253
2018
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.86.01.4
€ 3.085
-
€ 148
24/4254
2019
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.96.01
€ 849.269
€ 424.634
€ 35.407
24/4255
2019
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.96.01.4
€ 3.187
-
€ 113
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de onder 1.1. genoemde (navorderings)aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist. De beslissing van de geheimhoudingskamer is naar partijen verzonden.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van [persoon 1] , de echtgenote van belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. De boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moeten worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is in de onderhavige jaren getrouwd met [persoon 1] . Zij hebben samen twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] .
3.1.
Belanghebbende handelt in de onderhavige jaren in oud ijzer en tweedehandsauto’s.
Start strafrechtelijke onderzoeken
3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).
3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.
Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019
3.4.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2017. Daarbij is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 1.614. De aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 zijn overeenkomstig de aangifte opgelegd. Ook heeft de inspecteur bij beschikking de te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 1.614.
3.5.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2018 en een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 in overeenstemming met de aangifte opgelegd.
3.6.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2019 en een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 7.981.
Boekenonderzoek
3.7.
De inspecteur heeft op 13 november 2019 door het persoonlijk achterlaten van een brief op het adres [adres] in [plaats 1] aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019.
3.8.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.
3.9.
De inspecteur heeft op 19 januari 2021 en 2 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Liber en Calabrese te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken).
3.10.
Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR.
3.11.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“
6 RIEC casus [naam]
(…)
6.2
Calabrese
(…)
Fiscale insteek
Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en
niet
van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.
Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.
Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:
Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01
Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02
Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03
Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04
Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid
Amerika.docx)
bijlage 6-05
Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:
(…)
6.3.
Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers
NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”
En:
“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv
In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.
Diverse kosten en investeringen
In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.
Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.
Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.
Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.
Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.
NB: Informatie uit ovc-gesprekken
Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.
(…)
7.6
Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019
Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen
gedistilleerd.
(…)
(…)
(…)
”
En:
“
9 Crimineel samenwerkingsverband
(…)
9.2
Theoretisch kader
(…)
Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers.
Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 2] , [persoon 3] (1960), [belanghebbende] (1964), [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] .
Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen
samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”;
[persoon 2] 50%
[persoon 3] (1960) 10%
[belanghebbende] (1964) 10%
[persoon 4 ] (1979) 10%
[persoon 5] 10%
De resterende 10% wordt verdeeld onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.”
En:
“
Belastingplichtige [belanghebbende] (1964)
Hij is een oudere broer van de leider van het samenwerkingsverband. Hij was samen met zijn vrouw de boekhouder en kassier van de organisatie. Hij faciliteerde de organisatie door zijn woning en schuur ter beschikking te stellen van de organisatie. De schuur achter de woning werd door hen gebruikt als kantoor. De schuur werd gebruikt als handelsplaats. De schuur werd ook buiten de aanwezigheid van de leider gebruikt door leden van de organisatie. Iedereen die daar aanwezig was mocht gebruik maken van alle faciliteiten die daar aanwezig waren. Men gebruikte de schuur om vrij en onbespied te kunnen overleggen. Dit blijkt uit het feit dat de schuur werd onderworpen aan een controle naar opsporingsmiddelen. Daarnaast blijkt uit opnamen dat zijn woning werd gebruikt om geld te tellen en is in de woning tijdens de zoekactie een groot bedrag aan geld aangetroffen, ongeveer € 263.000. Dit geld was geseald in plastic en vacuüm getrokken. Hij was actueel op de hoogte van door de organisatie gepleegde strafbare feiten/activiteiten en nam deel aan gesprekken hierover. Voorts was hij actief in de uitvoering.
(…)
Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als een actief lid van het samenwerkingsverband. Bij vrijwel alle feiten waarvan de groepering verdacht wordt is hij betrokken geweest. Per verdenking zal hieronder aangegeven worden welke rol belastingplichtige toebedeeld kan worden.”
En:
“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek
In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.
10.1
Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV
De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.
”
3.12.
De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019. Het kassaldo over het jaar 2018 was positief € 5.938,61. Verder is geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de jaren 2017 en 2019. Het betreft de volgende bedragen.
2017: € 3.267,47
2019: € 12.870,47
3.13.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2017 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.874, volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie), respectievelijk een maximaal bijdrage-inkomen.
3.14.
Verder heeft de inspecteur naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 (zie 1.1) vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.612.782 (2018) respectievelijk € 1.659.746 (2019), volledig bestaande uit een ROW-correctie. De aanslagen Zvw 2018 en 2019 (zie 1.1) zijn door de inspecteur vastgesteld naar een maximaal bijdrage-inkomen.
Veroordelingen
3.15.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar vanwege – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.
3.16.
In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”
En:
“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”
En:
“Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres] te [plaats 1] , zijnde de woning van [belanghebbende] (1964) en [persoon 1] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte.
(…)
Door [persoon 2] , [persoon 6] , [persoon 7] , [belanghebbende] (1964), [persoon 9] en [persoon 8] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor".
(…)
Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.”
En:
“Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie
Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.
[persoon 2] werd als baas binnen de organisatie gezien.
(…)
Naast een duidelijke rol van [persoon 2] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 1] beheerde in haar woning aan de [adres] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [persoon 2] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [belanghebbende] (1964) verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot ("waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald") ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [persoon 1] samen met haar man, [belanghebbende] (1964). Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [persoon 1] en [belanghebbende] (1964), is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres] te [plaats 1] op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [persoon 2] noemde [belanghebbende] (1964) ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [persoon 1] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [persoon 2] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [belanghebbende] (1964) en [persoon 1] de tot hun woning aan de [adres] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.”
En:
“Het bestaan van een organisatie
Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.”
En:
“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie
Dat [belanghebbende] (1964) tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde - hiervoor besproken — strafbare feiten waaruit, voor zover bewezenverklaard, blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] (1964) daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] (1964) minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was. [belanghebbende] (1964) is in het bijzonder actief betrokken geweest bij de belangrijke
takken van de criminele organisatie, namelijk drugs, wapens en witwassen.”
En:
“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. De verdachte, broer van de leider van organisatie [persoon 2] , heeft de organisatie gefaciliteerd door zijn schuur, met daarin gesitueerd voornoemd ‘kantoor’, ter beschikking te stellen ten behoeve van het beramen, voorbereiden en plegen van strafbare feiten door die organisatie. Daarnaast fungeerde de verdachte - in de bewoordingen van [persoon 2] - als de 'bankier'/de ‘kassière’ van de organisatie. Hij beheerde samen met zijn echtgenote de gezamenlijke ‘pot’ van de organisatie in hun woning en zij verrichtten uitbetalingen aan deelnemers ervan en aan derden. Ook is de verdachte zelf betrokken geweest bij diverse strafbare feiten, zoals drugs, wapens en witwassen. Weliswaar komt uit het dossier niet naar voren dat de verdachte binnen de organisatie vaak zelfstandig
opereerde of sturend optrad, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, het hof is echter van oordeel dat verdachte wel een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het bestaan en de continuïteit van de organisatie. Het zelfstandig opereren en sturend optreden deed namelijk in het bijzonder slechts één persoon binnen de organisatie: de leider [persoon 2] . Met andere woorden: het hof kwalificeert de rol van de verdachte, anders dan de rechtbank, niet als er een van ondergeschikte betekenis, maar is wel van oordeel dat deze beperkter is dan van sommige andere verdachten.
(…)
Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.
De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.
Verdachte is als lid van de criminele organisatie specifiek betrokken geweest bij het
opzettelijk verwerken en aanwezig hebben van MDMA en/ofmetamfetamine en de
bewerking en verwerking van cocaïne.
(…)
Het hof komt bij de verdachte, anders dan de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring van het verhandelen van vuurwapens, maar weegt dit niet in strafverminderende zin mee. Het hof overweegt hiertoe dat de verdachte wel lid was van een criminele organisatie waarin het verhandelen van vuurwapens een belangrijk onderdeel van de criminele bezigheden was. De verdachte wist dat dit plaatsvond en heeft bovendien gedurende een aanzienlijke periode meermalen vuurwapens voorhanden gehad op het kamp, waaronder de enorme hoeveelheid vuurwapens die tijdens de doorzoekingen in de stashlocaties is aangetroffen. Dit betrof een handelshoeveelheid en de verdachte heeft als lid van de criminele organisatie bijgedragen aan het in stand houden van deze handel en het voorhanden hebben van deze wapens. Het hof tilt hier zwaarder aan dan de rechtbank. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw, dat de verhandelde vuurwapens geschikt zijn voor en gebruikt kunnen worden bij het plegen van ernstige strafbare feiten, waaronder gewelds- en levensdelicten. Wie de vuurwapens in concreto verkocht en overdroeg, vindt het hof gelet op de omvang van de bedrijvigheid rondom vuurwapens van minder groot belang. Dat doet niet af aan de ernst en omvang van het wapendelict.
Verdachte hield zich als lid van de organisatie ook intensief bezig met het witwassen van crimineel geld. Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen beheerde hij samen met zijn echtgenote de kas (de ‘pot’) van de organisatie en voerden zij gezamenlijk de boekhouding ervan. Ook verrichtten zij uitbetalingen aan leden van de organisatie en derden. Verdachte en zijn echtgenote hadden daartoe de contante gelden van de organisatie in bewaring, ten tijde van de doorzoekingen bestaande uit ruim € 250.000,-. Ook hebben verdachte en zijn echtgenote in februari 2019 € 700.000,- aan contanten bij elkaar gehad, geteld en aan enkele leden van de organisatie ter beschikking gesteld om daarmee naar Bulgarije afte reizen in verband met een mede door [persoon 2] opgezette witwasconstructie en de daarmee gefinancierde onroerend goed transactie in [plaats 2] .
(…)
Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur (financieel) eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld
zoals bewezen is verklaard.”
Motivering
Omkering bewijslast
4. De inspecteur stelt dat belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur dient daarvoor aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat aan de aangifte inhoudelijke gebreken kleven en daardoor een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet wordt geheven. De rechtbank zal eerst beoordelen of de inspecteur dat aannemelijk heeft gemaakt.
4.1.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in de onderhavige jaren onderdeel uitmaakte van het samenwerkingsverband. Volgens de inspecteur moet het samenwerkingsverband inkomsten hebben gegenereerd om uitgaven en investeringen te kunnen doen, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek (zie 3.11) naar voren komen. De inspecteur meent dat een aandeel van 10% in deze inkomsten aan belanghebbende kan worden toegerekend vanwege zijn rol in het samenwerkingsverband. Daarnaast stelt de inspecteur zich op grond van door hem opgestelde kasopstellingen (3.12) op het standpunt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2019 in ieder geval € 3.267,47 (2017) respectievelijk € 12.870,47 (2019) meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangiften IB/PVV 2017 en 2019. Dat geldt naar zijn mening ook voor 2018, omdat in de vermogensvergelijking nog geen rekening is gehouden met uitgaven voor eten en drinken. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende veel meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en heeft dat inkomen niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.
4.2.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van het samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.
4.3.
De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.16). Voor de jaren 2018 en 2019 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijke inkomsten werden gegenereerd, die niet zijn opgegeven aan de Belastingdienst.
4.4.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.16). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook aannemelijk dat een deel van deze inkomsten aan belanghebbende toekwam. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.16). Belanghebbende heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het bestaan en de continuïteit van de organisatie. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten.
4.6.
Verder laat het negatief netto privé dat volgt uit de kasopstellingen voor de jaren 2017 en 2019 ook zien dat belanghebbende in ieder geval in de jaren 2017 en 2019 meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor die jaren heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking op zichzelf niet betwist en belanghebbende heeft ook geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld dat volgt uit de kasopstellingen van de inspecteur.
4.7.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2017, 2018 en 2019 significant, zowel absoluut als relatief, meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften aan belastbare inkomsten heeft aangegeven.
4.8.
Het niet aangeven van inkomsten heeft ertoe geleid dat de volgens de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangiften niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de opbrengst van het samenwerkingsverband en gelet op het negatief netto privé zonder dat daar in de aangiften inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust was van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat hij buiten het zicht van justitie wilde blijven, maar niet de intentie had om de inkomsten – voor zover hier sprake van zou zijn – buiten het zicht van de inspecteur te houden. Ook al zou belanghebbende de inkomsten buiten het zicht van de inspecteur hebben gehouden, alleen zodat justitie niet op de hoogte zou geraken van de inkomsten, dan nog is dit een bewuste handeling geweest om inkomsten niet te vermelden waardoor te weinig belasting is geheven.
4.9.
Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 als de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019.
Redelijk schatting
4.10.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, 2018 en 2019 onjuist zijn.
4.11.
De rechtbank acht de schattingen van de inspecteur redelijk. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband aannemelijk. De inspecteur heeft de hoogte van de ROW-correcties daarop gebaseerd. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 10% van de gegenereerde inkomsten van het samenwerkingsverband aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn belangrijke rol in het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en niet willekeurig dat de inspecteur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat belanghebbende 10% van de inkomsten van het samenwerkingsverband heeft genoten. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 te hoog zijn vastgesteld.
4.12.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correcties voor de jaren 2017, 2018 en 2019 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 blijven dus in stand.
4.13.
De rechtbank merkt daarbij gelet op de discussie tussen partijen op dat zij gelet op de strafrechtelijke veroordeling en de concrete, gemotiveerde onderbouwing van de inspecteur, ook op grond van een normale bewijslastverdeling tot dit oordeel zou zijn gekomen.
(Navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en belastingrentebeschikkingen
4.14.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de (navorderings)aanslagen Zvw en de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond.
Boetes
4.15.
Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.16.
Verder zijn aan belanghebbende bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 gedaan.
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat belanghebbende onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 heeft gedaan.
4.18.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
4.19.
De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat de aangiften IB/PVV 2018 en 2019 onjuist zijn gedaan. Belanghebbende heeft in 2017, 2018 en 2019 meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden en heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende bewust significant inkomen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Gelet op de rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.16), is de rechtbank ervan overtuigd dat belanghebbende minst genomen een significant deel van dit financiële voordeel toekwam, welke gelden belanghebbende bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden (zie 4.8). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
4.20.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank boetes van € 13.590 (2017), € 674.433 (2018) en € 424.634 (2019) als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van die boetes staat niet in de weg dat de grondslag van deze boetes tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boetes te matigen.
4.21.
De rechtbank ziet aanleiding om de boetes te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’), zoals belanghebbende heeft verzocht. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boetes moeten daarom als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor deze boetes gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boetes vermindert tot € 12.231 (2017), € 671.933 (2018) en € 422.134 (2019).
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.22.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
4.23.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
4.24.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.000.
4.25.
Omdat de bezwaarfase afgerond 30 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – 1 maand te lang, komt € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn gegrond. Dat betekent dat de boetes worden verminderd tot € 12.231 (2017), € 671.933 (2018) en € 422.134 (2019). De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven.
5.1.
Omdat de beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 51 terug. Wat betreft een eventuele proceskostenvergoeding is ter zitting gesteld dat de gemachtigde op grond van door de overheid gefinancierde bijstand – een toevoeging – deze procedure voert en belanghebbende daarom voor deze procedure afziet van het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond die betrekking hebben op de uitspraken op bezwaar over de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en over de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;
verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;
vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot € 12.231;
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2018 tot € 671.933;
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 422.134;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 83,33;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 916,67;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.
griffier
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5460.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002244-21.
Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.16 van deze uitspraak.
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4250 tot en met 24/4255
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 15 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft over het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen een boete aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. De inspecteur heeft voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen IB/PVV aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen boetes aan hem opgelegd en belastingrente aan hem in rekening gebracht. Verder heeft de inspecteur voor de jaren 2017, 2018 en 2019 (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) aan belanghebbende opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan hem in rekening gebracht. Het voorgaande kan als volgt worden weergegeven:
Zaaknr.
Jaar
Soort
Dagtekening
Aanslagnummer
Belasting
Boete
Rente
24/4250
2017
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.77.01
€ 26.036
€ 13.590
€ 3.271
24/4251
2017
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.77.01.4
€ 2.899
-
€ 348
24/4252
2018
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.86.01
€ 1.348.867
€ 674.433
€ 110.252
24/4253
2018
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.86.01.4
€ 3.085
-
€ 148
24/4254
2019
IB/PVV
03-09-2021
[aanslagnummer] H.96.01
€ 849.269
€ 424.634
€ 35.407
24/4255
2019
Zvw
03-09-2021
[aanslagnummer] W.96.01.4
€ 3.187
-
€ 113
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de onder 1.1. genoemde (navorderings)aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist. De beslissing van de geheimhoudingskamer is naar partijen verzonden.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van [persoon 1] , de echtgenote van belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Een afschrift van het proces-verbaal van deze zitting is aan deze uitspraak gevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld. De boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn ook terecht aan belanghebbende opgelegd, maar moeten worden verminderd in verband met ‘undue delay’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is in de onderhavige jaren getrouwd met [persoon 1] . Zij hebben samen twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] .
3.1.
Belanghebbende handelt in de onderhavige jaren in oud ijzer en tweedehandsauto’s.
Start strafrechtelijke onderzoeken
3.2.
De politie eenheid Oost-Brabant is vanaf februari 2017 meerdere opsporingsonderzoeken gestart die onderling met elkaar samenhangen. Het gaat om de onderzoeken Calabrese, Garborone, Sjingan, Abuja, Workington, Maputo, Parmer en Accrington. De paraplubenaming voor deze onderzoeken is Project Noord, later Calabrese. Aan de start van deze strafrechtelijke onderzoeken ligt informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek, genaamd Debussy, ten grondslag. Uit het onderzoek Debussy is bij de politie het vermoeden ontstaan dat belanghebbende en diverse van zijn familieleden en andere personen in georganiseerd verband actief bezig waren met de handel in en/of productie van verdovende middelen (hierna: het samenwerkingsverband).
3.3.
In het Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC) is in 2018 onder de [naam] een casus naar belanghebbende en zijn familieleden gestart wegens het vermoeden van strafbare feiten.
Aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019
3.4.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2017. Daarbij is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil en een restant persoonsgebonden aftrek van € 1.614. De aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 zijn overeenkomstig de aangifte opgelegd. Ook heeft de inspecteur bij beschikking de te verrekenen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op € 1.614.
3.5.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2018 en een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 in overeenstemming met de aangifte opgelegd.
3.6.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2019 en een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 7.981.
Boekenonderzoek
3.7.
De inspecteur heeft op 13 november 2019 door het persoonlijk achterlaten van een brief op het adres [adres] in [plaats 1] aan belanghebbende aangekondigd een onderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2019. Lopende het onderzoek is de reikwijdte van het onderzoek teruggebracht naar de aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2019.
3.8.
De Belastingdienst heeft in juni 2020 de beschikking gekregen over het digitale strafdossier dat is aangelegd voor belanghebbende om dit dossier te beoordelen op fiscale componenten.
3.9.
De inspecteur heeft op 19 januari 2021 en 2 februari 2021 de Officier van Justitie verzocht om aan hem op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegevens en inlichtingen uit de strafrechtelijk onderzoeken Liber en Calabrese te verstrekken met het oog op de beoordeling van de belastingaangiften van belanghebbende (de artikel 55 AWR-verzoeken).
3.10.
Verder heeft de inspecteur informatie ontvangen door uitwisselingen op basis van het RIEC-convenant en door middel van verschillende derdenonderzoeken op grond van artikel 53 van de AWR.
3.11.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat bij brief van 3 september 2021 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. In het controlerapport staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“
6 RIEC casus [naam]
(…)
6.2
Calabrese
(…)
Fiscale insteek
Bij de berekening van het nadeel wordt uitgegaan van de inkoopbedragen en investeringen in goederen, producten en diensten door belastingplichtige / het crimineel samenwerkingsverband en
niet
van de eventuele verdiensten c.q. winsten. Daar waar onduidelijkheid bestaat over de omvang van de goederen en producten en / of de financiële tegenwaarde van deze goederen en producten is gekozen voor de laagst te stellen waarde(n). We gaan dus uit van de minimale positie.
Wij stellen ons op het standpunt dat het csv inkomsten moet hebben gegenereerd om de gemaakte kosten en investeringen te hebben kunnen doen. Deze bedragen worden als correctiebedragen benoemd.
Om bepaalde fiscale nadeelberekeningen te kunnen maken is onderzoek in het strafdossier én in openbare bronnen gedaan om minimale (aankoop) bedragen te duiden. Voor de volgende zaken zijn berekeningen gemaakt:
Eén kilogram cocaïne (document: Berekening inkoopprijs cocaïne.docx)
bijlage 6-01
Eén kilogram apaan (document: Berekening inkoopkosten Apaan.docx)
bijlage 6-02
Eén xtc pil (document: Berekening inkoopprijs xtc-pillen.docx)
bijlage 6-03
Eén kilogram cannabis (document: Berekening inkoopkosten cannabis.docx)
bijlage 6-04
Invoer één container (document: Berekening kosten invoer container uit Zuid
Amerika.docx)
bijlage 6-05
Het strafrechtelijk onderzoek Calabrese omvat de volgende delicten:
(…)
6.3.
Fiscale recapitulatie strafrechtelijke zaakdossiers
NB: De leden van het csv zijn door de politie in bovenstaande strafzaken gehoord. Géén van de leden van het csv heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd. Iedereen beroept zich op het zwijgrecht.”
En:
“
7 Fiscaal onderzoek inkomsten en uitgaven csv
In dit hoofdstuk van de rapportage zal een opsomming gegeven worden van fiscaal onderzoek in strafrechtelijke vastleggingen zoals die in meerdere digitale bestanden hebben plaatsgevonden. Deze vergaarde informatie staat dus los van hetgeen reeds in het strafdossier Calabrese aan de orde is geweest in hoofdstuk 6 van dit rapport. Ondergetekenden hebben onderkend dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van dubbeltellingen. Er is bij de inhoudelijke beoordeling gelet op het voorkomen van dubbeltellingen. In voorkomende gevallen is het fiscale nadeel in de fiscale beoordeling van strafdossier Calabrese opgenomen, zie hoofdstuk 6.
Diverse kosten en investeringen
In dit fiscaal onderzoek is ervoor gekozen de
uitgaven
en investeringen van het csv in beeld te brengen. Na bestudering van de hierboven genoemde informatie over inkomsten en uitgaven is besloten om voor de minimale positie te gaan en ons te richten op de gemaakte kosten en investeringen die het csv heeft gedaan. We hebben ten behoeve van de leesbaarheid een splitsing aangebracht tussen kosten en investeringen betrekking hebbend op de core business van het csv en gemaakte ‘bedrijfskosten’. Ook hier geldt dat door het csv inkomsten moeten zijn gegenereerd om de kosten te hebben kunnen maken en investeringen te hebben kunnen doen.
Boekhouding-administratie
Ook hebben we, na gedaan onderzoek, vastgesteld dat het csv op een andere manier duurzaam bedrijfsmatig handelde, namelijk door het voeren van een boekhouding en het uitvoeren van een (administratieve) controle daarop. Om investeringen en kosten te kunnen betalen is het nodig om een voortdurend zicht te hebben op de financiële situatie. Dat geeft aan dat over het voeren van een administratie is nagedacht en een rolverdeling is bepaald met betrekking tot het verzamelen en vastleggen van aan- en verkopen. Dat betekent vervolgens dat het kasgeld geregeld moest worden geteld en een kasadministratie werd bijgehouden. Het feit dat meerdere geldtelmachines zijn aangetroffen draagt hieraan bij.
Een definitie van boekhouden is het bijhouden van een financiële administratie en dat is wat binnen het csv is vastgesteld aan de hand van gesprekken en aangetroffen primaire bescheiden. Er is géén volledige boekhouding aangetroffen.
Gegenereerde inkomsten
Dat er verdiensten zijn geweest is evident omdat er doorlopend, overtuigend bedrijfsmatig, wordt geïnvesteerd in aankoop van goederen, met name verdovende middelen en uitgaven die met productie van, met name synthetisch drugs en handel in vuurwapens, te maken hebben. Om een beeld te schetsen van de verdiensten geven we in dit hoofdstuk een aantal voorbeelden van gegenereerde inkomsten zoals deze blijken uit vastgelegde informatie, informatie uit pgp telefoons en processen-verbaal van het TCI. Bedrijfseconomisch gezien moeten er verdiensten zijn geweest om vervolgens weer kosten te kunnen betalen of nieuwe investeringen te kunnen doen.
Totaaltelling
Tenslotte is een totaaltelling gemaakt van de uitgaven en gedane investeringen aan de hand van bovengenoemde fiscale onderzoekshandelingen per belastingjaar van de onderzoeksperiode.
NB: Informatie uit ovc-gesprekken
Zoals aangegeven bestaat de voornaamste bron van informatie uit zogenaamde ovc-gesprekken. Dat betekent dat microfoons geplaatst zijn in woningen en werkruimten. De opgenomen en uitgeluisterde gesprekken zijn in processen-verbaal of in mutaties in politie-systemen verwerkt. Deze processen-verbaal en mutaties zijn vervolgens weer de basis voor het uitgevoerde fiscale onderzoek.
(…)
7.6
Recapitulatie kosten en investeringen 2017-2019
Uit de hierboven genoemde informatiebronnen zijn de volgende kosten en investeringen
gedistilleerd.
(…)
(…)
(…)
”
En:
“
9 Crimineel samenwerkingsverband
(…)
9.2
Theoretisch kader
(…)
Wij richten ons primair op de familiaire band en dan nog alleen tussen personen die regelmatig met elkaar activiteiten ontplooien. De overige scharen wij onder medewerkers.
Fiscaal gezien gaan wij uit van een samenwerkingsverband dat bestaat uit de volgende mensen; [persoon 2] , [persoon 3] (1960), [belanghebbende] (1964), [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] .
Daarnaast stellen wij ons op het standpunt dat binnen het door ons aangenomen
samenwerkingsverband sprake is van de volgende verdeling van de “opbrengst”;
[persoon 2] 50%
[persoon 3] (1960) 10%
[belanghebbende] (1964) 10%
[persoon 4 ] (1979) 10%
[persoon 5] 10%
De resterende 10% wordt verdeeld onder medewerkers van de organisatie. Hierop komen wij in specifieke rapportages van deze medewerkers terug.”
En:
“
Belastingplichtige [belanghebbende] (1964)
Hij is een oudere broer van de leider van het samenwerkingsverband. Hij was samen met zijn vrouw de boekhouder en kassier van de organisatie. Hij faciliteerde de organisatie door zijn woning en schuur ter beschikking te stellen van de organisatie. De schuur achter de woning werd door hen gebruikt als kantoor. De schuur werd gebruikt als handelsplaats. De schuur werd ook buiten de aanwezigheid van de leider gebruikt door leden van de organisatie. Iedereen die daar aanwezig was mocht gebruik maken van alle faciliteiten die daar aanwezig waren. Men gebruikte de schuur om vrij en onbespied te kunnen overleggen. Dit blijkt uit het feit dat de schuur werd onderworpen aan een controle naar opsporingsmiddelen. Daarnaast blijkt uit opnamen dat zijn woning werd gebruikt om geld te tellen en is in de woning tijdens de zoekactie een groot bedrag aan geld aangetroffen, ongeveer € 263.000. Dit geld was geseald in plastic en vacuüm getrokken. Hij was actueel op de hoogte van door de organisatie gepleegde strafbare feiten/activiteiten en nam deel aan gesprekken hierover. Voorts was hij actief in de uitvoering.
(…)
Uit meerdere passages die hierboven zijn aangehaald blijkt dat belastingplichtige gezien kan worden als een actief lid van het samenwerkingsverband. Bij vrijwel alle feiten waarvan de groepering verdacht wordt is hij betrokken geweest. Per verdenking zal hieronder aangegeven worden welke rol belastingplichtige toebedeeld kan worden.”
En:
“
10 Berekening correcties zaakdossiers en fiscaal onderzoek
In dit hoofdstuk worden de fiscale correcties van het strafdossier Calabrese, zie hoofdstuk 6.3, en het fiscale onderzoek, zie hoofdstuk 7.6, samengevoegd.
10.1
Berekening voor [belanghebbende] naar aandeel in CSV
De fiscale correcties dienen omgeslagen te worden naar het aandeel in het samenwerkingsverband. Voor de onderbouwing verwijzen wij naar hoofdstuk 9 van dit rapport.
”
3.12.
De inspecteur heeft een kasopstelling gemaakt voor de jaren 2017 tot en met 2019. Het kassaldo over het jaar 2018 was positief € 5.938,61. Verder is geconstateerd dat sprake is van een negatief kassaldo over de jaren 2017 en 2019. Het betreft de volgende bedragen.
2017: € 3.267,47
2019: € 12.870,47
3.13.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2017 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.874, volledig bestaande uit een correctie resultaat uit overige werkzaamheid (ROW-correctie), respectievelijk een maximaal bijdrage-inkomen.
3.14.
Verder heeft de inspecteur naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 (zie 1.1) vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.612.782 (2018) respectievelijk € 1.659.746 (2019), volledig bestaande uit een ROW-correctie. De aanslagen Zvw 2018 en 2019 (zie 1.1) zijn door de inspecteur vastgesteld naar een maximaal bijdrage-inkomen.
Veroordelingen
3.15.
Belanghebbende is bij arrest van 9 november 2023 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar vanwege – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft en diverse delicten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen het arrest van het hof met toepassing van artikel 81 RO verworpen.
3.16.
In het voornoemde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Aan de verdachte is zowel het deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr tenlastegelegd als het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 Sr).”
En:
“Het hof is op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat er in de periode van 20 maart 2018 tot en met 21 november 2019 sprake is geweest van een organisatie in de hierboven bedoelde zin.”
En:
“Als markant kenmerk van de samenwerking tussen genoemde personen ziet het hof het gebruik van de schuur achter het pand [adres] te [plaats 1] , zijnde de woning van [belanghebbende] (1964) en [persoon 1] . Gedurende de onderzoeksperiode van 20 maart 2018 tot en met 13 november 2019 werd vastgesteld dat de deelnemers vrijwel dagelijks in wisselende samenstellingen bijeenkwamen op deze locatie en in de schuur, In deze schuur, die onder meer werd gebruikt voor opslag van materialen, bevond zich een afzonderlijke door middel van een deur afsluitbare ruimte.
(…)
Door [persoon 2] , [persoon 6] , [persoon 7] , [belanghebbende] (1964), [persoon 9] en [persoon 8] werd die ruimte dan ook wel aangeduid als het "kantoor".
(…)
Naast de schuur met daarin het kantoor zijn er nog enkele andere locaties die op meerdere momenten terugkomen in meerdere zaakdossiers en kennelijk in gebruik waren bij de CSV- deelnemers.”
En:
“Gelaagdheid en taakverdeling binnen de organisatie
Naast het gebruik van "het kantoor" als het van de buitenwereld afgezonderde centrum van waaruit overleg plaatsvond; draagt eveneens de uit de bewijsmiddelen op te maken gelaagdheid binnen de organisatie bij aan het bewijs van het bestaan van een georganiseerde samenwerking met zekere structuur.
[persoon 2] werd als baas binnen de organisatie gezien.
(…)
Naast een duidelijke rol van [persoon 2] als leider van het CSV blijkt uit de bewijsmiddelen dat er een vorm van taakverdeling was op een aantal specifieke soorten van werkzaamheden. [persoon 1] beheerde in haar woning aan de [adres] het contante geld; door CSV-deelnemers "de pot" genoemd. Zij maakte in dat kader notities van geldbedragen, van kostenposten en van gedane uitgiften aan personen onder wie CSV- deelnemers en zorgde op die wijze voor een soort van administratie. Zij had daarover overleg met [persoon 2] . Ook anderen waren van die administratie op de hoogte, zoals [persoon 4 ] (1979) en [persoon 5] die een deel van de pot claimden en welke laatste verdachte in een OVC-gesprek met [belanghebbende] (1964) verzocht om verstrekking van die notities met betrekking tot de pot ("waar we voor geleefd hebben en gesjouwd en gehaald") ter controle van gedane uitgaven. Het beheer van de pot en de boekhouding deed [persoon 1] samen met haar man, [belanghebbende] (1964). Zo controleerden zij samen de boekhouding, telden zij samen het geld en werd de pot in hun gemeenschappelijke woning bewaard c.q. verborgen. In ZD06, dat in het bijzonder betrekking heeft op deze rol van [persoon 1] en [belanghebbende] (1964), is te lezen dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachten aan de [adres] te [plaats 1] op 14 november 2019 in totaal € 263.525,38 en 77.200,- aan Deense Kronen zijn gevonden. [persoon 2] noemde [belanghebbende] (1964) ook wel de kassier aan wie geld (in verband met gesloten transacties) afgedragen kon worden. Andere deelnemers waren eveneens op de hoogte van die geldpot, getuige het feit dat zij blijkens aangetroffen notities en blijkens OVC-gesprekken daaruit via [persoon 1] betaald kregen of al dan niet op verzoek van [persoon 2] daaruit zelf geldbedragen haalden. Naast deze financiële taak stelden [belanghebbende] (1964) en [persoon 1] de tot hun woning aan de [adres] behorende schuur - gelet op de inrichting ervan - structureel ter beschikking om als "kantoor" te dienen.”
En:
“Het bestaan van een organisatie
Op grond van de hiervoor weergegeven, uit de bewijsmiddelen afgeleide verschijningsvormen van de samenwerking tussen de CSV-deelnemers acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een gestructureerde en duurzame organisatie waartoe verdachte en de medeverdachten behoorden. Het duurzame karakter blijkt tevens uit de lange periode waarover zich de samenwerking uitstrekte en de intensiteit waarmee men zich — in wisselende samenstellingen – bezig hield met illegale activiteiten en de voorbereiding daarvan. (…) Een aantal van de leden van de criminele organisatie lijkt zich uitsluitend bezig te houden met criminele activiteiten en hier hun “beroep” van te hebben gemaakt.”
En:
“Bijdrage verdachte en wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie
Dat [belanghebbende] (1964) tezamen en in vereniging met de overige CSV-deelnemers ook daadwerkelijk deelnam aan die organisatie blijkt uit de overige hem tenlastegelegde - hiervoor besproken — strafbare feiten waaruit, voor zover bewezenverklaard, blijkt van een betekenisvolle bijdrage in de uitvoering van die delicten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de verschijningsvorm van de organisatie en de betrokkenheid van [belanghebbende] (1964) daarbij concludeert het hof dat [belanghebbende] (1964) minst genomen in zijn algemeenheid wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat daarom zijn bijdrage aan de uitvoering van delicten tevens een opzettelijke bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie was. [belanghebbende] (1964) is in het bijzonder actief betrokken geweest bij de belangrijke
takken van de criminele organisatie, namelijk drugs, wapens en witwassen.”
En:
“De criminele organisatie werd gekenmerkt door het familiaire karakter. Van de in totaal vijftien geïdentificeerde leden hebben twaalf leden een familierelatie. De organisatie opereerde vanuit het zogenaamde ‘kantoor’, gesitueerd in een schuur. Dit kantoor werd gebruikt als vergader- en ontmoetingsruimte ter bespreking van illegale activiteiten, de ontvangst van criminele contacten en het beslechten van verboden transacties. Ook werden in deze ruimte diverse harddrugs bewerkt en verwerkt en allerhande (automatische) vuurwapens getoond en uitgeprobeerd. Het hof beschouwt het kantoor, net als de rechtbank, als het epicentrum van de organisatie. Het familiaire karakter en het afgeschermde epicentrum hebben ervoor gezorgd dat de organisatie langdurig, afgezonderd en in een vertrouwelijke sfeer heeft kunnen opereren. Het hof is van oordeel dat uit de in het kantoor opgenomen OVC-gesprekken een verontrustend beeld rijst van een organisatie die zich continu en intensief met het beramen en plegen van genoemde misdrijven bezig heeft gehouden. De verdachte, broer van de leider van organisatie [persoon 2] , heeft de organisatie gefaciliteerd door zijn schuur, met daarin gesitueerd voornoemd ‘kantoor’, ter beschikking te stellen ten behoeve van het beramen, voorbereiden en plegen van strafbare feiten door die organisatie. Daarnaast fungeerde de verdachte - in de bewoordingen van [persoon 2] - als de 'bankier'/de ‘kassière’ van de organisatie. Hij beheerde samen met zijn echtgenote de gezamenlijke ‘pot’ van de organisatie in hun woning en zij verrichtten uitbetalingen aan deelnemers ervan en aan derden. Ook is de verdachte zelf betrokken geweest bij diverse strafbare feiten, zoals drugs, wapens en witwassen. Weliswaar komt uit het dossier niet naar voren dat de verdachte binnen de organisatie vaak zelfstandig
opereerde of sturend optrad, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, het hof is echter van oordeel dat verdachte wel een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het bestaan en de continuïteit van de organisatie. Het zelfstandig opereren en sturend optreden deed namelijk in het bijzonder slechts één persoon binnen de organisatie: de leider [persoon 2] . Met andere woorden: het hof kwalificeert de rol van de verdachte, anders dan de rechtbank, niet als er een van ondergeschikte betekenis, maar is wel van oordeel dat deze beperkter is dan van sommige andere verdachten.
(…)
Bij de doorzoekingen in oktober en november 2019 zijn op de diverse opslaglocaties van de organisatie, waaronder een ondergrondse ruimte gelegen in het bosperceel achter het woonwagenkamp, honderden kilo’s aan drugs en vele stoffen en goederen bestemd voor de productie van synthetische drugs alsmede tientallen (automatische) vuurwapens, onderdelen daarvan, honderden kogels en enkele explosieven aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke hoeveelheid drugs en vuurwapens een enorme (handels)waarde vertegenwoordigen en het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs en vuurwapens - voor het overgrote deel - bestemd waren voor de lucratieve handel.
De beoogde drugsdelicten, soms met een internationaal karakter, besloegen nagenoeg het gehele spectrum van de in de Opiumwet opgesomde verboden gedragingen, zoals: internationale transporten, het bewerken en verwerken, het vervoeren, het verkopen, de productie/fabricage en het aanwezig hebben van harddrugs alsmede voorbereidingshandelingen daartoe. Het ging daarbij om uiteenlopende soorten harddrugs: MDMA, metamfetamine, amfetamine, heroïne en cocaïne. De organisatie deinsde er ook niet voor terug om containers waarvan men - al dan niet na bekomen informatie van corrupte handlangers - dacht dat daarin (mogelijk) drugs waren verstopt, op brutale wijze te stelen.
Verdachte is als lid van de criminele organisatie specifiek betrokken geweest bij het
opzettelijk verwerken en aanwezig hebben van MDMA en/ofmetamfetamine en de
bewerking en verwerking van cocaïne.
(…)
Het hof komt bij de verdachte, anders dan de rechtbank, niet tot een bewezenverklaring van het verhandelen van vuurwapens, maar weegt dit niet in strafverminderende zin mee. Het hof overweegt hiertoe dat de verdachte wel lid was van een criminele organisatie waarin het verhandelen van vuurwapens een belangrijk onderdeel van de criminele bezigheden was. De verdachte wist dat dit plaatsvond en heeft bovendien gedurende een aanzienlijke periode meermalen vuurwapens voorhanden gehad op het kamp, waaronder de enorme hoeveelheid vuurwapens die tijdens de doorzoekingen in de stashlocaties is aangetroffen. Dit betrof een handelshoeveelheid en de verdachte heeft als lid van de criminele organisatie bijgedragen aan het in stand houden van deze handel en het voorhanden hebben van deze wapens. Het hof tilt hier zwaarder aan dan de rechtbank. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw, dat de verhandelde vuurwapens geschikt zijn voor en gebruikt kunnen worden bij het plegen van ernstige strafbare feiten, waaronder gewelds- en levensdelicten. Wie de vuurwapens in concreto verkocht en overdroeg, vindt het hof gelet op de omvang van de bedrijvigheid rondom vuurwapens van minder groot belang. Dat doet niet af aan de ernst en omvang van het wapendelict.
Verdachte hield zich als lid van de organisatie ook intensief bezig met het witwassen van crimineel geld. Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen beheerde hij samen met zijn echtgenote de kas (de ‘pot’) van de organisatie en voerden zij gezamenlijk de boekhouding ervan. Ook verrichtten zij uitbetalingen aan leden van de organisatie en derden. Verdachte en zijn echtgenote hadden daartoe de contante gelden van de organisatie in bewaring, ten tijde van de doorzoekingen bestaande uit ruim € 250.000,-. Ook hebben verdachte en zijn echtgenote in februari 2019 € 700.000,- aan contanten bij elkaar gehad, geteld en aan enkele leden van de organisatie ter beschikking gesteld om daarmee naar Bulgarije afte reizen in verband met een mede door [persoon 2] opgezette witwasconstructie en de daarmee gefinancierde onroerend goed transactie in [plaats 2] .
(…)
Kort gezegd: het bestaan van deze criminele organisatie heeft op allerlei fronten een zeer ontwrichtende werking op de samenleving gehad. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en gehandeld uit puur (financieel) eigenbelang. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld
zoals bewezen is verklaard.”
Motivering
Omkering bewijslast
4. De inspecteur stelt dat belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur dient daarvoor aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat aan de aangifte inhoudelijke gebreken kleven en daardoor een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet wordt geheven. De rechtbank zal eerst beoordelen of de inspecteur dat aannemelijk heeft gemaakt.
4.1.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in de onderhavige jaren onderdeel uitmaakte van het samenwerkingsverband. Volgens de inspecteur moet het samenwerkingsverband inkomsten hebben gegenereerd om uitgaven en investeringen te kunnen doen, zoals die uit het strafdossier en het fiscale onderzoek (zie 3.11) naar voren komen. De inspecteur meent dat een aandeel van 10% in deze inkomsten aan belanghebbende kan worden toegerekend vanwege zijn rol in het samenwerkingsverband. Daarnaast stelt de inspecteur zich op grond van door hem opgestelde kasopstellingen (3.12) op het standpunt dat belanghebbende in de jaren 2017 en 2019 in ieder geval € 3.267,47 (2017) respectievelijk € 12.870,47 (2019) meer aan inkomsten moet hebben genoten dan is aangegeven in zijn aangiften IB/PVV 2017 en 2019. Dat geldt naar zijn mening ook voor 2018, omdat in de vermogensvergelijking nog geen rekening is gehouden met uitgaven voor eten en drinken. Uit de vermogensvergelijking blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende veel meer uitgaven heeft gedaan dan hij met de door hem aangegeven inkomsten had kunnen doen. Belanghebbende heeft dus inkomen gehad en heeft dat inkomen niet aangegeven. Verder stelt de inspecteur dat sprake is van bewustheid bij belanghebbende dat er inkomsten zijn die aangegeven hadden moeten worden.
4.2.
Belanghebbende bestrijdt dat hij onderdeel was van het samenwerkingsverband. De omvang van de door de inspecteur berekende uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband heeft belanghebbende als zodanig niet bestreden. Hij bestrijdt wel dat daaruit kan worden afgeleid dat het samenwerkingsverband inkomsten heeft genoten tot dezelfde bedragen. Volgens hem maakt de inspecteur niet aannemelijk of, wanneer en door wie dergelijke inkomsten zouden zijn verdiend. Daarnaast betwist belanghebbende het aandeel dat de inspecteur hem daarin toerekent.
4.3.
De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht het gelet op het strafrechtelijk vonnis buiten redelijke twijfel dat sprake was van een samenwerkingsverband waarvan belanghebbende deel uitmaakte en waaruit hij aanzienlijke inkomsten genoot (zie 3.16). Voor de jaren 2018 en 2019 sluit de rechtbank aan bij het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op dit punt. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat die het oordeel rechtvaardigen dat belanghebbende in dat jaar activiteiten ontplooide waarmee aanzienlijke inkomsten werden gegenereerd, die niet zijn opgegeven aan de Belastingdienst.
4.4.
Niet in geschil is dat het samenwerkingsverband in de onderhavige jaren uitgaven heeft gedaan en investeringen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daaruit mogen afleiden dat tegenover deze uitgaven en investeringen inkomsten moeten hebben gestaan. Uitgaven en investeringen kunnen immers alleen worden gedaan indien daarvoor middelen beschikbaar zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat het samenwerkingsverband deze inkomsten in de onderhavige jaren heeft verdiend. Uit de vele tapgesprekken en hetgeen tijdens de doorzoekingen is aangetroffen, volgt dat het samenwerkingsverband zich in de onderhavige jaren onder meer actief bezighield met zeer lucratieve handel waar veel geld in omging. Het is een feit dat dergelijke activiteiten in hoofdzaak worden ontplooid met het doel financieel voordeel te behalen. De rechtbank acht in dit verband niet van belang door wie en in welke mate dit voordeel precies is verdiend; het voordeel is behaald binnen het samenwerkingsverband en wordt daarbinnen verdeeld. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende het gestelde inkomen heeft genoten. Uit het strafdossier blijkt dat het samenwerkingsverband slechts één gezamenlijke geldpot aanhield waarin opbrengsten werden samengebracht en waaruit vervolgens de uitgaven en investeringen van het samenwerkingsverband werden gefinancierd (zie ook 3.16). De door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook aannemelijk dat een deel van deze inkomsten aan belanghebbende toekwam. Voor dit oordeel sluit de rechtbank aan bij de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de rol van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband (zie 3.16). Belanghebbende heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het bestaan en de continuïteit van de organisatie. Gelet op deze rol binnen het samenwerkingsverband acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet alleen heeft bijgedragen aan de activiteiten van het samenwerkingsverband, maar ook aanzienlijk heeft gedeeld in de daarmee behaalde opbrengsten.
4.6.
Verder laat het negatief netto privé dat volgt uit de kasopstellingen voor de jaren 2017 en 2019 ook zien dat belanghebbende in ieder geval in de jaren 2017 en 2019 meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor die jaren heeft aangegeven. Belanghebbende heeft de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vermogensvergelijking op zichzelf niet betwist en belanghebbende heeft ook geen verklaring gegeven voor het beschikken over het onverklaarde geld dat volgt uit de kasopstellingen van de inspecteur.
4.7.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2017, 2018 en 2019 significant, zowel absoluut als relatief, meer inkomsten moet hebben gehad dan hij in zijn aangiften aan belastbare inkomsten heeft aangegeven.
4.8.
Het niet aangeven van inkomsten heeft ertoe geleid dat de volgens de aangiften IB/PVV 2017, 2018 en 2019 verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is het bedrag aan belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangiften niet is geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is van oordeel, gelet op de opbrengst van het samenwerkingsverband en gelet op het negatief netto privé zonder dat daar in de aangiften inkomen of liquide vermogen tegenover staat, dat belanghebbende zich bij het doen van aangifte bewust was van het feit dat een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat hij buiten het zicht van justitie wilde blijven, maar niet de intentie had om de inkomsten – voor zover hier sprake van zou zijn – buiten het zicht van de inspecteur te houden. Ook al zou belanghebbende de inkomsten buiten het zicht van de inspecteur hebben gehouden, alleen zodat justitie niet op de hoogte zou geraken van de inkomsten, dan nog is dit een bewuste handeling geweest om inkomsten niet te vermelden waardoor te weinig belasting is geheven.
4.9.
Dat betekent dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. De bewijslast kan in dat geval worden omgekeerd en verzwaard en dat acht de rechtbank ook aangewezen. Dat geldt voor zowel de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 als de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019.
Redelijk schatting
4.10.
Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, 2018 en 2019 onjuist zijn.
4.11.
De rechtbank acht de schattingen van de inspecteur redelijk. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de door de inspecteur gestelde opbrengst van het samenwerkingsverband aannemelijk. De inspecteur heeft de hoogte van de ROW-correcties daarop gebaseerd. Volgens de inspecteur kan een aandeel van 10% van de gegenereerde inkomsten van het samenwerkingsverband aan belanghebbende worden toegerekend vanwege zijn belangrijke rol in het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk en niet willekeurig dat de inspecteur als uitgangspunt heeft gehanteerd dat belanghebbende 10% van de inkomsten van het samenwerkingsverband heeft genoten. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 te hoog zijn vastgesteld.
4.12.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de ROW-correcties voor de jaren 2017, 2018 en 2019 terecht heeft aangebracht. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 blijven dus in stand.
4.13.
De rechtbank merkt daarbij gelet op de discussie tussen partijen op dat zij gelet op de strafrechtelijke veroordeling en de concrete, gemotiveerde onderbouwing van de inspecteur, ook op grond van een normale bewijslastverdeling tot dit oordeel zou zijn gekomen.
(Navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en belastingrentebeschikkingen
4.14.
Omdat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 niet te hoog is vastgesteld, betekent dit dat ook het bijdrage-inkomen voor de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen niet te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de (navorderings)aanslagen Zvw en de belastingrentebeschikkingen ook geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het beroep met betrekking tot de (navorderings)aanslagen Zvw 2017, 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen is daarom ook ongegrond.
Boetes
4.15.
Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de AWR en paragraaf 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.16.
Verder zijn aan belanghebbende bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 vergrijpboetes opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67d van de AWR en paragraaf 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 gedaan.
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat belanghebbende onjuiste aangiften IB/PVV 2018 en 2019 heeft gedaan.
4.18.
Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
4.19.
De rechtbank acht – gelet op al het aangeleverde bewijs – buiten redelijke twijfel dat het (minst genomen) aan het voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag IB/PVV 2017 tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat de aangiften IB/PVV 2018 en 2019 onjuist zijn gedaan. Belanghebbende heeft in 2017, 2018 en 2019 meer geld uitgegeven dan uit het aangegeven inkomen en vermogen verklaard kan worden en heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende bewust significant inkomen buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden om hierover geen belasting te betalen. Gelet op de rol die belanghebbende vervulde binnen het samenwerkingsverband (zie 3.16), is de rechtbank ervan overtuigd dat belanghebbende minst genomen een significant deel van dit financiële voordeel toekwam, welke gelden belanghebbende bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft gehouden (zie 4.8). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
4.20.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank boetes van € 13.590 (2017), € 674.433 (2018) en € 424.634 (2019) als uitgangspunt passend en geboden. Aan de oplegging van die boetes staat niet in de weg dat de grondslag van deze boetes tot stand is gekomen aan de hand van inschattingen en er beperkt zicht op wat er daadwerkelijk is verdiend. Dat is inherent aan het feit dat belanghebbende geen openheid heeft gegeven over zijn genoten inkomsten. Bovendien heeft de inspecteur op een aantal punten conservatief gerekend en heeft belanghebbende de omvang van de inkomsten van het samenwerkingsverband niet betwist. De rechtbank ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van draagkracht, geen aanleiding om de boetes te matigen.
4.21.
De rechtbank ziet aanleiding om de boetes te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’), zoals belanghebbende heeft verzocht. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn op de uitspraakdatum (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan. De boetes moeten daarom als uitgangspunt worden gematigd met 10%. Omdat de matiging in dat geval voor de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019 meer bedraagt dan € 2.500, wordt de matiging voor deze boetes gemaximeerd op € 2.500. Dat betekent dat de rechtbank de boetes vermindert tot € 12.231 (2017), € 671.933 (2018) en € 422.134 (2019).
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.22.
Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
4.23.
Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Partijen zijn het erover eens dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval (afgerond) één jaar bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
4.24.
Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende over de jaren 2017, 2018 en 2019 in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken samen waren betrokken in hetzelfde boekenonderzoek en in de bezwaar- en beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dat betekent dat belanghebbende in dit geval wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.000.
4.25.
Omdat de bezwaarfase afgerond 30 maanden heeft geduurd en daarmee – na correctie, waarover partijen het eens zijn – 1 maand te lang, komt € 83,33 (1/12e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 916,67) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 zijn gegrond. Dat betekent dat de boetes worden verminderd tot € 12.231 (2017), € 671.933 (2018) en € 422.134 (2019). De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV en Zvw 2017, de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven.
5.1.
Omdat de beroepen die betrekking hebben op de boetes bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 51 terug. Wat betreft een eventuele proceskostenvergoeding is ter zitting gesteld dat de gemachtigde op grond van door de overheid gefinancierde bijstand – een toevoeging – deze procedure voert en belanghebbende daarom voor deze procedure afziet van het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond die betrekking hebben op de uitspraken op bezwaar over de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en over de boetes bij de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;
verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetes bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de aanslagen IB/PVV 2018 en 2019;
vermindert de boete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot € 12.231;
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2018 tot € 671.933;
vermindert de boete bij de aanslag IB/PVV 2019 tot € 422.134;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 83,33;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 916,67;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier. De uitspraak is ondertekend door de jongste rechter, omdat de voorzitter verhinderd is de uitspraak te ondertekenen.
griffier
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5460.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2023, parketnummer 20-002244-21.
Zie voor een deel van die overwegingen onderdeel 3.16 van deze uitspraak.
Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.