Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8197

2026-08-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht BRE 25/1978
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/1978
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

RWNL. Afwijzing verzoek om eiseres vrij te stellen van de verplichting om afstand te doen van haar Kosovaarse nationaliteit.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.352 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/1978 RWNL


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),


en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).




Procesverloop

1. Op 26 oktober 2023 heeft eiseres een verzoek om naturalisatie ingediend, waarbij zij zich ook bereid heeft verklaard om afstand te doen van haar Kosovaarse nationaliteit. Eiseres heeft bij Koninklijk Besluit van 14 februari 2024 de Nederlandse nationaliteit verkregen.

2. Op 26 november 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend om haar vrij te stellen van de verplichting om afstand te doen van haar Kosovaarse nationaliteit.

3. In een besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

4. In een besluit van 24 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

6. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

7. De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Beoordeling door de rechtbank



Bestreden besluit



8. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om niet langer van eiseres te verlangen dat zij afstand doet van haar Kosovaarse nationaliteit. Haar financiële situatie is niet wezenlijk veranderd ten opzichte van het moment dat zij zich bereid verklaarde afstand te doen van die nationaliteit. De kosten die hiermee samenhangen zijn voorzienbaar en niet buitengewoon. Niet gebleken is dat de Kosovaarse nationaliteiten niet willen meewerken aan het doen van afstand. Omdat er geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is, is eiseres niet gehoord.



Standpunt van eiseres



9. Eiseres heeft aangevoerd dat zij pas na haar naturalisatie op de hoogte is geraakt van het feit dat zij € 810,- aan leges moet betalen om afstand te kunnen doen van haar Kosovaarse nationaliteit. Deze kosten kan zij als alleenstaande moeder in de bijstand niet betalen. Verweerder had gebruik moeten maken van de beleidsruimte die de Handleiding biedt om in bijzondere omstandigheden alsnog ontheffing te verlenen. Zij beroept zich op het evenredigheidsbeginsel. Tot slot stelt eiseres dat zij in bezwaar gehoord had moeten worden.



Beoordelingskader



10. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWNL) bepaalt dat het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 niettemin wordt afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

11. De Afdeling acht het beleid van verweerder dat een verzoeker die zich bij het indienen van het naturalisatieverzoek bereid heeft verklaard afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit daaraan in beginsel gehouden word als zodanig niet onredelijk. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat de systematiek van de RWNL er niet aan in de weg staat dat, na verlening van het Nederlanderschap, de betrokkene ondanks diens eerdere afstandsverklaring alsnog wordt ontheven van zijn afstandsverplichting. Dit is mogelijk als de omstandigheden van de verzoeker ná de verlening van het Nederlanderschap zodanig veranderen, dat het doen van afstand niet langer van verzoeker mag worden verlangd. Alleen in dergelijke gevallen kan, ondanks dat de verzoeker zich tijdens de behandeling van het verzoek om naturalisatie bereid heeft verklaard om afstand te doen, een beroep achteraf alsnog worden gehonoreerd.



Beoordeling



13. Vast staat dat eiseres bij haar verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring heeft ondertekend, waarmee zij zich bereid heeft verklaard om afstand te doen van haar Kosovaarse nationaliteit. Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden die zich na de verkrijging van het Nederlanderschap hebben voorgedaan. Eiseres leefde destijds van een bijstandsuitkering en die situatie is onveranderd.

14. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat het feit dat zij pas nadat zij het Nederlanderschap heeft verkregen bekend is geworden met de hoogte van de te betalen leges aangemerkt moet worden als een bijzondere omstandigheid. Daarbij is van belang dat onder aan de door eiseres ondertekende bereidheidsverklaring staat dat de gemeente haar geïnformeerd heeft dat het doen van afstand lastig kan zijn en veel geld kan kosten, en dat de gemeente haar heeft geadviseerd om – voordat zij de verklaring invult en ondertekent – informatie in te winnen over de wijze waarop zij afstand kan doen van haar nationaliteit. Zij is dan ook voldoende voorgelicht door de gemeente. Het was vervolgens aan eiseres om tijdig nadere informatie te verkrijgen over onder meer de kosten die samenhangen met het doen van afstand van haar Kosovaarse nationaliteit. Verweerder heeft in dit kader geen aanvullende onderzoeks- of informatieplicht. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het beleid en eiseres niet te houden aan haar bereidheidsverklaring.

15. Met het bestreden besluit is ‘alleen’ de aanvraag om haar vrij te stellen van de verplichting om afstand te doen van haar Kosovaarse nationaliteit afgewezen, het Nederlanderschap is niet ingetrokken. De rechtbank kan zich voorstellen dat het bestreden besluit nadelig uitpakt voor eiseres, echter de rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft geconcretiseerd dat het besluit voor haar onevenredige consequenties heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

16. Onder de gegeven omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiseres te horen en is het bezwaar terecht kennelijk ongegrond verklaard.



Conclusie en gevolgen


17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is op 26 augustus 2026 gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003.


De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Neergelegd in de Handleiding, paragraaf 4.3 bij artikel 9 van de RWNL.


Uitspraak van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1478.


Uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336.